Rinus Kiel over Bijbel, cultuur en wetenschap

Reageren? Zie home-page                                                                                

======================================================

Home
Site-map
Updates
Deze site + mijzelf
Bijbel en theologie
Israel - volk en land
Filosofische items
Denken en cultuur
Wetenschap
Actualiteiten
Klimaat
Presentaties
Boeken
Weblinks

(Denken en wetenschap in onze cultuur / De 'Verlichting')

Up Algemene situatie Heersende denkmodel Vervolg Reformatie Vervolg Humanisme Vervolg wetenschap Romantiek Immanuel Kant Georg Hegel

Kant probeert het tij te keren

Nieuw 14/03/2002

Zoek op deze website

Samenvatting: Ook in de filosofie wordt gepoogd, om de dreigende ontmenselijking uit de Europese cultuur te bannen. De wetenschap, die men nu als bedreiging begint te ervaren, moet streng zijn eigen plaats worden gewezen. De hond moet in zijn hok. Kant doet een superieure poging. Maar... lukt het ook?

Voor ieder waren deze problemen vanaf het allerprilste begin nog niet duidelijk. En er waren heel wat mensen, ook filosofen, die deze problemen rekenden tot het domein van de nachtmerries, waaraan je maar niet te veel aandacht moest schenken. Maar er waren er ook, die zagen aankomen wat er allemaal mis zou kunnen gaan en die zich opmaakten, te redden wat er te redden viel. En ook al waren velen van hen geen belijdende christenen, zij leefden toch nog enigszins binnen de sfeer van de Bijbel en zouden het teloorgaan van de godsdienst hevig betreuren. Eén van hen was de wijsgeer Immanuel Kant (1724-1804). Hij is geboren en getogen in het toenmalige Duitse Koningsbergen en men beweert, dat hij ook nooit verder is gekomen dan daar. Kant zag een aantal hem dierbare zaken op de tocht komen staan, als de ontwikkeling zich voortzette: de godsdienst, de moraal en de onsterfelijke ziel. Hij zette zich ertoe om de grondslagen van onze samenleving opnieuw door te denken. Helaas kon Kant niet terug gaan naar een bijbels denken, want hij was opgegroeid in de universitaire wereld van zijn tijd, die geregeerd werd door de Griekse en Romeinse klassieken en de scholastiek. Een bijbelse denkwijze, een bijbelse filosofie van de wetenschap was in Europa nooit tot ontwikkeling gekomen.

    Wat was nu Kants oplossing? Hij verdeelde het kennisgebied in tweeën. Het eerste besloeg alles wat met het logische denken, het wetenschappelijke denken te maken had. Hij beschreef dat in deel 1 van zijn werk: Kritik der reinen Vernunft, Kritische analyse van de zuivere rede. Kant bakende netjes het gebied af, waarbinnen die zuivere rede zich volledig kon uitleven. Maar dat denken, die rede, kon nooit tot enige zingeving van het leven komen. Daar moest het zich ook niet mee bezig houden. Daar was dat denken, die rede, ook niet voor. Zingeving werd gevonden op een ander gebied, dat Kant beschreef in deel 2 van zijn werk: Kritik der praktischen Vernunft, Kritische analyse van de praktische rede. Die praktische rede, die van dat zuivere verstand van deel één moet worden onderscheiden, hield zich bezig met alle zaken die het leven waarde gaven en die het moesten behoeden voor barbarij. Hier bracht Kant God onder. Dat was niet de God van de Bijbel, maar meer de soort onbewogen beweger van Aristoteles. Niet de God die in Genesis 1 de wereld schept in zes dagen, maar meer dat wat Blaise Pascal de god van de filosofen noemde. Maar Kant wilde een God in zijn systeem handhaven; in zijn tijd werd die notie nog onmisbaar geacht in de filosofie. Het tweede wat Kant onder dit kopje rangschikte, was de moraal. De mensen moesten zich houden aan bepaalde algemene morele beginselen, anders werd de wereld een ordeloze boel. Ieder mens met gezond verstand (praktische Vernunft) zou dat moeten aanvoelen! Het derde belangrijke punt was: de onsterfelijke ziel. In de reine Vernunft gold: dood = dood. Maar boven de streep werd dat gecompenseerd: denk erom, hier is dood niet dood en moet je je onsterfelijke ziel door een goede moraal voor God acceptabel maken.

   Kant accepteerde dat de mens autonoom was op het gebied van de reine Vernunft en zich door niemand de wet liet stellen. Eigenlijk kon Kant daar weinig tegenin brengen. In die lucht ademde hij! Maar als hij die autonomie toeliet tot alle gebieden, dan zou alles in het raderwerk van de kosmische machinerie vermalen worden. Hij voorzag, dat het een morele janboel zou worden. Wat enige tijd later door Nietzsche recht in de ogen zou worden gezien en waaraan hij in feite ten onder is gegaan, is hier voor Kant nog slechts een angstig vermoeden: zonder een absolute moraal gaat de samenleving naar de kelder. Dat kon hij niet verdragen. En daarom creëerde hij (in gedachten) een soort van bovenverdieping, waar de remmende werking werd opgeslagen. Een mens moest zich bewust zijn – ook al was hij autonoom – dat hij toch met God en gebod rekening moest houden. Maar van Kants god ging niks uit. Het was ook maar een denkconstructie. Niet de levende God, de Vader van Jezus, die zijn schepping naar haar bestemming voortstuwt. Dus eigenlijk was het zonde van alle moeite en het papier, dat Kant eraan had besteed. Hij zag dat zelf ook wel en heeft in verdere geschriften geprobeerd, die twee werelden weer met elkaar te verbinden. Maar voor diegenen, die het tot hier toe hebben volgehouden om aandachtig te lezen, begint het wel te dagen, dat die poging schipbreuk moest lijden.

   Bij Kant wordt duidelijk, dat er geen deugdelijke grondslag voor de kenleer, de epistemologie meer kon zijn. Hij heeft het probleem beslist niet opgelost. Zonder de God, die zich in de Bijbel aan ons bekendmaakt en in wie alle dingen één zijn, staat ook hier alles op de tocht. We hebben dat al eerder gezien. Daardoor komt alles, wat Kant in zijn magistrale werk Kritik der reinen Vernunft ten tonele voert, min of meer in de lucht te hangen. Want als wij de dingen om ons heen (das Ding an sich, in Kants taal) niet werkelijk kunnen kennen, waarmee moet die reine Vernunft zich dan bezig houden? Met hersenschimmen? Ook hier is Kant niet uit gekomen. Paulus zegt niet voor niets, dat zij die de Schepper verwerpen, in hun verstand verduisterd worden. Dat is maar niet een manier van zeggen. Dat is een barre realiteit! En hier begint dat zichtbaar te worden. Er is een eenvoudige weg terug: buigen voor de Schepper en opnieuw buigen voor zijn Messias. Die weg wilden Kant en vele anderen niet gaan. De consequenties van hun opvattingen verafschuwden zij, maar die waren onafwendbaar.

   Kants filosofie kan worden gezien als de laatste grote uitbarsting van denkenergie in de traditie van het Westen: christendom, vermengd met heidense, Griekse elementen, met als vaste punten: God, moraal, onsterfelijke ziel, geloof en wetenschap, natuur en genade. Dit kan men wel het traditionele (West-)Europese gedachtengoed noemen. Kant vatte ze nog eenmaal op een magistrale manier samen, maar het debacle van deze manier van denken begint aan het licht te komen. Het blijkt niet mogelijk, al deze elementen met elkaar te verzoenen, en in één groots denksysteem onder te brengen. En de reden van deze onmogelijkheid is de vermenging van bijbels (eigenlijk: aan het bijbelse verwant) en heidens gedachtengoed, want Waarin lijken Christus en Beliar [satan] op elkaar? (2 Korintiërs 6:15), of Wat heeft licht met duisternis te maken? (2 Korintiërs 6:14). Bovendien is het bijbelse element altijd ondergeschikt geweest aan het heidense, doordat de Bijbel werd uitgelegd vanuit deze heidense inzichten. Het zal geen verwondering wekken, dat de Bijbel dan onder curatele staat en niet kan en mag zeggen, wat hij te zeggen heeft. De remedie zou eenvoudig geweest zijn: neem afscheid van het klassieke denken en keer terug tot de Bijbel. Maar die weg was geblokkeerd vanwege de opvatting die de toenmalige spraakmakers over de Bijbel hadden: een oud boek uit een vreemde cultuur, die nog niet zo verlicht was als de hunne, en door en door mythisch. Wat moest je daar nu mee? En zo bleef dat boek dus buiten beschouwing.

Up Algemene situatie Heersende denkmodel Vervolg Reformatie Vervolg Humanisme Vervolg wetenschap Romantiek Immanuel Kant Georg Hegel

free web hit counter