Rinus Kiel over Bijbel, cultuur en wetenschap

Reageren? Zie home-page                                                                                

======================================================

Home
Site-map
Updates
Deze site + mijzelf
Bijbel en theologie
Israel - volk en land
Filosofische items
Denken en cultuur
Wetenschap
Actualiteiten
Klimaat
Presentaties
Boeken
Weblinks

(Filosofische items)

Up Iets over filosofie Vooronderstellingen Twee verdiepingen Communicatie Geloof en verstand

Iets over filosofie

Nieuw 14/03/2000

Zoek op deze website

Samenvatting: Iets over de basisbegrippen in de filosofie en de (weinige) verschillende uitgangspunten waarop een filosofische gedachtengang kan worden opgebouwd. Universalia en particularia / metafysica, moraal en epistemologie. Doordenkertjes.

    Filosofie is het geordend en gedisciplineerd nadenken over wezen en structuur van de werkelijkheid. En in dat nadenken spelen telkens enkele basisbegrippen een belangrijke rol. Er zijn twee groepen van deze begrippen. De eerste is het begrippenpaar: universalia en particularia. De tweede groep bestaat uit de drie hoofdonderwerpen van de filosofie: het zijn of de metafysica, de moraal, en de epistemologie of kenleer. Hoewel we deze twee groepen om reden van bespreking moeten onderscheiden, zijn ze toch zeer verweven.

Universalia en particularia

    Deze woorden betekenen: het geheel, het totaal, het 'al', en: de delen, de voorwerpen (mensen, dieren, dingen), de details. We zullen ons verder houden aan de termen: geheel en detail. Wanneer een mens denkend de wereld benadert, ziet hij een verwarrende hoeveelheid van details. Hoe breng je orde in deze details, in deze grote hoeveelheden iets, hoe vind je structuur? Hoe hangt alles samen? Is dat geheel zinvol, is er iets mee bedoeld? En zo ja, wat is de zin, de bedoeling ervan? Verder denkend kom je bijna automatisch bij de aanname van iets(?) of misschien wel iemand, in wat of wie al deze dingen hun eenheid vinden, de zin van hun zijn, hun bestaan, het doel waarvoor ze er zijn. Vrijwel geen enkele denker is aan deze vraag ontkomen. Wie of wat is dat geheel dan wel, waarin de dingen hun eenheid vinden. We kunnen dat goed illustreren aan twee bekende Griekse denkers.

    De denker Plato – een van de grootsten in de geschiedenis van het denken – vond die eenheid in 'God'. Maar, zoals we verderop zullen zien, kon hij die eenheid alleen bereiken ten koste van het min of meer afschrijven van de 'particularia', de mensen en dingen in de ons omringende realiteit. Hoe kwam dat? Dat heeft te maken met een basisprobleem in alle menselijk denken. Die details zijn vol van allerlei tegenstrijdigheden: aan de ene kant is de mens een geweldig wezen met enorme mogelijkheden, ook tot liefde en opoffering, maar aan de andere kant kan diezelfde mens een monster zijn. Waarin vinden die twee dingen nu hun eenheid? Of een ander voorbeeld: onze planeet, de aarde, biedt door zijn structuur een ideale woonplaats voor de mensen, maar aan de andere kant kan zij voor diezelfde mensen tot een verwoestende kracht worden, die soms hele volken deed ondergaan. Er zijn meer van deze tegenstrijdigheden te bedenken. Zij brachten vele filosofen, vroeger en nu, tot de conclusie dat het leven, het zijn absurd is, zonder zin en zonder doel. Plato schakelde die tegenstrijdigheden uit, door te zeggen dat we over de details alleen meningen kunnen hebben, waarover men kan verschillen, maar geen echte kennis. Francis Schaeffer zou zeggen dat Plato’s probleem was, dat zijn goden te klein zijn. In Plato’s 'God' konden deze tegenstrijdigheden niet worden 'opgelost'. Hij wist niet van Gods liefde, van de goede schepping, van de val in zonde door de mensen, van Gods reddingsplan, en van de herstelde toekomst. Daarom sprak Paulus over de tijd waarin ook Plato leefde als over “de tijden der onwetenheid”.

    Daar tegenover stond Aristoteles, die zijn leermeester (Plato)’s nadruk op het geheel een beetje liet voor wat het was, en nu juist de structuur van de details benadrukte. Hij kwam tot een redelijk georganiseerde kijk op de werkelijkheid, maar kon dat helaas alleen doen door die werkelijkheid zelf ietwat buiten beschouwing te laten, en daarvoor zijn eigen denkmodel in de plaats te stellen. Denken werd gezien als iets absoluuts. Waarneming was een beetje vervelend voor Aristoteles. Echte kennis ontstond door denken en niet door waarnemen. De zintuigen, waarmee die waarnemingen werden gedaan, beschouwde hij als onbetrouwbaar. Dat speelde later een grote rol in het conflict rond Galileï, omdat deze de waarnemingen - door de zintuigen - poneerde als absoluut, waartegen de Aristotelische wetenschappers protesteerden en de kerk inschakelden om Galileï tot zwijgen te brengen. Zie de pagina over Galileï. Daar zat toch heel sterk de angst in, dat die waarnemingen wel eens niet zouden kunnen overeenkomen met het denkmodel. Dus, hoewel hier aandacht aan de details wordt gegeven, mogen die toch niet echt hun eigen zegje zeggen. Want dan stort het denkmodel in elkaar.

    Wat zegt de Bijbel hierover? Misschien wonderlijk op het eerste gezicht, maar de Bijbel kent deze problemen niet. Omdat God, de Schepper, heeft gesproken. Er is openbaring. En daardoor weten we van de oorzaken van de tegenstrijdigheid. En al kunnen we deze niet in een geheel al denkend tot een oplossing brengen, we hebben weet van een herstel van alle dingen. De Bijbel (Paulus) zegt dat er een goddelijk mysterie is, nl.:

Zijn voornemen om met Christus de voltooiing van de tijd te verwezenlijken en zijn besluit om alles in de hemel en op aarde onder één hoofd bijeen te brengen, onder Christus. (Efeziërs 1:9b-10).

Hier is de eenheid. En van hieruit krijgen ook de details hun waarde. God schiep de kosmos en zag dat alles zeer goed was. Jezus toont zijn liefde voor de enkele mens, het ene schaap temidden van die honderd. Zijn nu alle problemen opgelost? Nee, maar er is voldoende grond voor het vertrouwen in Gods belofte, dat zijn schepping in de toekomst wordt geheeld, tot heerlijkheid gebracht.

De hoofdproblemen in de filosofie

Metafysica, het 'zijn'

    De Franse filosoof van het existentialisme, Jean-Paul Sartre zei, dat het hoofdprobleem van de filosofie is, dat er überhaupt iets is. We kunnen het minachten, zoals Plato, of als niet-echt-bestaand (maya) verklaren, zoals in de oosterse filosofieën wordt gedaan, of als absurd beschouwen, zoals in het existentialisme, of wezenlijk onkenbaar, zoals Kant. Niettemin zijn de mensen en de dingen er, is de kosmos er. En geen enkele filosofie kan zich van dit probleem ontdoen. De vraag is dan: waar komt het vandaan, waarom is het er? Alle antwoorden die hierop gegeven zijn, kun je in twee categorieën samenvatten: 1. alles ontstond uit “iets”: materie, energie of iets dergelijks, en 2. alles heeft een persoonlijk begin: “iemand” stond aan het begin. Met deze twee schijnen alle denkbare mogelijkheden uitgeput te zijn.

1  Alles ontstond uit “iets”: materie, energie of iets dergelijks

    Dat is de vrijwel algemeen aanvaarde opvatting vandaag de dag. Maar het grote probleem is: hoe vinden we dan enige zin en betekenis voor de details? Want het is niet te ontkennen, dat er in mensen een diepgewortelde behoefte is aan liefde, gemeenschap, zin, doel en richting. Maar het geheel in deze opvatting biedt geen enkel handvat voor die behoefte in de details. Met het algemeen worden van deze opvatting in onze maatschappij hebben ook de problemen in de filosofie zich opgestapeld. Het begon al met Kant, en via het naoorlogse existentialisme leven deze problemen tot op vandaag. De antwoorden die meer en meer gegeven worden, gaan in de richting van de 'New Age': alles heeft zin omdat het deel is van het geheel. Het detail is niets, het geheel is alles. Vandaar de vandaag zo populaire blik naar het Oosten. Maar een nadere beschouwing van de maatschappijen, die op dit principe gebouwd zijn, maakt ons niet jaloers. Een leefbaar antwoord is dit kennelijk niet.

2  Alles heeft een persoonlijk begin: 'iemand' stond aan het begin

    Hier hebben we enkele varianten. De Griekse goden bijv. waren personen, dus dat is al wat. Maar bij nader inzien waren het uitvergrote mensen, met al hun nukken en grillen, en met niet voldoende macht om het in de Griekse wereld zo dominante 'noodlot' te controleren. Ook van de god achter Plato’s Ideeën krijgen we niet goed hoogte. Het probleem is, dat deze goden niet bij de mensen bekend werden door openbaring, maar door nadenken. En de Bijbel maakt duidelijk, dat we zo God de Schepper niet bereiken. Hij zegt:

Mijn plannen zijn niet jullie plannen, en jullie wegen zijn niet mijn wegen spreekt de HEER. Want zo hoog als de hemel is boven de aarde, zo ver gaan mijn wegen jullie wegen te boven,  en mijn plannen jullie plannen (Jesaja 55:8-9).

Deze God moest zich dus openbaren, en Hij heeft zich geopenbaard; zo weten we van Hem en over onszelf dingen, die we zelf nooit zouden hebben kunnen verzinnen. Hij heeft de mens geschapen naar zijn beeld, zodat die met Hem zou kunnen communiceren. Hoewel er goede redenen zijn om de mens in biologisch opzicht te rekenen tot de zoogdieren, is hij een totaal ander soort wezen. Met zijn hart is hij gericht op God, zijn Schepper. En deze Schepper, deze God is, hoewel één, toch drie personen. En in en tussen deze drie personen was de liefde, volmaakte liefde, al voordat er iets anders bestond. Dus de hang naar liefde, naar acceptatie, naar gemeenschap is niet absurd maar heeft een bron in dat geheel. En zo zijn er antwoorden op de diepste levensvragen.

    Theoretisch is er dan nog een derde mogelijkheid, nl. dat alles uit het volstrekte niets is ontstaan. Maar voor zover ik weet, heeft nog niemand op grond daarvan iets zinnigs kunnen opbouwen.

Moraal, het probleem van goed en kwaad

    In ieder mens is er het besef van goed en kwaad. De hele dag door vellen we – hardop of in onszelf – morele oordelen. We lezen de krant en hoor eens, wat we zeggen! We zijn kennelijk van mening dat er bepaalde dingen bestaan en gebeuren, die goed zijn, toe te juichen en aan te bevelen, en bepaalde zaken die kwaad, verkeerd zijn, af te keuren en te misprijzen. Alleen: welke nu goed zijn en welke kwaad, daarover bestaat beslist geen overeenstemming, om het voorzichtig uit te drukken. Ook de antwoorden op dit vraagstuk in de filosofie vallen weer in twee categorieën uiteen, nl. 1. de oorsprong van alles is onpersoonlijk, en 2. alles heeft een persoonlijk begin. Laten we zien hoe dat per categorie uitpakt.

1  De oorsprong van alles is onpersoonlijk

    Het maakt hier niet veel uit welke van de drie materialistische wereldbeelden we nemen, het probleem blijft hetzelfde: de mensen hebben een moreel besef, dat ook intensief wordt ingezet, maar waar komt dat vandaan als er geen geheel is, waaraan het zijn zinvolheid en doelgerichtheid ontleent. Waarom is iets 'goed', waarom 'slecht'? Dat kan niet ontstaan uit dat begin van materie of energie, en ook niet die uit die materie ontwikkelende 'geest' – zoals bij Teilhard de Chardin – dus moet het ergens onderweg tot ontplooiing gekomen zijn. Maar dan ontbreekt een absolute maatstaf. En zo zien we als 'bronnen' van de moraal altijd een vorm van individueel of collectief egoïsme optreden: wat nuttig is voor de samenleving, is goed / wat aanvaard is door 51% of meer van de bevolking, is goed (moraal per enquete) / wat door een zelfbenoemde of gekozen elite wordt beslist, is goed / wat ons land macht geeft over andere landen, is goed / wat de economische groei bevordert, is goed, enzovoorts. In denksystemen die al wat langer met dit bijltje hakken, zoals het Hindoeïsme, is deze denktrant tot zijn uiterste consequenties gevoerd. Je hebt daar bijv. Krishna, de schepper en onderhouder, en op hetzelfde niveau heb je de god Kali, die van de destructie, die danst met schedels om haar nek. De boodschap is duidelijk: het is allebei onderdeel van het geheel; goed en kwaad, zoals wij mensen dat zien, bestaan niet echt: in het 'Al', Brahman, lost het alles op. Toch kunnen de meesten niet leven met deze opvatting: ook veel Hindoes zetten zich onbaatzuchtig in voor hun lijdende medemens, maar met deze tweespalt in hun hart. En bij serieuze of gewelddadige tegenstand blijkt het heel moeilijk, om vol te blijven houden. We kunnen in deze opvatting dus niet ontkomen aan de conclusie, dat de (zondige) aard van de mens met zijn bestaan gegeven is. De mens is moreel 'niet OK', omdat hij mens is, hij is nu eenmaal ontstaan uit toevallige gebeurtenissen, uit toevallige constellaties van moleculen, waardoor hij is zoals hij is. Dus als hij slecht is, zal het daardoor wel komen. We kunnen er niets aan doen, we zijn slachtoffer. Eigenlijk is hier het vraagstuk van de moraal samengevallen met het vraagstuk van het zijn.

2  Alles heeft een persoonlijk begin

   Slaan we de Griekse en andere persoonlijke goden over en concentreren we ons op wat de Bijbel zegt, dan ontstaat er een geheel ander beeld. We weten dat God de mens schiep naar zijn beeld, en volmaakt.

God keek naar alles wat hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was. (Genesis 1:31).

Ook moreel was de mens goed. God had het beheer over de hele schepping, de hele kosmos, in ’s mensen handen gesteld. Hij gaf hem een gebod, dat hij kon houden (goed) of overtreden (kwaad), Hij hield hem verantwoordelijk voor zijn keuze. Het is duidelijk dat die keuze reusachtige, kosmische consequenties zou hebben. God speelde als het ware hoog spel! En het verschrikkelijke gebeurde: de mens koos verkeerd, hij liet zich door een rebellerende dienaar van God verleiden om zijn vertrouwen op God op te geven. Het gevolg was dat deze rebellerende dienaar (satan) de macht over de kosmos in handen kreeg, met tot op heden zeer betreurde gevolgen. Maar we zien nog iets gebeuren: er onstaat vervreemding in de mens. Er is besef van schuld. En terecht, want die schuld was reëel. Zo vervreemdde de mens – Adam – van God. Maar de eenheid met zijn vrouw was nu ook stuk: hij schoof de schuld naar haar, terwijl hij er zelf had bijgestaan toen het allemaal gebeurde. Zo vervreemdde de mens ook van zijn medemens en daarmee van zichzelf. Hij was nu zijn integratiepunt kwijt. God was voor hem een vreemde geworden, en werd als een bedreiging ervaren, hoewel God in die situatie niets anders heeft gedaan dan het leven voor de mens en zijn vrouw leefbaar te houden. En bovendien gaf Hij uitzicht op het definitieve herstel. En via Israël heeft deze God ons (in de Bijbel) uitgebreid uiteengezet wat zijn wil is. Zodat wij niet zonder richtlijnen voor de moraal zijn. Verankerd in onze Schepper, de bedenker en creator van de hele realiteit. Dus hier in bijbelse context is het vraagstuk van de moraal een wezenlijk en ernstig vraagstuk. De mens is geen slachtoffer, maar schuldenaar. En omdat we Gods inzettingen en wetten hebben, hebben we een reële basis om het onrecht in de wereld te bestrijden.

Epistemologie, de 'kenleer'

    De epistemologie houdt zich bezig met de vraag, hoe we echte kennis kunnen vergaren, kennis waarvan we zeker zijn, dat ze iets wezenlijks zegt over datgene, waarover we kennis vergaren. Het gaat dus om onze verhouding tot de ruimte, tot de dingen of, om het in filosofische termen te zeggen: de verhouding van subject (ikzelf, de beschouwende mens) tot object (de dingen). Dat lijkt een triviale vraag, want we zien toch de dingen en weten dat ze er zijn, en wetenschappelijk onderzoek geeft ons toch de steeds diepere details! Dus wat is het probleem? Dat het ook in die wetenschap, die zich met zoiets 'triviaals' als de voor ons zichtbare materie bezighoudt, helemaal niet zo eenvoudig ligt, blijkt wel uit de kwantummechanica. Daar liggen onze vanzelfsprekendheden volledig aan diggelen. Zo eenvoudig is het dus blijkbaar niet.

   Filosofen als Kant hebben zich beziggehouden met 'das Ding an sich', het ding als zodanig, en geconstateerd, dat wat wij weten, voor een groot deel in ons hoofd zit en niet in de dingen die wij aanschouwen. Andere filosofen hebben zich afgevraagd: als wij niet naar iets kijken, is het er dan wel echt? Er is dus serieus een probleem. Natuurlijk doen alle diepzinnige denkers in de praktijk net, alsof het probleem niet bestaat. Zij pakken van hun vrouw vrolijk een kopje koffie aan, als hen dat wordt aangeboden, drinken het op en zeggen: “Wat was dat een heerlijk bakje koffie!”. Maar hun denken biedt geen support voor deze eenvoudige handeling en de bijbehorende uitspraak. Kennis en leven zijn hier door een diepe kloof gescheiden. Hoe komt dat? Om dat precies uit te leggen, voert te ver voor deze verhandeling. Maar we kunnen er wel iets van zeggen. En doen dat weer aan de hand van dezelfde twee punten als hiervoor, nl.:

1  De oorsprong van alles is onpersoonlijk

   We zagen al dat in dit geval het toeval alle ontstaan en ontwikkeling regeert. Nu is de vraag, die we ook al hiervoor ontmoetten: als dat zo is, wat voor zekerheid hebben we dan, dat onze zintuigen – die immers bij toeval zo in elkaar zitten als ze in elkaar zitten – ons ware kennis over mensen, dieren en dingen geven. Welke zekerheid hebben we dat ons denken – dat werkt op het substraat van onze bij toeval geëvolueerde hersenen – ons goede conclusies levert op grond van datgene wat onze zintuigen – die wij ook al niet precies konden vertrouwen – ons aanleveren? Het kost niet veel moeite om het antwoord op deze vraag te formuleren: Geen enkele! Nu zagen we al, dat Teilhard de Chardin aanneemt, dat de geest – die al vanaf het begin in de materie is meegegeven (door wie?) – een soort garantie moet vormen voor de zinvolheid en doelgerichtheid van dat wat door de evolutie ontstaat. Maar ten eerste heeft nog niemand daarvan iets waargenomen, ten tweede is het ook door nog geen enkele argumentatie aannemelijk gemaakt. Dus ook hier alleen maar lege handen. Te weinig! Hoe ziet het eruit in de andere optie:

2  Alles heeft een persoonlijk begin

   Het zal nu wel geen verbazing meer wekken, als we alweer constateren, dat het probleem hier niet bestaat. Waarom niet? Ten eerste omdat één Schepper alles heeft gemaakt en constateerde dat het alles zeer goed was. Ten tweede omdat Hij de mens schiep naar zijn beeld, en met deze mens communiceert door middel van taal. Hij sprak tot Adam en Eva, maar ook tot Kaïn, die dreigde in wrok en jaloezie onder te gaan. Hij sprak tot Abraham, Mozes en al de profeten. En in Jezus Christus heeft Hij op een onnavolgbare manier tot ons gesproken. En het is toch onvoorstelbaar, dat Hij geen waarheid zou hebben gesproken over ons en over zijn schepping! Dat betekent dat wij geen angst behoeven te hebben dat onze kennis van kosmos en geschiedenis geen ware kennis zou kunnen zijn. Wat niet wegneemt, dat het ons niet komt aanwaaien. Hij heeft van ons geen luilakken willen maken, maar medewerkers! Gods communicatie met ons is niet uitputtend, daarvoor zijn wij te klein. En het is niet volkomen, onze oren staan vaak verkeerd, wij kunnen Hem misverstaan. Diegenen die aan het begin van de moderne wetenschap stonden, hebben dit alles buitengewoon goed begrepen. Daarom was die start ook zo veelbelovend.

Zien en horen

    In het boek Het menselijk karakter van ons kennen van de filosoof Henk Geertsema komt een hoofdstuk voor waarin hij spreekt over twee metaforen die we kunnen gebruiken om duidelijk te maken hoe we kennis vergaren, nl. de metafoor van het zien en die van het horen. Ik wil er in het kort iets van zeggen. Wie het hele stuk wil lezen kan in bovengenoemd boek terecht1).

   Zien – en in het verlengde daarvan ook denken – is een activiteit waarbij wij zelf het initiatief hebben. Wij kijken naar iets, bekijken iets, en nemen het in ons op; datgene wat we bekijken is passief. Hetzelfde geldt voor het denken: wij beslissen waarover wij willen denken en wat daaruit voortkomt. Kijken en denken zijn voor ons besef een goede manier om informatie, kennis over iets te verkrijgen. We hebben het zelf gezien, zeggen we. Maar in onze tijd kunnen we langzamerhand weten, dat je met behulp van beelden mensen alles kunt doen geloven, je kunt er geweldig mee manipuleren. Omdat we zo gemakkelijk denken: ik heb het toch zeker zelf gezien, daarom zijn we weinig kritisch op wat we zien. We zien de vormen, de kleuren, de beweging. Wat wij zien, daarvan kunnen wij ons een beeld vormen in ons denken, daarmee kunnen we al denkend heel wat doen. Maar wie de Bijbel kent weet, dat ook ons denken niet 'objectief' is, maar altijd in dienst staat van de keuze die we in ons hart al gemaakt hebben. Luther zei: “Het verstand is een hoer”, daarmee aangevend dat het zich gemakkelijk op elke grondslag met al zijn logica kan ontplooien, maar tot diametraal tegengestelde conclusies kan komen. Zie de apostel Paulus, die zijn scherpe verstand inzette om de christenen te bestrijden, en die datzelfde verstand later met alle kracht inzette voor de zaak van het evangelie.

   De Griekse wijsgeer Plato heeft op een prachtige manier aangegeven hoezeer kennen als zien moet worden beschouwd, in de beroemde gelijkenis van de grot. In die grot leven mensen, maar zonder contact met het daglicht. Hun enige lichtbron is een vuur dat ergens achter hen brandt. Als iemand langs het vuur loopt, werpt dat bewegende schaduwen op de tegenoverliggende wand. De mensen zien dat aan voor de (enige) realiteit. Maar er komt een dag dat iemand hen buiten de grot brengt, waar ze voor het eerst de echte werkelijkheid zien. Maar het is teveel. Het licht verblindt hen en ze zien vooreerst niets. Daarom laat hun begeleider hen eerst kijken naar beelden die in het water spiegelen om te wennen. Daarna kunnen ze het landschap buiten de grot bekijken. En tenslotte gewennen ze zich eraan, naar de zon zelf te kijken. Hoger kan niet, want dit is het volmaakte kennen, het volmaakte 'schouwen'. Zo komen ze tot het juiste 'inzicht'. Allemaal woorden die met zien te maken hebben. Dus: zien is kennen.

   Met horen ligt dat anders. Bij horen is er iemand anders, iemand buiten ons, actief. Hij spreekt. Wij zijn passief. Het initiatief gaat uit van die ander. In de Bijbel is horen altijd: horen naar iemand, en dan voornamelijk: horen naar God. In de Bijbel is dit de belangrijkste manier om kennis te verwerven. Maar die kennis is er niet voor de bevrediging van onze nieuwsgierigheid, nee, wat wij horen is een opdracht en/of een belofte. Horen impliceert openheid en bereidheid. Openheid om werkelijk te horen, en bereidheid om te doen: de opdracht op te volgen, de belofte te geloven en in overeenstemming daarmee te handelen. Jezus zegt aan het einde van de zgn. 'bergrede', waar velen naar geluisterd hadden:

Wie deze woorden van mij hoort en ernaar handelt, kan vergeleken worden met een verstandig man, die zijn huis bouwde op een rots. Toen het begon te regenen en de bergstromen zwollen, en er stormen opstaken en het huis van alle kanten belaagd werd, stortte het niet in, want het was gefundeerd op een rots (Matteüs 7:24-25).

Nog enkele citaten uit de Bijbel:

Luister, Israël: de HEER, onze God, de HEER is de enige! (Deuteronomium 6:4, het bekende Shema Israël!).

"Toen sprak de HEER tot u vanuit het vuur. U hoorde een stem spreken, maar een gedaante zag u niet; er was alleen die stem." (Deuteronomium 4:12).

Dit als inleiding op het verbod om afbeeldingen van God te maken. Toch was de verleiding om de ogen meer te vertrouwen dan het horen, groot, want als Mozes lang wegblijft op de berg Gods, dwingen ze zijn broer Aäron een gouden beeld van een stierkalf te maken. Als Paulus (nog als Saulus van Tarsus) onderweg is naar Damascus om volgelingen van Jezus gevangen te nemen, omstraalt hem plotseling een licht en spreekt Jezus hem uit de hemel in het Hebreeuws toe. Iets verderop lezen we:

De mannen die met Saulus meereisden, stonden sprakeloos; ze hoorden de stem wel, maar zagen niemand." (Handelingen 9:7).

Ook hier weer: de stem is belangrijk, de opdracht die hij van Jezus krijgt, maar behalve een licht wordt er niets gezien. Een laatste citaat:

"Dus door te luisteren komt men tot geloof, en wat men hoort is de verkondiging van Christus." (Romeinen 10:17).

In de Bijbel begint alle kennen met horen. En ge-hoor-zamen. Het zien en het denken kaderen binnen dat horen en gehoorzamen. Wat een verschil met het Griekse denken, waar – zoals in alle heidens denken waar de goden zwijgen – het initiatief wel van de ziende en denkende mens moet uitgaan.

Ter afsluiting

    Veel van het bovenstaande komt ook in andere delen van deze website weer terug. Hier heb ik gepoogd, een totaalbeeld te schetsen. Mocht dat gelukt zijn, dan gaat de dank daarvoor naar Francis Schaeffer, in wiens boek He is there en He is not silent ik veel materiaal heb gevonden dat voor dit hoofdstuk uitnemend bruikbaar was, en naar Henk Geertsema, die mijn ogen en oren aanscherpte voor de verschillende functies van het zien en het horen. Mocht het desondanks niet duidelijk genoeg geweest zijn, dan mag u mij daarover aanspreken.

Up Iets over filosofie Vooronderstellingen Twee verdiepingen Communicatie Geloof en verstand

============================

1) Geertsema, Dr. H.G.: Het menselijk karakter van ons kennen, 1992, Buijten & Schipperheijn, Amsterdam, ISBN 90-6064-786-6. Over het verschil tussen kennis als zien en kennis als horen.