Rinus Kiel over Bijbel, cultuur en wetenschap

Reageren? Zie home-page                                                                                

======================================================

Home
Site-map
Updates
Deze site + mijzelf
Bijbel en theologie
Israel - volk en land
Filosofische items
Denken en cultuur
Wetenschap
Actualiteiten
Klimaat
Presentaties
Boeken
Weblinks

(Presentaties)

Up Pres. Setterfield Creationisme in NL Fair Science Bijbel Wetenschap

Presentatie over geschiedenis van het creationisme in Nederland

Nieuw 11/03/2011, laatste wijziging 01/09/2014

Zoek op deze website

Samenvatting: Presentatie over de achtergronden en de ontwikkeling van het creationisme in Nederland, waarin ook aangegeven wordt waarom de gezonde Bijbelse houding met betrekking tot de schepping is prijsgegeven. Dat dit geheel ten onrechte was, wordt uit de presentatie en de tekst volledig duidelijk. Deze presentatie werd gegeven op 25 oktober 2008, op een bijeenkomst op Urk, georganiseerd door de Urker studiegroep 'Kom en Zie'.

PowerPoint presentatie als PDF file . Hieronder de tekst bij de presentatie:

 

 

Creationisme in Nederland

 

Creationisme is een redelijk recente term. Als -isme heeft het een onaangename klank, het duidt op een fanatieke, fundamentalistische, overdreven aandacht voor één aspect om dat tot het enige te verheffen. Diegenen in Nederland die men ‘creationisten’ noemt, herkennen zich in geen geval in deze karakteristiek. In de volgende voordracht kijken we naar enkele aspecten:

 

1.       Wat is creationisme?

2.       Kerkvaders en reformatoren

3.       Deïsme

4.       Lyell en Darwin

5.       Reactie van kerk en theologie

6.       De triomf van het evolutionisme

7.       The Genesis Flood

8.       Frits J. Kerkhof

9.       Lever en Van de Fliert

10.    Evangelische Omroep

11.    Evangelische Hogeschool

12.    Europese creationistische congressen

13.    Huidige stand van zaken

14.    Conclusies

 

1.       Wat is creationisme?

Kijken we naar de eerste 18 eeuwen Christendom in Europa. Wat waren de opvattingen rond schepping en zondvloed?

       Aarde en wereld geschapen in 6 dagen

       Recent

       Zondvloed ± 1650 na de schepping

       Was wereldwijd en betekende totale vernietiging

       Alleen Noach en familie en de meegnomen dieren overleven, plus vele zeedieren

●       Deze opvattingen waren integraal deel van het Christendom

Maar thans is de situatie geheel anders: Genesis 1-11 is losgeweekt van de rest van de BBijbel en als historie ongeloofwaardig gemaakt. Deze hoofdstukken hebben voor Christenen een onduidelijke status, zowel in de theologie als in de andere wetenschappen.

En, hoewel velen nog wel vasthouden aan de historische Bijbelse lezing (bijv. >60% van de EO-achterban hangt dit nog aan), hebben zij geen steun uit kerk, theologie en wetenschap.

Velen beschouwen deze opvattingen als totaal achterhaald. En het is voor velen, die zich in kerk en theologie rekenen tot de intelligentsia, een doorn in het oog, dat nog steeds velen vasthouden aan de normale lezing van Genesis.

Een voorbeeld is de Evangelisch-Lutherse kerk in Baden-Württemberg (D) die in een officieel stuk een frontale aanval doet op de ‘creationisten’, maar daarin blijk geeft, niets te weten van de hoge kwaliteit van veel wetenschappelijk onderzoek uit die kringen. De toon is neerbuigend, afwerend en paternalistisch. Hoe is dat toch allemaal zo gekomen?

 

2.       Kerkvaders en reformatoren

Velen in de hoek van het theïstisch-evolutionisme leggen grote waarde op de theologische betekenis van Genesis 1 e.v., waarbij de historische betekenis wordt ondergewaardeerd, en beroepen zich op de kerkvaders. Wat zijn daarbij de veronderstellingen?

1.       De kerkvaders vonden de ouderdom van de aarde etc. van minder belang voor de fundamenten van het christendom.

2.       Als deze kerkvaders zich comfortabel voelden met een breed spectrum aan exegetische methoden en hermeneutische conclusies, waarom zouden we hen daarin dan niet navolgen?

3.       Wij hebben voldoende bewijs dat het jonge aarde-creationisme NIET de positie was van de vroege kerk en dat het zeker geen bepalend thema was.

4.       Als huidige theïstisch-evolutionisten Augustinus en van de andere kerkvaders in hoofdzaak Origenes inroepen als mensen die zich met grote ouderdommen comfortabel voelden, willen zij duidelijk maken dat het geloof in de miljarden jaren niet een terugval is, die door het uniformitarisme is teweeggebracht, maar dat het een positie is die altijd een plaats had binnen de orthodoxie.

Maar is dat eigenlijk wel zo?

 

De theologische betekenis stond voor de kerkvaders wel voorop, maar zij bevestigden met kracht dat de aarde in zeer korte tijd, a.h.w. plotseling, recent was geschapen in minder dan 6.000 jaren geleden. De allegoristen gingen zeker niet verder terug dan 10.000 jaar geleden.

De kerkvaders waren zeer goed bekend met de oorsprongsopvattingen van de diverse Griekse denkers en ageerden daartegen met verwijzing naar de recente schepping in 6 dagen. Hun kritiek was dat de meesten geen intelligente eerste oorzaak aanwezen en dat hun theorieën elkaar opvolgden als buien in het regenseizoen. Daar tegenover stelden zij de vastheid en betrouwbaarheid van het Bijbelse bericht. Ook maakten zij de grote ouderdommen belachelijk die Egyptenaren en Grieken voor hun culturen claimden. En zij deden dat onder verwijzing naar Genesis. Zij formuleerden hun opvattingen in oppositie tot de heidense denkers met hun evolutionaire ideeën, die van de huidige echt niet veel verschillen.

 

  Opvatting van de kerkvaders over ouderdom aarde, scheppingsdagen en wereldwijde vloed

Kerkvader

Jaar

Schepping in 6 dagen?

Schepping

recent?

Vloed

wereldwijd?

2e eeuw

 

 

 

 

Justinus Martyr

100-165

 

 

ja

Theophilus van Antiochië

     ±180

6 dagen van 24 uur

ja

ja

Tatianus

110-180

6 dagen van 24 uur

ja

 

Irenaeus van Lyon

115-202

6 dagen van 24 uur

ja

ja

Clemens van Alexandrië

150-215

6 dagen symbolisch,

allegorist

<10.000 jaar oud

ja

Tertullianus

160-225

 

 

ja

Hippolytus

170-236

6 dagen van 24 uur

ja

ja

Origenes

185-251

allegorist

<10.000 jaar oud

ja

3e eeuw

 

 

 

 

Lactantius

250-325

6 dagen van 24 uur

<6.000 jaar oud

ja

Victorinus van Pettau

???-304

6 dagen van 2x12 uur

ja

 

Methodius

???-311

6 dagen van 24 uur

ja

 

4e eeuw

 

 

 

 

Efraïm de Syriër

306-373

dag en nacht beide 12 uur, contra allegorie

ja

ja

Basilius van Caesarea

329-379

6 dagen van 24 uur

ja

 

Ambrosius van Milaan

339-397

6 dagen van 24 uur,

platonische trekjes

onbekend

 

Johannes Chrysostomus

347-420

 

 

ja

Hiëronymus

347-420

6 dagen symbolisch

<10.000 jaar oud

ja

Augustinus, bleef eigenlijk

    toch neoplatonist

354-430

onduidelijk, Vulgaat,

kende geen Hebreeuws

<6.000 jaar oud

ja

Theodoretus

393-457

6 dagen van 24 uur

 

 

 

Van de reformatoren was Luther zeer uitgesproken over deze materie. Calvijn lijkt op het eerste gezicht meer ruimte te bieden voor afwijkende opvattingen door zijn accommodatietheorie, maar houdt toch vast aan de historische lezing. In navolging van hen lazen vrijwel alle theologen en andere wetenschappers Genesis 1-11 als geschreven historie en gingen daar in hun wetenschappelijk werk van uit. De geologen, die zochten naar verklaringen van de afzettingsgesteenten als getuigen van de vloed in Noachs dagen, ontwikkelden diverse theorieën over de oorzaak en de geologische gevolgen van de grote vloed. Voor allen gold, dat deze zich had afgespeeld conform het Bijbelse bericht. Tot ver in de 19e eeuw werkten in Groot-Brittannië christengeologen volgens een Bijbels model.

Maar daar kwam verandering in. Een verandering die niet werd veroorzaakt door nieuwe gegevens, zoals in Galileï’s tijd, maar door een nieuwe filosofie.

 

3.       Deïsme

De wetenschap in het westen was van start gegaan met kritiek op Aristoteles. De hele wetenschappelijke wereld in de 14e/15e eeuw ging uit van Aristoteles’ denken. Dat was de grote autoriteit. Als je je op hem beroepen kon, dan was dat het eind van de tegenspraak. Maar het waren Franciscaner monniken, de latere bisschop Robert Grosseteste en de monnik Roger Bacon, die daartegen grote bezwaren hadden. Thomas van Aquino, die Aristoteles aan de kerkleer had vastgeklonken, ging uit van de veronderstelling, dat de zondeval geen gevolgen had gehad voor het denken van de mens, dat kon je dus vertrouwen. En Aristoteles was de grote specialist in die tijd op het gebied van het denken, dus daar kon je gerust op afgaan. Maar Grosseteste en Bacon hadden uit de Bijbel begrepen dat ook het denken was gevallen, en dat je dus niet zomaar je denken kon vertrouwen. Volgens hen moest je telkens weer je denkproducten toetsen aan de realiteit, om het denken voor afdwalen te behoeden. Galileï was een van de eersten die dit toepaste. In zijn spoor werden langzaam aan de autoriteiten afgezworen en leerde men op eigen waarnemen te vertrouwen.

 

Nu, binnen een Bijbels denkkader werkte dat uitstekend. Maar er kwam langzaam aan een andere geest in Europa op. Men wilde ook van de autoriteit van de Bijbel af. Men wilde zelf een denkkader ontwerpen, dat niets meer met God, Bijbel of kerk te maken zou hebben. Maar een god kon nog niet gemist worden. Dat zou te schokkend zijn. Daarom bedacht men een god, die van dienst zou kunnen zijn, zolang het nog onveilig was om God helemaal uit te zwaaien. Een god naar eigen model, nl. één die

       wel schept maar zich verder afzijdig houdt,

       natuurwetten vaststelt, maar er ook zelf aan onderworpen is,

       geen gebeden hoort of beantwoordt,

       nooit ingrijpt in de ‘natuurlijke’ gang van zaken,

       geen wonderen doet,

       zich niet openbaart.

Hier is God gelijk gesteld met de ‘natuur’.

 

De evolutionistische bioloog John Maynard Smith zei tegen prof. Edgar Andrews in het Huxley Memorial Debate in Oxford februari 1986: “Jullie god is een antieke stammengod uit het grijze verleden, onze god is veel groter, dat is de ‘Natuur’”. Blaise Pascal noemde deze god, de ‘god van de filosofen’. De dichter P.A. de Génestet refereerde hieraan toen hij dichtte: “De God die zoveel wond’ren had verricht, is door de schoolmeesters kapot gedacht”.

Deze opvatting noemt men het Deïsme. De filosofie hierachter is: De ‘Natuur’ geeft ons voldoende om zelf alles te kunnen uitvinden, daarvoor is (en was) geen openbaring nodig.

Dus: het vinden van de oorsprong van alles is een kwestie van achteruit extrapoleren van huidige situatie en natuurprocessen (actualisme, uniformitarisme). Zo kwam men aan de 10.000en, 100.000en en later miljoenen en miljarden jaren. Die zijn niet door ouderdomsmeting tot stand gekomen, de radiodateringen zijn achteraf maar in zwang gekomen omdat ze juist die hoge dateringen schijnen op te leveren.

 

4.       Lyell en Darwin

Charles Lyell (1797-1875) was een rijke advocaat, die graag als een goed christenmens te boek stond, maar die in brieven aan vrienden schreef dat “...we af moeten van de geschriften van Mozes”, waarmee hij bedoelde dat een recente schepping in zes dagen, een wereldwijde vloed, maar ook Gods wetten op de Horeb, uit het bewustzijn van de Europeanen moesten worden uitgewist. Iemand met een dubbele agenda dus. Hij besefte dat een naturalistische ontwikkeling van het leven veel tijd nodig had, en zo reisde hij Europa en Amerika rond om onderzoek te doen. Hij ging daarbij uit van de stelling: het heden is de sleutel tot het verleden. De snelheid waarmee thans klei, zand, grind e.d. wordt afgezet, is ook maatgevend voor het verleden. Nu als die snelheid 1 mm per jaar is en we hebben een afzettingsdikte van 1 kilometer, dan duurde dat dus een miljoen jaar. En zo bouwde hij aan de voor evolutie benodigde tijd. Hij publiceerde zijn bevindingen van 1830-1833 in een driedelig werk ‘Principles of Geology’. Nu nog iemand vinden die een geloofwaardige theorie over het ontstaan van het leven kon produceren. En daarvoor bood zich, zonder zelf het te beseffen, iemand aan.

 

Charles Darwin (1809-1882) was een intelligent en beminnelijk mens, onzeker over zichzelf, geneigd tot hypochondrie, maar met een goede dosis eerzucht. Orthodox in geloof, maar zeker niet fanatiek. Hij geloofde in schepping en zondvloed, maar had daarover niet erg Bijbelse ideeën, zoals velen van zijn tijdgenoten: hij geloofde nl. dat God de verschillende soorten had geschapen op de plaatsen waar ze nu leefden.

Op zijn 16e heeft hij 2 jaar in Edinburgh medicijnen gestudeerd, en in 1828 werd hij naar Cambridge gestuurd voor een opleiding theologie. In die tijd was zo’n job eigenlijk voor de mislukkelingen, maar het betaalde goed. Daar las hij Paley’s boek over de natuurlijke theologie en raakte meer geïnteresseerd in biologie. De gelovige bioloog ds. John Henslow bracht hem in contact met Adam Sedgwick, die geologie doceerde in Cambridge. Na drie verknoeide jaren verliet Darwin Cambridge om zich te vestigen als dorpspriester op het Engelse platteland. Maar toen nam zijn leven een totaal andere wending. Hij werd gevraagd om enkele jaren als ‘naturalist’ mee te varen met het schip de ‘Beagle’.

 

In tegenstelling tot de algemeen geaccepteerde mythe, heeft deze reis volgens zijn biografe, Gertrude Himmelfarb, geen enkele bijdrage geleverd aan het ontstaan van Darwins boek. Anderen moesten hem later wijzen op de ‘Darwin’-vinken. Na vijf jaren stapte Darwin in 1836 aan wal. Juist voor het uitzeilen in 1831 kreeg hij van Henslow het eerste deel van Lyells boek over de geologie “maar”, zei Henslow, “je moet er niets van geloven”.

Het grootste deel van die tijd was Darwin op het land, bezig met het verzamelen van gesteenten en fossielen, want zijn grootste belangstelling lag toch bij de geologie. Intussen dacht hij na over de verschillende levensvormen, vroeg zich af waarom er op verschillende plekken verschillende dieren leefden, en filosofeerde daarover, mogelijke verklaringen zoekend. Hij werd hierin misleid door zijn on-Bijbelse opvattingen. Over deze dingen heeft hij veel geschreven in zijn notitieboeken.

 

De duistere figuur achter Darwin is Charles Lyell. Hij bleef op de achtergrond en spande anderen voor zijn karretje. Darwin was in het bezit van al zijn werken over geologie. Deel 1 had hij tijdens zijn reis bestudeerd. Het lezen van deel 2 bracht hem op het idee, dat zo breeduit in de ‘Origin’ is uitgewerkt. Iemand schreef eens: Deel 2 van Lyells ‘Principles of Geology’ is werkelijk de ‘Origin’ maar zonder Darwinisme. Bij het lezen van dit deel kreeg Darwin de hele theorie uitgespeld, behalve het mechanisme van de natuurlijke selectie.

Darwin begon nu feiten bij de theorie te zoeken. Hij werkte zijn aantekeningen om tot het raamwerk voor een boek. Lyell stond er zo met zijn neus bovenop dat Darwin eens verzuchtte: als ik mijn gedachten terugdenk, weet ik niet welk deel van mijzelf is en welk van Lyell. Maar de liefde van Lyell bekoelde toen hij in de gaten kreeg dat Darwins werk atheïstische trekjes begon te vertonen.

 

Bij de verschijning in 1859 was er grote oppositie vanuit de Engelse maatschappij. Wetenschappers vonden het beneden de maat. Dat was en is het ook. Het is geen wetenschappelijke verhandeling over het ontstaan van de soorten, maar een breedsprakige natuurfilosofische verhandeling, met tal van frasen als “het is gemakkelijk in te zien dat…”, “…is het niet moeilijk voor te stellen dat…”, maar met geen enkel echt wetenschappelijk statement, laat staan enig bewijs voor enige stelling. Darwin bouwde in de tekst allerlei veiligheden in, voor het geval dat nieuwe vondsten zijn opvatting zouden falsificeren.

 

Darwin en zijn vrienden, inclusief Lyell, waren op het gebied van wiskunde en logica eigenlijk vergulde nullen. Prof. Thompson schreef in het voorwoord van de uitgave in 1956: “Het succes van het Darwinisme ging gelijk op met afname van wetenschappelijke integriteit.” Want gaf Darwin nu een theorie over het ontstaan van de soorten? Niet in het minst. Hij probeerde de variatie op soortniveau – die hij als kweker goed kende – te extrapoleren naar een evolutie van soort naar soort in opklimmende zin en beweerde dat dat mogelijk was, als er maar tijd genoeg beschikbaar was. Nu, die tijd had Lyell verschaft, dacht hij (en denken velen nog).

Door kwalen geplaagd verdedigde Darwin zijn werk niet zelf maar liet dat over aan Thomas H. Huxley (1825-1895, ook wel ‘Darwins buldog’ genoemd), die het met verve verdedigde, maar ook zijn twijfels had. Zijn haat tegen de geestelijkheid won het van zijn aarzelingen.

Als Darwin later zijn ‘Descent of man’ (Afstamming van de mens) publiceert, neemt Lyell afstand van Darwins ideeën die steeds meer in de richting van atheïsme gaan.

 

5.       Reactie van kerk en theologie

Alle natuurwetenschappers in de 19e eeuw keren zich tegen deze nieuwe ontwikkeling en waarschuwen voor de negatieve gevolgen en de stagnatie in de wetenschap, als deze filosofie, die diametraal tegenover de succesvolle westerse wetenschap staat, de overhand krijgt. De zgn. ‘Bijbelse geologen’ in de 19e eeuw werken gewoon verder aan hun modellen, maar door hun gebrekkige contacten en slechte onderlinge organisatie zijn zij niet opgewassen tegen Lyell en zijn vrienden, die in en rond Londen de Royal Society monopoliseren, daarin een kleine groep vormen, de X-club, die medestanders op belangrijke posten weet te krijgen. Dat is dé manier om een revolutie in de universitaire wereld te bewerkstelligen.

 

Hoe reageert de christelijke wereld, i.c. hun leiders, de theologen, niet alleen op de nieuwe filosofische inzichten, maar ook op de nieuwe machtsverhoudingen binnen de universiteiten? Vrijwel zonder uitzondering gaan zij vrijwel geruisloos overstag en passen de exegese van Genesis netjes aan. 18 eeuwen klassieke christelijke opvatting over Genesis schuiven achter de gordijnen. Wat zijn die capitulaties?

1.       Een ‘gat’ tussen Genesis 1:1 en :2. In dat gat moeten dan de geologische lagen en de hele evolutie terecht komen. Dood en verderf vóór Adam; onzekerheid over de eerste mens: een ‘aapachtige’(?) waarin een ‘ziel’ geplaatst wordt? Hoezo zonde en dood? Waarom Jezus eigenlijk?

2.       De recapitulatietheorie. Genesis 1:1 beschrijft een oorspronkelijke schepping, die verloren ging, bijv. door de val van satan. Dan volgt een herschepping vanaf Genesis 1:2. Maar de Bijbel laat geen gat toe (zie Exodus 20:11 / 31:17).

3.       Dagen zijn tijdperken. Ja, maar hoe konden de kruiden en de bomen van dag 3 een tijdperk lang zonder licht van de zon?

4.       Theïstische evolutie. Een populaire verlegenheidsoplossing: God gebruikte de wrede evolutieprocessen om te scheppen. Ook hier gingen dood en verderf aan Adam en Eva vooraf. Ook hier alleen maar problemen. De dood als straf op de overtreding komt hier in de lucht te hangen. En dus ook Jezus’ werk en Gods plan in bredere zin. Tegenwoordig populair bij ‘zichtbare’ christenen: Willem Ouweneel, Andries Knevel, Cees Dekker, René Fransen. Wat winnen we hiermee?

Als kerk en theologie zich op deze manier aanpassen aan de heersende filosofie, blijft toch de klassieke opvatting levend bij veel ‘eenvoudige’ christenen. Zij dragen de fakkel van de normale historische lezing van Genesis door deze donkere tijden. Invloed hebben zij niet, gehoord worden zij nergens, de omwenteling is over hen heen gedenderd en hun leiders hebben hen in de steek gelaten. Heeft hun opvatting nog toekomst?

 

6.       De triomf van het evolutionisme

Aan de universiteiten wordt de wetenschap vrijwel geruisloos omgebouwd in evolutionistische zin. De Bijbel heeft volstrekt afgedaan, en ook in de theologie is de accommodatie aan de naturalistische tendensen vrijwel totaal. Bijbelkritische theorieën, gebaseerd op evolutionistische vooroordelen, vieren hoogtij. Het lijkt alsof de tegenstand tegen deze godloze theorieën is verstomd.

Toch levert deze filosofie niet louter geluk op. Evolutie is immers gebaseerd op het krijgen van zoveel mogelijk nakomelingen, waarvan de meest aangepasten overleven en de anderen moeten uitsterven. Veel van de ellende in de tweede helft van de 19e en de 20e eeuw is terug te voeren tot deze opvattingen. Denk aan sociaal Darwinisme, twee wereldoorlogen, bruut kapitalisme, communistische revolutie, Nazisme en veel andere bewegingen. Alle gebaseerd op het evolutionisme. Dood als creatieve factor. In Rusland werd dit naakte atheïsme aan het volk onderwezen als het ‘wetenschappelijk socialisme’. Een door Bijbel en christelijk geloof bezielde cultuur lijkt ten einde gekomen.

Zo totaal lijkt die nederlaag dat Julian Huxley (1887-1975, kleinzoon van Thomas Huxley) als voorzitter van de American Humanist Association tijdens het eeuwfeest van de verschijning van Darwins boek in 1959 kon uitroepen: ”Ieder die nu NOG niet gelooft dat evolutie een feit is, aan diens verstand moet ernstig worden getwijfeld”. Deze Huxley heeft, als langjarig voorzitter van Unesco, er naar gestreefd dat deze organisatie ervoor zorgen moest, dat het onderwijs in de wereld in evolutionistische zin zou worden omgebouwd. Nu, dat is aardig gelukt. Maar toch. . . er broedde wat

 

7.       The Genesis Flood

In 1961, twee jaar na Huxley’s hoogmoedige uitroep verschijnt er in de VS een boek ‘The Genesis Flood’, geschreven door een theoloog, Dr. John C. Whitcomb (1924-), en een hydrologisch ingenieur, Dr. Henry M. Morris (1918-2006), met als ondertitel: ‘The Biblical record and its scientific implications’ (De Bijbelse geschriften en hun wetenschappelijke consequenties). Hierin beschrijven zij hoe allerlei geologische formaties en de daarin opgesloten fossielen, niet een evolutie van het leven van simpel naar ingewikkeld laten zien, maar dat deze de gevolgen zijn van de zondvloed, de wereldwijde vloed in Noachs dagen. Zij waren niet de eersten die daarover publiceerden. Ook de zevendedags adventist Dr. George McCReady Price had al eerder over de zondvloed geschreven vanuit Bijbels perspectief, maar zijn werk was niet gebaseerd op uitgebreid wetenschappelijk onderzoek. Het had maar een kleine verspreiding. Toch worden vele van zijn argumenten – die niet altijd correct zijn – door Amerikaanse christenen gebruikt. Ook Morris en Whitcomb maakten gebruik van sommige van zijn argumenten. Ook zij waren niet geschoold in de geologie, waarover zij evenwel uitgebreid schreven. In feite beoogden zij een complete reconstructie van de in de ‘seculiere’ wetenschappen verwrongen historie op Bijbelse grondslag. Een buitengewoon moedige poging.

 

Hoe het ook zij, hun boek gaf de stoot tot een brede beweging, omdat zij kans zagen grote aantallen via kerkelijke netwerken af te zetten. En het sloeg in als een bom. Het riep gelijk een enorme tegenstand op uit het evolutionistische kamp. En, eerlijk is eerlijk, veel kritiek was terecht.

Maar de beer was los. De creationistische beweging in Amerika was niet meer te stuiten. De lang in isolatie gekoesterde opvattingen kregen plotseling de ruimte. Een grote stroom van boeken en artikelen volgde. En er werd geïnstitutionaliseerd. In 1963 richtte Morris met negen anderen de Creation Research Society op, met de bedoeling om zelf het onderzoek ter hand te nemen, en in 1970 het Institute for Creation Research (ICR), dat nog steeds een grote activiteit ontplooit op gebied van publicaties, maar steeds meer ook met eigen onderzoek, laatstelijk nog het RATE-onderzoek naar de betrouwbaarheid van radiodateringen.

Aansluitend starten ook in andere landen activiteiten. In Groot-Brittannië waren al geruime tijd bescheiden creationistische bewegingen aan het werk. Op het Europese vasteland komt nu ook een beweging van de grond, die Genesis weer als historie lezen wil, en de wetenschappelijke consequenties wil bestuderen. Eigenlijk niets anders dan het aan de oppervlakte komen van de door vele ‘eenvoudigen’ nog steeds gekoesterde klassieke christelijke opvatting van Genesis.

 

Deze – in de christenheid sinds 18 eeuwen de door vrijwel allen geaccepteerde opvatting – wordt nu gezien als een aparte filosofie, die alleen maar geboren is uit oppositie tegen en onvrede met het godloze evolutionisme. Ook steekt het dat zij opkomt niet uit de universitaire wereld, maar vanuit het grondvlak. Zij wordt bespot en gekleineerd. Niet alleen door de geseculariseerde wereld, maar ook door de kerkelijke intelligentsia. De theologie is immers mee ‘om de bocht’ gegaan en zet zich in toenemende mate af tegen deze beweging.

Hoe fel de tegenstand vanuit de kerk is, blijkt uit een document dat door de Evangelisch-Lutherse kerk van Baden-Wurttemberg is gepubliceerd in 2007, van de hand van Dr. HansJörg Hemminger. Het haalt ongemeen fel uit naar de creationisten, die verweten wordt, zonder kennis van zaken allerlei dingen te beweren; hun langzaam aan gedegen kritiek op de dateringsmethoden wordt neergesabeld, en baanbrekend onderzoek als dat van Barry Setterfield wordt belachelijk gemaakt. Ook blijkt Hemminger niet op de hoogte van de astronomische onderzoeken van de laatste 20 jaar en is de breed gedragen kritiek van de wetenschappelijke wereld op Big Bang, evolutiehypothese, relativiteit en de ‘klassieke’ kwantummechanica hem kennelijk ontgaan. De kerk kiest volledig voor de kant van het godloze evolutionisme tegen de christenen op het ‘grondvlak’, die de Bijbel in alles serieus willen nemen, en daarvoor langzamerhand zeer steekhoudende argumenten ter tafel kunnen brengen.

 

8.       Frits J. Kerkhof

Ook in Nederland komt voorzichtig een ‘creationistische’ beweging op. Een vroege pionier is Frits J. Kerkhof, een industrieel uit Oud-Beijerland. Hij ontplooit naast zijn drukke werkkring een groot aantal activiteiten:

       hij houdt lezingen over creationisme voor studenten en belangstellenden

       hij vertaalt ‘The Flood’ (De Zondvloed) van Rehwinkel (in 1960, boek is van 1951)

       en vertaalt ‘After Its Kind’ (Naar zijn aard) van Byron C. Nelson

        ook stimuleert hij mensen als W.J. Ouweneel

        en richt ‘Stichting Publicatie Reformatorische Boeken’ op

        is mede-oprichter ‘Stichting tot Bevordering van  Bijbelgetrouwe Wetenschap’ (leidt tot EH)

        en organiseert in opdracht van de EH 3 Europese creationistische congressen (Leuven)

        bovendien beheert hij het onuitgegeven werk van I. Velikovsky na diens overlijden.

Het is aan mensen als Kerkhof te danken dat er een creationistische beweging in Nederland op gang komt, weliswaar zwak georganiseerd en vooral steunend op persoonlijke contacten van mensen die elkaar in diverse christelijke organisaties ontmoeten. Maar het is een begin.

 

9.       Lever en Van de Fliert

Maar deze aarzelende lente bereikt niet zomaar de christelijke intelligentsia. Aan de Vrije Universiteit propageert de bioloog prof. Jan Lever als eerste de evolutietheorie. Hij is van mening dat dit onvermijdelijk is, en ziet dit als een wetenschappelijk bewezen zaak. Hij krijgt van de christelijke media (Trouw, NCRV e.a.) volop gelegenheid om zijn ideeën te spuien. Zijn boeken ‘Creatie en Evolutie’ (1956) en ‘Waar blijven we?’ (1969) worden voor de NCRV-microfoon positief besproken. Hij trekt het land in om de VU-achterban voor zijn ideeën te winnen. Tegenstanders worden niet aan het woord gelaten.

 

De geoloog J.R. van de Fliert gaat ook door de knieën voor de evolutionistische kijk op zijn vakgebied, en ziet die visie als noodzakelijk. Ook hij publiceert veel voor zijn christelijke achterban. Het gaat nl. niet alleen om een evolutionistische visie op de geologie, maar ook om een nieuwe Bijbelbeschouwing, want, zegt hij: “Het kón immers niet bij de eerste hoofdstukken van Genesis blijven maar betrof, van daaruit, het verstaan van de héle Bijbel”. Heel Genesis 1-11 wordt nu losgeweekt uit de context en in evolutionistische zin omgeduid. Hij strijdt met kracht tegen de ‘biblicistische’ en ‘fundamentalistische’ stromingen, die ‘helaas’ ook aan de VU hun aanhangers hadden gevonden. Na zijn dood (in 1980) zijn de geologische opvattingen waarvan hij vond dat ze aanleiding gaven om de Bijbel te herinterpreteren, in de geologie grotendeels losgelaten. Maar de gevolgen van zijn houding zijn in de Nederlandse christenheid ingevreten. Van de Fliert gaat een felle discussie aan met Morris en Whitcomb over hun boek ‘The Genesis Flood’. Logisch, zij brengen met grote kracht alles ter tafel wat Van de Fliert daar net zo compleet af wilde vegen. Helaas heeft Van de Fliert geen antenne voor wat Morris en Whitcomb beweegt en blijft zijn kritiek een slag in de lucht.

Maar één ding is duidelijk: de Vrije Universiteit, opgericht om het evangelie ook in de wetenschap tot gelding te brengen, is volledig door het naturalisme ingepalmd. Van dit instituut is weinig of niets meer te verwachten in de strijd voor het gezag van de Schrift.

 

In de kerken lijkt het onderwerp vanaf nu zo dood als een pier, afgezien van wat schermutselingen ter rechter zijde. En ook in het onderwijs wordt het stapje voor stapje zo, dat evolutie de dienst uitmaakt en schepping hoogstens nog in de Bijbelse geschiedenis (indien al) ter sprake wordt gebracht.

 

10.    De Evangelische Omroep

Niettegenstaande deze triestige ontwikkelingen gebeuren er ook hoopvolle dingen. Maar die worden niet geïnitieerd door de kerkelijke leiders, maar komen alweer op uit het grondvlak van de Nederlandse christenheid. Het afdwalen van de NCRV als oorspronkelijk christelijke omroep, brengt een aantal mensen bij elkaar om te bezien of via deze omroep iets kan worden gedaan om de evangelieverkondiging weer centraal te stellen. Dat blijkt niet mogelijk en zo steken in 1965 Jan Kits, Albert Ramaker en Johan Oostveen de koppen bij elkaar, en gaan samen met anderen bidden en werken voor de oprichting van een waarlijk evangelische omroep. In 1967 gebeurt dat ook werkelijk, met de naam ‘Evangelische Omroep’, aanvankelijk als C-omroep. In 1970 vindt de eerste radio-uitzending plaats. De omroep groeit snel in ledental en spoedig kunnen ook TV-programma’s worden gemaakt en uitgezonden.

 

In 1977 vinden twee belangrijke gebeurtenissen plaats. a) de TV-serie Adam of Aap, over het creationisme, gemaakt en gepresenteerd door Koos van Delden, die heel wat discussie losmaakt in Nederland. Gezien het materiaal en de toenmalige stand van de kennis een zeer goede serie, en b) een debat tussen evolutionisten en creationisten in de Jaarbeurs te Utrecht, dat meer dan 1000 bezoekers trok. Presentatoren waren Koos van Delden en Andries Knevel. De creationisten werden vertegenwoordigd door de Amerikanen Harold S. Slusher (sterrenkunde), Donald E. Chittick (geologie) en Duane T. Gish (biologie). De andere kant werd verdedigd door Carl Koppeschaar (sterrenkunde), Cees Laban (geologie) en Mels Sluijser (biologie). Voor zover mij bekend werd er na afloop niet gestemd wie er ‘gewonnen’ had, het was meer een exposé van tegenovergestelde standpunten, maar wel erg interessant.

 

Maar ook de EO lijdt aan erosie. Langzaam verdwijnt de Bijbelse kijk op de schepping uit de aandacht. Creationisme is ‘uit’, hoogstens nog in de vorm van de boekjes van Arie van den Beukel aanwezig. Later blijkt aandacht voor de Intelligent Design-opvatting, die in Nederland door de nanotechnoloog prof. Cees Dekker wordt vertegenwoordigd. Felle debatten ontstaan als toenmalig onderwijsminister Maria van der Hoeven belangstelling heeft en ID wel in de scholen zou onderwezen willen zien. In een uitzending van NCRV’s ‘Rondom Tien’ in mei 2005 wordt door ID-tegenstanders (D66-politicus Bert Bakker, bioloog Piet Borst) luid geschreeuw aangeheven, maar de voorstanders blijven kalm en blijken geamuseerd door zoveel commotie.

Je zou kunnen zeggen dat deze commotie de stoot heeft gegeven tot een opnieuw actief worden van groepen creationisten in Nederland. Maar de EO zelf, in de persoon van Andries Knevel, kiest voor een compromis, dat erop neerkomt dat het theïstisch-evolutionisme alle ruimte krijgt. Hetzelfde geldt in de praktijk voor het Nederlands Dagblad.

 

11.    De Evangelische Hogeschool

Een tweede initiatief dat werd gedragen door Christenen die de Bijbel weer als norm ook in de wetenschap wilden hanteren, was het plan tot oprichting van een Bijbelgetrouwe universiteit. In 1974 kwamen bij elkaar voor de oprichting van de Stichting tot Bevordering van Bijbelgetrouwe Wetenschap, o.a. Willem Glashouwer en Koos van Delden, onder voorzitterschap van Frits Kerkhof. In 1977 komt het dan tot de oprichting van de Evangelische Hogeschool, met de bedoeling bescheiden te beginnen, maar met in het achterhoofd de mogelijke uitbouw tot een christelijke universiteit, mogelijk in samenwerking met creationisten uit andere Europese landen. Dat is er echter nooit van gekomen. Begonnen werd met het nog steeds bestaande Basisjaar, terwijl later de Evangelische School voor de Journalistiek werd begonnen. Deze laatste is thans ondergebracht bij de Christelijke Hogeschool Ede (CHE).

De eerste directeur is Koos van Delden, docenten zijn o.a. Willem Ouweneel en Henk Murris, terwijl er diverse gastdocentschappen zijn. De doelstelling is o.a., om jonge mensen weerbaar te maken tegen de atheïstische theorieën die ze aan de universiteit zullen ontmoeten. De historische opvatting van de schepping speelt een grote rol. De huidige directeur is mevr. drs. Els van Dijk.

 

Drie maal per jaar werden er goedbezochte eendaagse conferenties en seminars gegeven, onder de naam ‘Zaterdag-academie’. De voordrachten verschijnen vaak in de serie ‘Amersfoortse Studies’. Buiten deze boekjes verschijnen er ook meerdere publicaties in boekvorm, vaak over apologetische, maar ook wel theologische onderwerpen.

 

Door de stichting werd het blad ‘Bijbel en Wetenschap’ uitgegeven, met onderwerpen die vaak het creationisme betreffen, voor een breder publiek. Dit tijdschrift is enige tijd geleden omgezet in het blad ‘Ellips’, uitgegeven door Medema, terwijl nu samen met de Stichting voor Christelijke Filosofie het blad 'Sophie' wordt uitgegeven. De grondslag is officieel wel niet veranderd, maar creationisme vindt nauwelijks nog ruimte in de EH. Dit instituut neemt helaas geen duidelijk standpunt meer in, in de strijd tussen evolutie en schepping. De Zaterdag-academies zijn gestopt, en de inwonende stichting Creaton van Tom Zoutewelle is verhuisd.

Ook hier weer een instituut dat helaas ten prooi viel aan het synthesedenken, ook al is er in diverse opzichten nog veel goeds over te zeggen.

 

12.    De Europese Creationistische Congressen

Te beginnen in 1984 zijn er globaal elke twee jaar Europese creationistische congressen geweest. De eerste drie zijn georganiseerd door de Evangelische Hogeschool, in het gebouw van het toenmalige Bijbel Instituut België te Heverlee (Leuven (B)) en stonden onder leiding van Frits Kerkhof.

Het congres in 1990 werd georganiseerd door Wort und Wissen, op het Gut Holmecke, een christelijk congrescentrum in Hemer (D) en stond onder leiding van Gottfried Meskemper.

In 1992 werd het congres georganiseerd door de Britse organisaties BCS en CSM, op het conferentieoord High Lee in Hertfordshire (Engeland), de leiding had toen David Rosevear. Dit congres heb ik (Rinus Kiel) niet meegemaakt.

Het laatste congres waaraan ik heb deelgenomen was in 1995 op het Kontakt der Kontinenten te Soesterberg, georganiseerd door de Evangelische Hogeschool, en geleid door David Rosevear. Als bijlage een overzicht over de onderwerpen.

 

Die onderwerpen waren van een grote diversiteit en een groot verschil in diepgang en detail. Niet altijd werden filosofie, theologie en wetenschap duidelijk gescheiden, maar de kwaliteit steeg met de tijd. Maar toch blijven de grote vragen, want . . .

Hoewel nuttig, heeft het weinig opgeleverd:

ieder werkte – en werkt nog – hoofdzakelijk op zichzelf.

Een (Europese) creationistische organisatie waar onderzoek en financiering worden gebundeld en gecoördineerd, waar afstemming plaatsvindt over methoden en resultaten,

en waar de strijd wordt aangebonden met het alles-opeisende, agressieve atheïsme is nog steeds niet van de grond gekomen.

 

Naast veel vermeldenswaardige lezingen, sprongen er twee m.i. met kop en schouders bovenuit, nl. de twee lezingen over de studie van Barry Setterfield over de variërende lichtsnelheid, voorgedragen door resp. Malcolm Bowden in 1984 en David Rosevear in 1988, en de studie van Bill Cooper naar de koningsgenealogieën en kronieken van Britten, Kelten en Saksen, die tot ieders stomme verbazing alle teruggaan tot Jafeth en enkele tot Noach. Beide studies veelbelovend. Coopers boek is ook in het Nederlands verschenen. Setterfield volg ik nu 25 jaar en zijn oeuvre heeft zich ontwikkeld tot baanbrekend wetenschappelijk werk aan de grenzen van de kosmologie. Helaas wordt hij door de creationistische organisaties gedwarsboomd en/of doodgezwegen.

 

 

13.    Huidige stand van zaken

In Nederland werken thans een aantal organisaties en individuele onderzoekers. Een greep:

●       Mediagroep in Genesis

Frans Gunnink (Answers in Genesis / Creation Ministries International)

o         website (http://www.scheppingofevolutie.nl/) publicaties, vertalingen, dvd’s

o         tournees van diverse sprekers (Philip Bell, Terry Mortenson)

●       Bijbel en Onderwijs

o         tijdschrift B&O voor ouders en onderwijzend personeel

o         diverse publicaties over actuele onderwerpen in opvoeding en onderwijs

o         materiaal voor het christelijk onderwijs

●       De Oude Wereld (stichting en website), secr. Kees-Jan van Dam, leraar biologie)

o         tweemodellen-vergelijking, tweemodellen-onderwijs

o         vertaling en uitgave van boeken en dvd’s

o         geadviseerd door enkele wetenschappers: prof. Marc de Vries, prof. Henk Jochemsen, prof. Han Zuilhof, ing. Henk Wiegers

●       Kom en Zie op Urk (Jan Rein de Wit)

o         organisatie driejarige symposia

o         veelzijdige contacten wereldwijd over een breed spectrum

●       Hans Hoogerduijn, leraar Greydanus college Zwolle (sociale geografie, culturele antropologie, geologie)

o         zaterdag academie aan de Evangelische Hogeschool

o         schrijft samen met Jan Rein de Wit  ‘Zoeken naar de Zondvloed’

●       Henk Murris, biologie (o.a. Evangelische Hogeschool)

●       Tom Zoutewelle, biologie, geologie (Stichting Creaton)

 

Het onderwerp Schepping/Evolutie komt opnieuw onder de aandacht door de Intelligent Design-discussie in 2005 (zie boven, onder 10.). Bert Bakker van D66 roept zelfs dat de scheiding kerk en staat in gevaar is! Er komt een grote angst boven water!

 

Diverse ‘zichtbare’ christenen bekeren zich tot het theïstisch-evolutionisme (Cees Dekker, na aanvankelijke flirt met ID, Andries Knevel, René Fransen, en op afstand de zich ontstaans-agnost noemende Willem Ouweneel).

 

Een ruim 6-millioenvoudig verspreide brochure ‘Evolutie  of schepping, wat geloof jij’, ontketent in februari 2009 een ongekende commotie. Media-optreden van bekende creationisten, o.a. Kees van Helden. Christenen worden weer zichtbaar in de publieke ruimte, en dat wordt over het algemeen niet in dank afgenomen. Vuilspuiterij, tegenacties, bedreigingen. Alle kennelijk ingegeven door de grote angst dat het populaire evolutiegeloof misschien niet onbedreigd zal blijven. Cognitieve dissonantie, heet dat. Maar er is ook felle tegenstand van christenen.

 

Het blijkt echter dat een groot deel van het Nederlandse volk wil dat in het onderwijs het monopolie van de evolutiefilosofie wordt gebroken en dat ook het alternatieve Bijbelse model wordt onderwezen. Activiteiten in die richting worden ontplooid.

 

14.    Conclusies

●    Willen we relevant(er) zijn/worden, dan drie speerpunten:

♦    Opleiding:

◘   Vakwetenschappers, die op hun niveau goed wetenschappelijk vakwerk kunnen leveren binnen een Bijbels gefundeerd model en zinvolle ondersteuning kunnen geven aan christenen in hun strijd met het intolerante atheïsme in kerk, school, universiteit en maatschappij.

♦    Doelgroepen:

◘    Onderwijs op alle niveaus

◘    Theologen/theologie

  * Op beide gebieden is zowel onwetendheid, intolerantie, alsook steeds beter georganiseerde tegenstand te overwinnen

♦    Financiering:

◘    Eigen vrije tijd en eigen beperkte financiële middelen zijn niet voldoende om dit werk aan te kunnen; er moet grondig nagedacht worden over de financiering van onderwijs en onderzoek.

◘    In USA alles via (vaak grote) giften / bij ons? 

●    en dit alles gedragen door niet ophoudend gebed.

 

Up Pres. Setterfield Creationisme in NL Fair Science Bijbel Wetenschap