Rinus Kiel over Bijbel, cultuur en wetenschap

Reageren? Zie home-page                                                                                

======================================================

Home
Site-map
Updates
Deze site + mijzelf
Bijbel en theologie
Israel - volk en land
Filosofische items
Denken en cultuur
Wetenschap
Actualiteiten
Klimaat
Presentaties
Boeken
Weblinks

(Denken en wetenschap in onze cultuur / De 18e/19e eeuw)

Up Overgangstijd Cuvier Malthus Histor. wetenschappen Franse revolutie Comte en positivisme Tegenbewegingen Evolutionisme Nietzsche

Het evolutionisme

Nieuw 14/03/2002, laatste wijziging 09/06/2006

Zoek op deze website

Samenvatting: Hieronder het treurige verhaal van Charles Darwin, een revolutionair tegen wil en dank. Maar desondanks iemand, van wie de Britse evolutionst Richard Dawkins schreef: Dank zij Darwin kan men een intellectueel bevredigd atheïst zijn. Het ziet er naar uit, dat daar dan ook de voordelen ophouden. In het begin van de 21e eeuw is intussen wel zoveel wetenschappelijk brandhout tegen het evolutionisme opgestapeld, dat verwacht moet worden dat iemand daar eerstdaags wel eens een brandende lucifer in wil gooien. (Zie Problemen in de wetenschap).

Een stapje terug in de tijd. We zagen hiervoor, dat het geloof in Gods schepping van mens en wereld steeds meer werd verlaten en dat men een ontwikkeling (of: evolutie) van het leven van lager naar hoger begon aan te nemen. Onder invloed van Hegels opvattingen won deze denkwijze snel veld in de Europese cultuur. Het probleem hiermee was, dat men geen mechanisme kende, dat voor die eventuele ontwikkeling verantwoordelijk zou kunnen zijn. En de behoefte aan een acceptabele theorie van de evolutie begon langzamerhand nijpend te worden. Aan de universiteiten moest toch, bij gebrek aan beter, aan bijbelse noties worden gerefereerd, als het ging om vragen over de oorsprong van alles. Een sterk groeiend aantal universitairen hechtte daaraan geen enkel geloof meer. Dus de druk om zo’n evolutietheorie te formuleren was groot. Er waren al enkele pogingen gedaan, door Lamarck (1744-1829) en Erasmus Darwin (1731-1802), de grootvader van Charles Darwin. Maar de totnogtoe voorgestelde ideeën waren niet overtuigend genoeg.

    De Britse advocaat Charles Lyell (1797-1875) werkte geheel in de lijn van de ultieme doelstelling van de Verlichting, nl. om de God van de Bijbel uit de Europese cultuur te bannen. Ni Dieu, ni maître. Hij zei dat zijn doelstelling was ‘to get rid of the Mosaic account’ (om de getuigenissen van Mozes uit de weg te ruimen). En dan bedoelde hij niet alleen de geschiedenis van schepping, zondeval en vloed en wat daarop volgt, nee ook de Torah moet uit het hart van de Europeanen worden gebannen. "Maar... met uiterste geleidelijkheid. Altijd vriendelijk blijven, geen ophef maken. De weldenkende mensen zullen ons accepteren als ze zien, dat wij christelijker zijn in onze levenswandel dan degenen die we bestrijden.” Dit is geen open vizier, dit is geen eerlijke wetenschappelijke discussie, maar dit is het uitvoeren van een verborgen agenda. Met vleierij en politiekerij is de weg gebaand voor de acceptatie van de evolutietheorie.

    Lyell heeft zijn doel dus op intelligente en strategische wijze nagestreefd, o.a. door zijn werk aan de geologie van zijn dagen. Hij negeerde het werk tot dan toe, en stelde dat alle lagen in uiterste geleidelijkheid waren afgezet, met de actuele afzetsnelheid als norm. Vandaar de term ‘actualisme’. De in die lagen gefossiliseerde levensresten definieerde hij als de bewijzen van een plaats gevonden hebbende opklimmende ontwikkeling van het leven, waarbij de onderste levensvormen als ‘primitief’ werden gekenschetst.

    Op het gebied van de biologie begon men nl. steeds openlijker te speculeren, dat alle soorten uit elkaar waren voortgekomen, te beginnen met levenloze materie. Een oud heidens model. Dat zo’n proces lange tijd vergde, was duidelijk, en Lyell verschafte die lange tijdsspanne met zijn actualiteitsprincipe. Maar er ontbrak nog iets: een mogelijk mechanisme dat verklaarde hoe de verschillende levensvormen uit elkaar waren ontstaan.

    Lyell had al werken gepubliceerd over de ouderdom van de aarde en de opbouw van de geologische lagen, en was al enige tijd op zoek naar een geschikt iemand om een evolutietheorie te publiceren, want zoals hierboven al aangegeven: hij wilde zelf buiten schot blijven. Liefst zo onzichtbaar mogelijk zijn. Hij had al enige tijd het oog geslagen op Charles Robert Darwin (1809-1882). Deze had een aantal eigenschappen, die hem heel geschikt maakten voor die klus: hij was jong en ambitieus; zijn familie was niet onbemiddeld en Charles had Emma Wedgwood getrouwd, dochter van een rijke porseleinfabrikant. Hij kon het zich dus veroorloven, velen tegen zich in het harnas te jagen; hij zou er geen boterham minder om eten. Charles was een bescheiden jongmens, maar gefrustreerd door het achtereenvolgens mislukken van zijn studies medicijnen en theologie. Hij kon wel een mentaal succesje gebruiken. Charles geloofde weliswaar in schepping, maar hij had daarvan een enigszins starre voorstelling, die het in confrontatie met de realiteit waarschijnlijk niet lang zou uithouden, zo geloofde Lyell. Dus… al met al een uitgelezen kandidaat om zo’n theorie te publiceren.

    Darwin nam, op voorspraak van Lyell, een post aan als naturalist op het schip de Beagle, dat op geologische en biologische studietocht rond de aarde zou varen (1831-1836) en hij las onderweg Lyells Principles of geology. Ten westen van Zuid-Amerika vond hij op de Galapagos-eilanden opmerkelijke zaken: bepaalde vinken, die kennelijk tot dezelfde oorspronkelijke soort behoorden, hadden zich op de verschillende eilanden verschillend ontwikkeld, al naar gelang het soort voedsel, dat er te vinden was. Uit zijn aantekeningen blijkt niet, dat zijn geloof in schepping leed onder wat hij daar zag. Integendeel! Hij stapte welgemoed in 1836 weer in Engeland aan wal, waar Lyell hem al opwachtte. Die kennelijk teleurgesteld was, dat Darwin nog steeds zijn oude opvattingen hanteerde. Lyell bezoekt hem nu regelmatig en Darwin slaat aan het lezen. Hij leest opnieuw Lyells boeken over geologie, waarin grote nadruk wordt gelegd op de geleidelijkheid van de geologische processen en de lange tijd die daarmee gemoeid was, en ook het essay van Robert Malthus over het bevolkingsvraagstuk. Deze boeken, tezamen met Lyells niet aflatende mentale druk, brengen Charles aan het wankelen. Er wenkt roem en eer, ja, maar hoe zal het christelijke Engeland zo’n boek ontvangen!? Die gedachte bezorgt hem koude rillingen. Nu was hij een verwoed naturalist, een liefhebber van de natuur. Hij hield zich met succes bezig met het kweken van duiven en andere kleine dieren, en onderhield in verband daarmee uitgebreide en veelvuldige contacten met mede-kwekers. Hij had dus wat verstand van wat wij heden biologie noemen. Darwin hoopt nu aan zijn kweek-experimenten goede argumenten voor een evolutietheorie te kunnen ontlenen. Hij maakt een ruwe schets voor een boek over zo’n theorie. Als mechanisme voor een omhoogstrevende evolutie noemt hij natuurlijke selectie: de natuurlijke omstandigheden selecteren die eigenschappen die voor het overleven van een soort nodig zijn. Dat had hij juist gezien. Alleen… dit mechanisme zorgt er juist voor, dat de soort als soort kan overleven door zich aan te passen. Er zit dus een variatiebreedte in elke soort. Maar Darwin hoopte – eigenlijk tegen beter weten in – dat natuurlijke selectie wel verantwoordelijk zou kunnen zijn voor de ontwikkeling van het ene organisme uit het andere en dat zo de evolutie van eencellige tot mens wel tot stand gekomen zou kunnen zijn. Toch zat zijn overtuiging kennelijk niet zo diep geworteld in zijn brein, want tot het eind van zijn leven is hij blijven twijfelen aan de juistheid van zijn theorie. Lyell moest hem telkens opnieuw aansporen om nu eens te gaan opschieten. Maar hij kwam maar niet tot publicatie.

    Eindelijk… in 1858, toen iemand anders (Alfred Wallace) dreigde een soortgelijke theorie te gaan publiceren, ontwaakte Charles’ eerzucht en schreef hij On the origin of species by means of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life. Een mondvol. Darwins natuurlijke schuchterheid, zijn kwakkelende gezondheid en zijn twijfel aan zijn eigen geesteskind waren redenen waarom hij de verdediging van zijn vaak aangevallen werk overliet aan Thomas H. Huxley (1825-1895), die ook al geen vertrouwen in de theorie had, maar die verdedigde omdat hij zo’n grondige hekel aan christendom en kerk had. Er gaat een hardnekkig gerucht, dat de eerste oplage van 1250 exemplaren in 1859 zo’n belangstelling trok, dat die binnen één dag uitverkocht was. Dat is een heel eind bezijden de waarheid. Charles Lyell had diverse uitgevers benaderd, maar niemand wilde zo’n controversieel boek uitgeven, waarin met de bijbelse gegevens over schepping en mens de vloer werd aangeveegd. Tenslotte vond hij een uitgever bereid, op voorwaarde dat hij garant stond voor 1000 exemplaren. Hetgeen hij deed. Uiteindelijk tekenden de boekverkopers toch nog in voor 1250 stuks, een bescheiden oplage voor een als wetenschappelijk aangekondigd werk. Lyell kocht en verstuurde vele exemplaren aan o.a. Anglicaanse geestelijken, die het beu waren binnen de kerk orthodoxie te huichelen. De Engelse kerk van binnenuit aanpakken, zei Lyell, spaart 50 jaren strijd. Dat is gebleken!

 

   De evolutietheorie is het sluitstuk in de overname van de wetenschap door het humanistisch denken. En net zoals de laatste caisson in een stroomgat het grootste watergeweld opwekt, voordat het voorgoed stil wordt, zo deed ook deze gebeurtenis veel stof opwaaien. Nadat het laatste gat gedicht was, kon de wetenschap in alle rust in humanistische zin worden omgebouwd. Aan die rust is in onze tijd een einde aan het komen. Veel wetenschappers zijn al lang geen Darwin-gelovigen meer, maar voor een totale omslag is veel energie nodig.

   Alle wetenschappers in de 19e eeuw wezen deze theorie af als onbewezen en onbewijsbaar. Ze voorspelden, dat ze de wetenschap veel afbreuk zou doen. Maar Lyell en zijn trawanten wisten hun medestanders benoemd te krijgen op vele belangrijke universitaire posten in Engeland. Zo werkt wetenschap ook! En zo won de filosofie van Charles Darwin, niet in een eerlijke discussie tussen wetenschappers, maar via slinkse politieke strijd. Hoopte Darwin nog, dat de vele hiaten in zijn 'theorie' door nieuwe vondsten zouden worden opgevuld, het tegendeel is gebeurd. De situatie is thans zo, dat nog heel wat lippendienst aan de theorie wordt bewezen, maar dat men heel blij zou zijn, ervan verlost te wezen, als er maar een nieuwe ontstaanstheorie zou kunnen worden geformuleerd, die niets met schepping van doen zou hebben. Want al is Darwin totaal ongeloofwaardig geworden, de Bijbel is voor velen in de moderne wetenschap ondenkbaar als autoriteit, ondanks allerlei dissidente literatuur.

    Deze non-filosofie, vermomd als wetenschappelijke theorie, is ook door de overgrote meerderheid van christenen, kerken en theologen geaccepteerd. Thomas Huxley - die Darwins werk overal heeft verdedigd en gepropageerd - heeft zich al zitten verkneuteren, toen hij voorspelde dat Genesis 1-11 door de christenen niet meer zou worden gezien als geschiedenis en dat dan toch het geloof in triomf zou voortgaan. Hij verslikte zich bijna van het lachen. Hij begreep wat veel christenen vandaag de dag kennelijk nog steeds niet doorhebben.

Up Overgangstijd Cuvier Malthus Histor. wetenschappen Franse revolutie Comte en positivisme Tegenbewegingen Evolutionisme Nietzsche

free web hit counter