Rinus Kiel over Bijbel, cultuur en wetenschap

Reageren? Zie home-page                                                                                

======================================================

Home
Site-map
Updates
Deze site + mijzelf
Bijbel en theologie
Israel - volk en land
Filosofische items
Denken en cultuur
Wetenschap
Actualiteiten
Klimaat
Presentaties
Boeken
Weblinks

(Bijbel en theologie / Wie is Jezus?)

Up Is Jezus God? Verzoening Jezus Oude Testament Jezus en de Torah

Is Jezus God? - de zgn. 'twee-naturen' leer

Nieuw 29/04/2000 - laatste wijziging 09/06/2006

Zoek op deze website

Samenvatting: wil Jezus zijn werk als Christus (Messias, met de heilige Geest vervulde vertegenwoordiger van God) kunnen doen, dan moeten in zijn persoon God en mens zijn verenigd. Maar is dat ook zo? En hoe zit dat dan, hoe kan dat dan? Alweer: wat zegt de Bijbel.

    Je kunt geen Bijbels onderwerp aanhalen, of altijd zijn er wel mensen die roepen: "Is dat nu belangrijk?" Maakt het voor je geloof uit of Jezus God is of niet? Dit soort vragen brengt mij altijd enigszins in verlegenheid. Mijn geloof. Moet ik daaronder verstaan een door mijzelf gecreŽerde hoedanigheid, waaraan ik werk, die ik versier en optuig, of die ik ook weggooi als hij mij niet meer bevalt? Ik versta onder 'geloof' wat de Bijbel daaronder verstaat, nl. liefde tot en vertrouwen op God zoals Hij uit de Bijbel ons tegemoet treedt. Binnen dat kader is het voor mij een vreugde als mijn kennis van God toeneemt. Dus ook dit onderwerp deelt in die vreugde.

    We bepalen ons hier tot wat het nieuwe testament daarover zegt. De persoon van Jezus van Nazaret is door de eeuwen heen onderwerp van meningsverschillen geweest.

Om te beginnen was daar de verhouding met het Jodendom. Joodse schriftgeleerden verwachtten uiteraard ook de Messias, maar die zou als belangrijkste taak hebben om IsraŽl te bevrijden van zijn vijanden, onder wie de Romeinen een eerste plaats innamen. Velen dachten er zo over, ook Jezus' directe volgelingen, de discipelen. De eerste christenen hebben van de kant van de Joodse leiders veel narigheid ondervonden, omdat zij niet wilden meegaan in de bevrijdingsbewegingen als die van de Zeloten (leidend tot de val van Jeruzalem en de ondergang van de tempel), of die van Bar-Kochba in 135 A.D. (die de uiteindelijke verstrooiing van de Joden over de hele wereld inluidde). Christenen verwachtten ook de komst van de Messias om alles te herstellen, in overeenstemming met de profeten, maar pas na enige tijd.

Verder waren daar in de eerste eeuwen de discussies met het heidendom, dat wel wist van halfgoden, en Jezus onder die categorie wilde rangschikken. Anderzijds liet men Jezus opgaan in een soort van 'geestelijke' entiteit en ontkende men zijn reŽle bestaan als mens. In de Orthodoxe kerken van allerlei snit neigt men naar die opvatting. In de moderne gnostiek van de New Age is Jezus een Verheven Meester, ťťn van de vele. Hoe gaan wij te werk? Wij proberen zoveel mogelijk de Bijbel te laten spreken.

Hoe 'kwam' Hij 'over' op anderen?

    Jezus' omgeving maakte kennis met een niet-gewoon mens. Hoewel in zijn uitingen een volkomen mens met alles wat een mens tot mens maakt, mist Hij iets: de zonde. Overtreden van Gods geboden naar letter en geest is bij Hem niet te vinden. Hij is de enige die vrijmoedig, zonder schaamte en angst ieder kan aankijken en zeggen:

"Kan een van u mij van zonde beschuldigen?" (Johannes 8:46).

Het enige antwoord is de opmerking dat Hij gek is. Maar niemand wijst op zijn zonden. Het tweede is: Hij spreekt met gezag over de dingen van God. Alsof Hij er zelf bij geweest is (Lucas 4:32). En ieder beseft: Hij weet met volkomen zekerheid waarover Hij spreekt. Het ergert vooral de volksleiders maar niemand ontkent het. Hij laat als twaalfjarige de theologen van zijn tijd verbaasd staan over zijn kennis van hun specialisme. Hij kent God, Hij kent de Torah, als geen ander. Hij is ze alle de baas (Lucas 2:47). Als Hij met zijn leerlingen in een plotselinge storm verzeild geraakt op het meer van Galilea, beveelt Hij wind en golven stil te zijn (Marcus 4:39). Zijn leerlingen vragen zich af:

"Wie is hij toch, dat zelfs de wind en het meer hem gehoorzamen?" (Marcus 4:41).

De vraag stellen was haar beantwoorden. Zij, als vrome IsraŽlieten, kenden maar …ťn, die sprak en het was er, die gebood en het stond er (Psalm 33:9), en dat is God zelf, de Schepper. Hadden zij Die aan boord?!

De demonen waarvan Hij mensen bevrijdt, weten precies met wie ze te maken hebben. Enkele citaten:

MatteŁs 8:29 en Marcus 1:24: "Wat hebben wij met jou te maken, Zoon van God? Ben je hier gekomen om ons pijn te doen nog voordat de tijd daarvoor is aangebroken?".

Marcus 3:11: "Telkens als de onreine geesten hem zagen, vielen ze voor hem neer en schreeuwden: ĎJij bent de Zoon van God!í".

Marcus 5:7: "Wat heb ik met jou te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Ik bezweer je bij God: doe me geen pijn!í".

Lucas 4:34: "ĎAaah! Wat hebben wij met jou te maken, Jezus van Nazaret? Ben je gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wel wie je bent, de heilige van God.í"

Wat zei Hij van zichzelf?

    Jezus heeft nooit de volgende vier woorden achter elkaar gezegd: "Ik ben de messias". Voor sommigen is dat voldoende: Jezus heeft zichzelf niet gezien als de messias, de grote Afgezant van God, die God en mensen verzoent en alle dingen herstelt. Maar zo eenvoudig ligt het toch niet.  Er is een voor de hand liggende reden waarom Jezus binnen IsraŽls grenzen niet het woord messias in de mond nam met betrekking tot zichzelf. En dat was omdat - zeker in Galilea waar Hij veelvuldig verbleef - deze uitdrukking werkte als een lont in een kruitvat. Het zelotisme, dat met geweld de Romeinen wilde verdrijven, had vele aanhangers, juist in Galilea, en men wachtte slechts op een teken, een codewoord, en de hel zou losbarsten. Dat wilde Jezus uiteraard niet. En daarom meed Hij dat woord. Voor en in Jezus' tijd waren verschillende van dit soort opstanden uitgebroken en alle geŽindigd in bloedbaden. En meer haat ten opzichte van de bezetters. Overigens wees Jezus wel onmiskenbaar op zichzelf als de messias in het gesprek met de vrouw uit het Samaritaanse Sichar:

 "Dat ben ik, die met u spreekt" (Joh. 4:25-26).

Wat zei Hij wel van zichzelf? In een discussie met Joodse leiders zegt Jezus o.a.:

"'Abraham, uw vader, verheugde zich op mijn komst, en toen hij die meemaakte was hij blij.í De Joden zeiden: ĎU bent nog geen vijftig en u zou Abraham gezien hebben?í ĎWaarachtig, ik verzeker u,í antwoordde Jezus, Ďvan voordat Abraham er was, ben ik er.í" (Joh. 8:56-58).

Jezus zegt hier dat Hij er al was toen Abraham leefde, d.w.z. toen al 2000 jaar! Maar Hij zegt niet "...was ik" maar "...ben ik". Hij gebruikt de Naam van God (ha-yah), die de Engel Gods ook gebruikte toen Hij zich aan Mozes openbaarde. En de mensen begrepen wat Hij daarmee bedoelde! Ze wilden hem stenigen. Van alle wandaden waarop in de wet van Mozes steniging als straf was voorgeschreven, had Jezus in hun ogen slechts deze ene bedreven, dat Hij God gelasterd had. Hij had zich immers aan Hem gelijk gesteld. Dit "Ik ben" gebruikt Jezus veelvuldig in discussies met de Joodse leiders (Ik ben het brood dat leven geeft - Joh. 6:35 / Ik ben het licht voor de wereld - Joh. 8:12 / Ik ben de goede herder - Joh. 10:11).

    In Marcus 12:35-37 is Jezus in discussie over een uitspraak van David in Psalm 110. Hij zegt: Jullie zeggen dat de messias een zoon van David is. Maar David noemt Hem zijn Heer. Hoe kan dat samen gaan? Het antwoord ligt natuurlijk in dezelfde lijn als hierboven: de persoon die wij kennen als Jezus van Nazaret bestaat al veel langer en heeft zich aan Mozes, Abraham en David doen kennen.

De Mensenzoon

    Dan gebruikt Jezus veelvuldig de titel Mensenzoon voor zichzelf (meer dan 80 maal in de evangeliŽn). Alhoewel deze uitdrukking ook een betekenis heeft van 'kwetsbaar, nederig mensenkind' (en Jezus heeft zeker ook deze betekenis geaccepteerd), verwijst deze in eerste instantie naar de Mensenzoon in de profetieŽn van DaniŽl (DaniŽl 7:13-14) aan wie eer, eeuwige heerschappij en koninklijke macht gegeven wordt. In de tijd na de laatste profeten en vůůr Jezus' geboorte is in IsraŽl over deze Mensenzoon veel nagedacht en gesproken. In feite werd hij geÔdentificeerd met de messias. Dus ook hier verwijst Jezus weer naar zijn messiasschap.

Laten we eens kijken wat die titel Mensenzoon precies inhoudt. Wat is dat voor een woord? In het oude testament komt deze uitdrukking zeer veel voor, op drie manieren, en in twee versies:

1      Als tweede lid in een poŽtische zegswijze, waarin het gaat over de mensen en de mensenkinderen. Deze term duidt op het kwetsbare, het nietige, het vergankelijke van de mens. Deze tweeledige zegswijze is een bekende Hebreeuwse poŽzievorm. Zo verschijnt het 45 maal in allerlei boeken, van Genesis tot Micha, als volgt: Genesis 1x / Numeri 1x / Deuteronomium 1x / 2 SamuŽl 1x / 1 Koningen 1x / 2 Kronieken 1x / Psalmen 25x / Jesaja 3x / Jeremia 5x / Klaagliederen 1x / EzechiŽl 1x / DaniŽl 2x / JoŽl 1x / Micha 1x.

2      Als typische aanspreektitel voor de profeet EzechiŽl in het gelijknamige boek (hier vertaald als Mensenkind). De Heer spreekt hem altijd zo aan (93 maal). In beide gevallen, dus samen 45+93=138 maal, wordt de Hebreeuwse uitdrukking Ben Adam gebruikt, de eerste versie.

3      Als aanduiding van de Mensenzoon in DaniŽl 7:13, (hier vertaald als: iemand die er uit zag als een mens) die naar de oude wijze geleid wordt, en wien macht, eer en het koningschap wordt gegeven. Hier wordt de Hebreeuwse uitdrukking Bar Enash gebruikt, de tweede versie. De Griekse vertaling van het oude testament (Septuagint) vertaalt deze met de Griekse uitdrukking huios anthropos.

Jezus gebruikt deze uitdrukking steeds, als Hij spreekt over de Mensenzoon. En het is duidelijk uit de onderstaande nieuw-testamentische tekstverwijzingen, dat Hij daarmee niet bedoelt te zeggen: elk nietig mensenkind in het algemeen, maar dat Hij daarmee specifiek terugverwijst naar diezelfde uitdrukking die eenmalig in het boek DaniŽl voorkomt en duidt op Iemand over wie geschreven staat:

ďÖen alle volken en naties, welke taal zij ook spraken, dienden hem. Zijn heerschappij was een eeuwige heerschappij die nooit ten einde zou komen, zijn koningschap zou nooit te gronde gaanĒ.

Het is niet mis te verstaan dat Jezus daarmee Ė zij het in enigszins bedekte taal Ė zegt: die Mensenzoon (iemand die er uit zag als een mens) waarover de profeet DaniŽl spreekt, dat ben Ik. 

In het nieuwe testament komt deze uitdrukking 80 maal voor: MattheŁs 29x, Marcus 13x, Lucas 25x, Johannes 12x, en Handelingen 1x.

Tekstverwijzingen:

MattheŁs     8:20 / 9:6 / 10:23 / 11:19 / 12:8,32,40 / 13:37,41 / 16:13,27,28 / 17:9,12 / 18:11 / 19:28 / 20:18,28 / 24:27,30,37,39,44 / 25:31 / 26:2,24,45,64

Marcus        2:10,28 / 8:31,38 / 9:9,12,31 / 10:33,45 / 13:26 / 14:21,41,62

Lucas          5:24 / 6:5,22 / 7:34 / 9:22,26,44,58 / 11:30 / 12:8,10,40 / 17:22,24,26,30 / 18:8,31 / 19:10 / 21:27,36 / 22:22,48,69 / 24:7

Johannes      1:52 / 3:13,13 / 5:27 / 6:27,53,62 / 8:28 / 9:35 / 12:23,34 / 13:31

Handelingen 7:56

    Tenslotte: Jezus is uiteindelijk door de Joodse Raad veroordeeld op zijn eigen getuigenis, dat Hij de Zoon van God is, de Christus (messias). Dat is zijn identiteit. Zie MatteŁs 26:63-66, Marcus 14:61-64, Lucas 22:66-71. Jezus werd veroordeeld op de beschuldiging van godslastering, omdat Hij zich met God gelijk stelde.

Wat zeiden anderen van Hem?

Johannes (de Doper) zei van Jezus:

"ĎHij is het over wie ik zei: ďDie na mij komt is meer dan ik, want hij was er vůůr mij!Ēí" (Joh. 1:15).

Maar Johannes was een half jaar ouder dan Jezus. Hier verwijst hij dus naar het feit dat de persoon die wij kennen als Jezus van Nazaret al veel langer bestond. Maar Johannes zei meer. Toen hij Jezus zag aankomen wees hij naar Hem en zei:

"Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt" (Joh. 1:29),

waarmee hij iets zei over Jezus' rol van verzoener tussen God en mensen.

De discipel NathanaŽl (BartholomeŁs) van Kana zei:

"Rabbi, u bent de Zoon van God, u bent de koning van IsraŽl!" (Joh. 1:49).

Jezus corrigeerde dat niet. Als Jezus Petrus behoedt voor verdrinken, als hij over de golven naar Jezus toe gaat, vallen allen voor Hem neer en zeggen:

"U bent werkelijk Gods Zoon!" (MatteŁs 14:33).

Als Jezus met zijn leerlingen is uitgeweken naar Caesarea Philippi en zijn leerlingen vraagt, hoe ze over Hem denken, geeft Petrus dat bekende antwoord:

"U bent de messias, de Zoon van de levende God" (MatteŁs 16:16).

Jezus accepteert dat antwoord. Bij Jezus' intocht in Jeruzalem op de rug van een ezel, zingen de mensen:

"Gezegend hij die komt als koning, in de naam van de Heer! Vrede in de hemel en eer aan de Allerhoogste!" (Lucas 19:38, vanuit Psalm 118:26).

Dit werd algemeen beschouwd als een welkomstlied voor de messias. En als enkele FarizeeŽn dan ook hiertegen bezwaar maken en van Jezus correctie verlangen, zegt Hij:

"Ik zeg u: als zij zouden zwijgen, dan zouden de stenen het uitschreeuwen." (Lucas 19:40).

Alweer, Jezus accepteert deze hulde als terecht.

    Jezus accepteert deze erkenning door anderen en corrigeert ze niet. Wanneer mensen in de Bijbel neervallen voor een engel, dan corrigeert deze die hulde en verwijst naar zijn Zender; aan Die moet hulde gebracht worden (Openbaring 22:8,9). Ook de apostelen wijzen zo'n huldebetoon aan hun persoon resoluut af (Handelingen 3:12-13 - genezen verlamde in Jeruzalem / 10:25-26 - de Romeinse hoofdman Cornelius voor Petrus / 14:11-15 - Paulus en Barnabas in Lystra). Maar Jezus accepteert deze hulde, die alleen aan God toekomt. Jezus' eigen claims zijn daarmee helemaal in overeenstemming. En zijn hele houding straalde dat ook uit: een gezag dat respect afdwong en het besef wekte: hier spreekt een buitengewone autoriteit. In alle vier de evangeliŽn vinden we de weerslag van deze notie: dat in Jezus God-zelf onder ons heeft gewoond.

Twee-naturen leer

    Dat in de persoon van Jezus, de zoon van Maria, de dorpsaannemer van Nazaret, God-zelf onder ons heeft gewoond, binnen het raam van de menselijke historie, is natuurlijk een feit, dat niet anders kan dan aangevochten worden. Dat is zonneklaar. We zien dat al volop in de evangeliŽn. Maar ook in de brieven van de apostelen komt deze weerstand duidelijk naar voren. En in de vroege kerk is het een geweldig strijdpunt geworden, omdat die kerk in de wereld van de Griekse cultuur leefde, en voor die Griekse cultuur was de boodschap van en over Jezus onverteerbaar. Daarom zijn er talloze pogingen tot aanpassing geweest van wat de christenen omtrent Jezus - in overeenstemming met de geschriften van het nieuwe testament - geloofden. En daar tegenover heeft de kerk telkens weer beleden wat zij omtrent Jezus geloofde. Daarbij moest naar twee kanten positie worden gekozen:

    1. tegenover diegenen die het echte mens-zijn van Jezus niet konden accepteren vanuit hun filosofische vooronderstellingen. Voor deze mensen had Jezus niet een echt lichaam, maar een schijn-lichaam (wat is dat precies?) en is Hij ook niet echt als een mens gestorven. Het paste niet in hun wereldbeeld. Maar dan heeft Hij ons niet werkelijk verlost. Zijn opstanding is dan ook geen garantie voor onze opstanding. Alles is dan een schijn-vertoning geworden, een goddelijk drama zonder inhoud, alhier opgevoerd.

    2. tegenover diegenen die het volop God-zijn van Jezus niet konden accepteren. Toch zijn evangeliŽn en brieven daar volkomen helder over, en andere bronnen hebben we niet. Met het wegvallen van Jezus' God-zijn valt ook zijn unieke gezag weg, en is Hij ongeschikt geworden voor het werk van verzoening dat Hij heeft tot stand gebracht, maar ook voor het werk van herstel van de hele schepping, dat tot zijn messias-taak behoort.

    Daarom heeft de kerk met kracht volgehouden dat in Jezus beide verenigd waren en zijn. Als mens werd Hij geboren, als mens leed Hij en was onderworpen aan alle beperkingen die dat met zich meebrengt, als mens stierf Hij. Maar in dat alles was Hij God - als het ware incognito - en dat kon niet onopgemerkt blijven, zoals we hierboven al zagen. Altijd en in alles waren die twee aspecten (naturen, of hoe je het ook noemen wilt) tesamen en tegelijkertijd aanwezig. Je kunt niet zeggen: daar en toen handelde en/of sprak Jezus als mens, en bij die gelegenheid als God. Nee, ten allen tijde en onder alle omstandigheden was en is Jezus de God-mens, zoals het nieuwe testament Hem beschrijft. En ook nu, nu Jezus aan de rechterhand van God in de hemel is, is Hij nog steeds die mens Jezus van Nazaret, maar met een verheerlijkt lichaam, zoals ook wij eens zullen bezitten. Is dit alles nu begrijpelijk? Nee, maar het is ook geen filosofische redeneerkunst, maar naspreken van wat de Bijbel met grote consistentie leert, en weerslag van het geloof van de kerk. Een geloof dat gevoed wordt door het zien van Jezus, het horen van wat Hij zegt en het zien van wat Hij doet. En dan is maar ťťn conclusie adequaat: in de mens Jezus, de dorpsaannemer van Nazaret, de opmerkelijke rondreizende rabbi van 2000 jaar geleden, die sprak met gezag en de tekenen van het koninkrijk van God rondom zich oprichtte, is God-zelf werkelijk naar ons toe gekomen, heeft Hij ons zijn onbegrijpelijk grote liefde getoond, heeft Hij ons leven en ons lijden gedeeld en heeft Hij onze schuld zelf gedragen.

Heeft Jezus alles wat Hij over Zichzelf wist, uit de Bijbel geleerd, of was er in Hem ook oorspronkelijk besef van Zijn goddelijke afkomst?

    Enige tijd geleden (eind juni 2003 in het Nederlands Dagblad) is er enige discussie geweest over de bovenstaande vraag. En omdat deze vraag telkens weer opduikt, wil ik er in het kort iets over zeggen.

    Als baby hebben wij maar een heel beperkt besef van wie wij zijn. Dat komt langzamerhand bij het opgroeien. Wij vinden onze plaats bij vader en moeder, eventueel tussen broertjes en zusjes en beseffen dat we deel zijn van de mensengemeenschap. Als iemand van ons bij het opgroeien gaat beweren dat hij de zoon van God is, vermoeden wij godsdienst- of grootheidswaan. Het past nl. niet bij ons. Wij zijn mensen en daarmee is alles gezegd. Onze roeping tot een levenstaak (ietwat gezwollen gezegd) houdt verband met de mogelijkheden die we als mens hebben meegekregen, met alle beperkingen die dat ook inhoudt. We zijn toch voor een belangrijk deel bepaald door onze omgeving en onze opvoeding. Was dat bij Jezus ook zo? Ja en nee, denk ik. Ja, omdat Hij een mens is als wij. En nee, omdat er in Jezus' zelfbesef meer was dan datgene wat Hij uit opvoeding en Joodse Torah heeft vernomen. En dan wijs ik op een aantal Bijbelgedeelten waaruit dat blijkt.   

Ten eerste geeft de engel GabriŽl bij de aankondiging aan Maria het volgende aan:

"'Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven. Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.í" (Lucas 1:32,33).

Ongetwijfeld heeft moeder Maria deze dingen met Jezus besproken toen hij opgroeide.
    Ten tweede geeft Hij als twaalfjarige blijk van een uniek roepingsbesef, als Hij zijn ouders antwoordt - nadat ze Hem in Jeruzalem temidden van de theologen van die tijd vinden -:

"'Waarom hebt u naar me gezocht? Wist u niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?' Maar ze begrepen niet wat hij tegen hen zei." (Lucas 2:49,50).

Kennelijk verraste Jezus hen met die opmerking. Dat besef kwam kennelijk niet alleen voort uit zijn opvoeding of Torah-studie, dan zouden zijn ouders niet zo vreemd hebben opgekeken.

    Ten derde kan Jezus de mensen recht in de ogen kijken met zijn vraag:

"Kan een van u mij van zonde beschuldigen?" (Joh. 8:46).

Vergeten we niet dat Jezus als Joodse jongen de Torah uit het hoofd kende. Hij wist waarover Hij sprak. En toch bleef het antwoord uit. De mensen wisten dat Hij dat terecht zei.

    Ten vierde spreekt Jezus met een vanzelfsprekend gezag, Hij kent de dingen van God uit eigen besef. In de discussies met de Joodse leiders is er elke keer weer die volhardende manier waarover Hij over God en hemelse zaken spreekt, nl. uit eigen ervaring. Er is daarin ook geen enkele aarzeling bij Hem, zie de volgende teksten: MatteŁs 7:29 / Marcus 1:22,27 / Lucas 4:32,36, die alle spreken over het verbazingwekkende gezag waarmee Jezus sprak. Nu komt dit ook wel voor bij psychisch gestoorde mensen, die van zichzelf van alles beweren, maar Jezus onderstreepte die woorden met zijn daden. Die sloten naadloos op elkaar aan. Zijn hele persoonlijkheid straalde die integriteit uit.

    Ten vijfde slepen mensen met een dergelijk misplaatst en overtrokken zelfgevoel vaak hun hele aanhang mee in hun overmijdelijke ondergang, maar toen Jezus werd gevangen genomen, zei Hij:

"ĎIk heb jullie al gezegd: ďIk ben het,Ēí zei Jezus. ĎAls jullie mij zoeken, laat deze mensen dan gaan.í" (Joh.18:8,9).

    Ten zesde is Jezus' standvastigheid en integer gezag tot het bittere einde niet verklaarbaar, als Hij alle informatie over zijn goddelijke afkomst, als een gewoon mens uit de Schrift had moeten vernemen. Bovendien beschikte Jezus als mens niet over super-gaven als het ging om volhouden tot het einde. Dat bewijst wel zijn roepen tot de Vader juist voordat Hij gevangen genomen zou worden. Ondanks zijn menselijke zwakheid in dat ogenblik houdt Hij toch vol. Het besef in Jezus, de zoon van de Vader te zijn, is zo sterk en ongeschokt tot zelfs in de bitterste momenten, dat dit gewoonweg niet het gevolg geweest kan zijn van een vernemen uit de Torah.

    Ten zevende: Als Jezus voor zijn lijden nog het woord richt tot zijn Vader (het zgn. hogepriesterlijke gebed) zegt Hij o.a. dit:

"Vader, verhef mij nu tot uw majesteit, tot de grootheid die ik bij u had voordat de wereld bestond" (Joh.17:5).

Er was in Jezus dus herinnering aan die situatie, en een hevig terugverlangen daarnaar. Wie van ons kan zoiets zeggen? Deze herinnering is uiteraard niet ontstaan door het bestuderen van de Torah.

    Ik denk dat we voldoende aanwijzingen hebben om te concluderen dat in Jezus bij het opgroeien, naast het besef, lid te zijn van de menselijke familie, ook het besef de unieke zoon van God (en dus Messias) te zijn, in gelijke mate is gegroeid. Omdat beide wortelen in een werkelijk bestaande realiteit.
 

En tenslotte...

    Het nieuwe testament is buitengewoon duidelijk en expliciet over Jezus' identiteit. We kunnen er moeilijk overheen kijken. Geen enkele Jood zou ooit beweren dat hij God was of aan God gelijk, schrijft prof. Kuitert in zijn boek Jezus, nalatenschap van het christendom. Klopt. Maar Jezus beweerde het wel en onderstreepte die claim met zijn daden. En deze belijdenis van Jezus bracht Hem aan het kruis. Je kunt dit zonneklare gegeven alleen maar terzijde schuiven als je de autoriteit van het nieuwe testament in dezen naast je neerlegt en vervangt door zelfgebreide inzichten die uitgaan van de autonomie van het denken.

Up Is Jezus God? Verzoening Jezus Oude Testament Jezus en de Torah

free web hit counter