Rinus Kiel over Bijbel, cultuur en wetenschap

Reageren? Zie home-page                                                                                

======================================================

Home
Site-map
Updates
Deze site + mijzelf
Bijbel en theologie
Israel - volk en land
Filosofische items
Denken en cultuur
Wetenschap
Actualiteiten
Klimaat
Presentaties
Boeken
Weblinks

(IsraŽl - volk en land)

Up Israel en de kerk Over Jakob en Esau Beloften Abraham Beloofde land Tekst Zacharia 12-14 De staat IsraŽl Antisemitisme Israelische bezetting

De kerkelijke opvatting over IsraŽl en de kerk

Nieuw 19/03/2006,

Zoek op deze website

verplaatst hoofdartikel

Samenvatting: Het kerkelijke denken over IsraŽl is sterk beÔnvloed door twee misvattingen:

į    Het zwaartepunt van Gods heilshandelen ligt in het 'geestelijke', het 'aardse' is van minder belang

į    IsraŽl heeft als Gods volk afgedaan na Jezus' opstanding en nog openstaande beloften slaan vanaf dan op de kerk; hoe zit dat nu?

1.  De opvatting over de 'uitverkiezing'

    In de klassieke kerkelijke opvatting is de kerk het totaal aan ware gelovigen door de geschiedenis heen, van Adam tot de 'jongste dag'. Dat totaal is van tevoren uitgekozen, wordt ook behouden, 'komt in de hemel' en zal delen in alle verworvenheden van Christus' overwinning. Het heil in Christus wordt gezien als eenvormig: een mens blijft verloren en komt in de hel, voor eeuwig, of is in Christus ten gevolge van de uitverkiezing gered, en komt in de hemel om daar eeuwig voor Gods troon te juichen. In deze visie ontbreekt de veelkleurigheid van het bijbelse spreken hierover. In Johannes 5:29 lezen wij over een opstanding ten leven en een opstanding ten oordeel. In Openbaring 20 en 21 lezen we over een eerste opstanding, die kennelijk ten leven is. Er wordt gesproken over de tweede dood, die pas realiteit wordt na de duizend jaren. We lezen over een nieuwe hemel, over een nieuwe aarde, waarop volken wonen, van wie God de tranen (zijn die er nog, in die volmaaktheid, dan?) van hun ogen zal afwissen. We zien een nieuw Jeruzalem, een structuur die uit de hemel op de aarde afdaalt, kennelijk zijn daarin IsraŽl de de gemeente van Jezus vertegenwoordigd, want we lezen over poorten die de naam dragen van de twaalf stammen van IsraŽl en fundamenten waarop de twaalf namen van Jezus' apostelen (discipelen). We lezen hoe de koningen der aarde hun heerlijkheid in die stad inbrengen, en hoe de eer en de heerlijkheid van de volken daar zullen zijn. Een ongelooflijk rijk en gevarieerd beeld. We kunnen ons afvragen: wie zijn degenen die opstaan bij die eerste opstanding? Waarom komen sommigen om in de tweede dood? Wie zijn die volken die op de nieuwe aarde wonen? Wie bevolken dat nieuwe Jeruzalem? We gaan daar in het laatste document in deze sectie wat verder op in, zonder ook maar in enig opzicht de pretentie te hebben, dat daarover het laatste woord gesproken is.

    Hoe komt men in de kerk tot zo'n eenvormige opvatting? Ik denk, dat de oorzaak is een bepaalde idee over de reikwijdte van Adams zondeval (voor allen) in combinatie met een bepaalde opvatting over de reikwijdte van Christus' werk (voor weinigen). In extrema is die opvatting neergelegd in de zgn. 'Dordtse Leerregels'. In hst. I, art. 1 lezen wij:

"Alle mensen hebben in Adam gezondigd en verdienen Gods vloek en de eeuwige dood. Daarom zou God niemand onrecht gedaan hebben, als Hij besloten had het hele menselijke geslacht aan zonde en vervloeking over te laten en vanwege de zonde te veroordelen".

Duidelijke taal, maar enigszins hypothetisch, want God heeft iets gedaan, en hoe!! In de vervolgartikelen wordt dan gesproken over de blijde boodschap die verkondigd wordt, en door sommigen wordt verworpen en door anderen aanvaard. Achter dat aanvaarden zit echter een valkuil, want in art. 6 lezen we:

"God schenkt in dit leven aan sommigen het geloof, terwijl Hij het aan anderen onthoudt. Dit vloeit voort uit zijn eeuwig besluit".

En artikel 7 begint zo:

"Deze uitverkiezing is een onveranderlijk voornemen van God, waardoor Hij voor de grondlegging van de wereld uit het hele menselijke geslacht - dat door eigen schuld de oorspronkelijke gerechtigheid verloren en zich in zonde en ondergang gestort heeft - een vast en groot aantal mensen in Christus tot het heil heeft uitgekozen".

Je kunt bepaalde teksten in de Bijbel wel in deze zin interpreteren, maar vaak is een andere interpretatie mogelijk, die niet in tegenspraak komt met Gods uitgesproken wil om allen te behouden. De Bijbel zegt bovendien dat de verborgen dingen (zoals verborgen raadsbesluiten e.d.) voor onze God zijn, en de geopenbaarde voor ons. Nu, God heeft ons niets geopenbaard over raadsbesluiten waarin Hij het geloof aan anderen, d.i. velen, onthoudt. Volgens Calvijn zou slechts 1% van de mensheid 'zalig' worden. Ook Abraham Kuyper heeft zich gewaagd aan speculaties met betrekking tot het aantal mensen dat je op een nieuwe aarde zou kunnen herbergen. Wat zegt de Bijbel, want dat is datgene wat geopenbaard is. Wel, daar lezen we o.a. (Romeinen 5:18, 19):

"Kortom, zoals de overtreding van ťťn enkel mens [Adams zondeval] ertoe heeft geleid dat allen werden veroordeeld, zo zal de rechtvaardigheid van ťťn enkel mens [Jezus' sterven aan het kruis] ertoe leiden dat allen worden vrijgesproken en daardoor zullen leven. Zoals door de ongehoorzaamheid van ťťn mens [Adam] alle mensen zondaars werden, zo zullen door de gehoorzaamheid van ťťn mens [Jezus]alle mensen rechtvaardigen worden."

Dat is andere taal. Of 2 Petrus 3:9:

"...omdat Hij [God] wil dat iedereen tot inkeer komt en niemand verloren gaat."

Nog in 1 Johannes 2:2:

"Hij is het die verzoening brengt voor onze zonden, en niet alleen voor die van ons, maar voor de zonden van de hele wereld."

Dit is de wil van God, die aan ons geopenbaard is. Hoe kan God ons zeggen iets te willen, en daarnaast besloten hebben dat dat niet zal doorgaan? Hoe komen zulke ideeŽn nu in de kerk terecht. Daarop weet ik niet het antwoord, maar dit soort voorstellingen bestonden al sinds de kerkvader Augustinus en misschien zijn zij wel ťťn van de gevolgen van de vergrieksing van de kerk, die de band met de Joodse uitleg doorsneed. 

    Over deze willekeur der zgn. 'uitverkiezing' zie de pagina over Jakob en Esau.

2.  De hemel of de aarde?

    Een tweede aspect van de kerkelijke leer over deze dingen is de opvatting, dat de gelovigen naar de hemel gaan en daar hun uiteindelijke bestemming vinden. Ook dit zie ik weer als een gevolg van de invloed van het griekse (Platonische) denken, dat de dingen van de hemel hoger acht dan die van de aarde. Maar de Bijbel spreekt daarover geheel anders. Psalm 115:16:

"De hemel is de hemel van de HEER, de aarde heeft hij aan de mensen gegeven."

De EvangeliŽn spreken over het 'koninkrijk der hemelen'. Jezus leert zijn leerlingen bidden:

"Uw koninkrijk kome" (MatteŁs 6:10, Lucas 11:2).

In de hemel was het al, dus waar anders dan hier op aarde moet het dan nog komen? En wanneer komt het? Laten we eens zien. De engel GabriŽl zegt tegen Maria als hij Jezus' geboorte aankondigt, o.a.:

"God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven. Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen." (Lucas 1:32, 33)

Waar stond die troon van David? Juist, in Jeruzalem, hetzelfde Jeruzalem waarvan de profeet zegt:

"Jeruzalem zal blijven staan waar het staat." (Zacharia 12:6).

Wij spreken in de kerk nog steeds over de wederkomst van Jezus. Waarheen anders komt Hij weer, dan vanwaar Hij vertrok? Naar deze aarde immers? Hoe en waar vertrok Hij? Vanaf de Olijfberg, ten oosten van Jeruzalem. Als zijn leerlingen Hem nastaren, staan daar plotseling twee mannen in het wit bij hen, die zeggen

"GalileeŽrs, wat staan jullie naar de hemel te kijken? Jezus, die uit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie hem naar de hemel hebben zien gaan." (Handelingen 1:11)

Duidelijk, niet? En wat lezen we bij de profeet?

"Daarna zal de HEER uittrekken en de strijd tegen die volken aanbinden, net als weleer [tegen de Amalekieten in de woestijn, bij de inname van het land en ook later]. Die dag zal hij zijn voeten op de Olijfberg planten, ten oosten van Jeruzalem."  (Zacharia 14:3, 4a).

Dus, deze Jezus is dezelfde als de 'HEER' bij Zacharia. De profeet maakt duidelijk, dat vanaf dat ogenblik de Heer (=Jezus) vanuit Jeruzalem over de hele aarde gaat regeren. Dan is dus de bede 'Uw koninkrijk kome' vervuld geworden. Het rijk van vrede waarover de profeten hebben gesproken, is dan aangebroken. Maar het is nog niet alles pais en vree. Dat zien we verderop in Zacharia 14, waar regen onthouden wordt aan de volken die niet naar Jeruzalem komen om het Loofhuttenfeest te vieren. Zie ook de hoofdstukken 65 en 66 van Jesaja. Het is nog niet volmaakt, er zijn nog zondaars die gestraft worden, maar de situatie uit de paradijstijd schijnt zo ongeveer te zijn teruggekomen.

   In het boek Openbaring lezen we in hoofdstuk 20 (waarin we de parallel vinden aan de beschreven gebeurtenissen) waarom de volmaaktheid er nog niet is. Satan is weliswaar gebonden, hij kan zijn smerige werk niet meer doen, en dat alleen al schijnt een enorme verbetering te zijn, maar in het hart van velen zit verborgen boosheid. In Psalm 66:3 lezen we dat zijn (Christus') vijanden Hem veinzend hulde zullen bieden. Men onderwerpt zich, maar niet van harte. Als Satan aan het einde van deze periode wordt losgelaten, volgen velen hem, in de hoop, het juk van de Messias voor goed af te kunnen werpen. Nu maakt God voor iedereen duidelijk, dat de zonde ook in het hart van de mensen zit. Het is niet alleen Satan, de verleider, maar hij heeft aanknopingspunten in de mensen zelf. Er vinden nog dramatische gebeurtenissen plaats - o.a. de definitieve vernietiging van Satan met allen die er de voorkeur aan geven om hem te volgen in plaats van de rechtvaardige en zachtmoedige Messias, ook in het zicht van Gods heerlijke Koninkrijk - voordat de nieuwe hemel en de nieuwe aarde verschijnen. En op die nieuwe aarde vinden we de volken, er zijn nog tranen, maar die worden afgewist. De volkomen heerlijkheid komt er aan, door niets meer verstoord. Zo ongeveer is het beeld dat de Bijbel ons schetst.

   Het Nieuwe Testament zegt ons wel dat gelovigen bij hun sterven gaan naar de plaats waar Jezus is, en dat is nu nog de hemel, waar Hij aan de rechterhand van God wacht op het onderwerpen van al zijn vijanden

"...enerzijds verlang ik ernaar te sterven en bij Christus te zijn," (Filippenzen 1:23),

"In het huis van mijn Vader zijn veel kamers; zou ik anders gezegd hebben dat ik een plaats voor jullie gereed zal maken? Wanneer ik een plaats voor jullie gereedgemaakt heb, kom ik terug. Dan zal ik jullie met me meenemen, en dan zullen jullie zijn waar ik ben" (Joh. 14:2).

'Kamer' hier als verblijfplaats, onderdak, met de notie van een plaats waar je iets afwacht. Als de gelovigen zijn waar Jezus is, is dat nu in de hemel, maar bij zijn terugkeer komen zij met Hem naar de aarde terug, want dan regeert Hij vanuit Jeruzalem. Wij lezen hierover o.a. in Openbaring 19:11 - 20:6, maar ook in Zacharia 14:5.

3.  Wat is 'IsraŽl' nu in de kerkelijke opvatting?

   IsraŽl is - in deze opvatting - het tijdelijke orgaan waarbinnen de 'kerk van het Oude Testament' is ingekapseld, het is een voor die tijd nog nodige stut- of hulp-constructie om die 'kerk' in de toenmalige wereld te handhaven, meer niet. IsraŽl had een tijdelijke functie. In Paulus' brieven vinden we enkele uitdrukkingen die deze opvatting schijnen te ondersteunen (Galaten 2:23,24 over de 'tuchtmeester', Galaten 4:22-26 over het aardse en het hemelse Jeruzalem, waar Paulus in een betoog over de betekenis van IsraŽl zegt.

 "Want niet alle IsraŽlieten behoren werkelijk tot IsraŽl," (Romeinen 9:6)

m.a.w. het echte IsraŽl is maar een deel ervan, e.v.a.). Die tijdelijke functie van IsraŽl is op zijn eind gelopen op het Pinksterfeest, en overgenomen door de kerk van het Nieuwe Testament, die een gemeenschap is van Joden en heidenen, die in Jezus Christus geloven. Daarna bestond IsraŽl nog wel, maar het had geen functie meer in Gods plan tot redding van de wereld. In het jaar 70 is het dan ook definitief aan zijn einde gekomen. Alles wat er in het Oude Testament nog over 'IsraŽl' gezegd wordt, wat nog niet is vervuld, mag dus nu slaan op dit nieuwe volk van God, de kerk, want zij is de wettige erfgenaam van alle nog onvervulde beloften aan IsraŽl. Dat geeft aanleiding tot allerlei gewrongen verklaringen, want veel van die nog niet vervulde beloften hebben duidelijk betrekking op het land IsraŽl, op de reŽle stad Jeruzalem, en op met name genoemde volken die in het Middenoosten leefden en/of nog leven.

    Het opnieuw op het toneel verschijnen van een volk en een staat IsraŽl, na de tweede wereldoorlog, had in deze visie eigenlijk niet meer mogen gebeuren. Nu deze staat er toch eenmaal is, moet zij beschouwd worden als een soort anachronisme. IsraŽl is een staat als alle andere staten, een volk als andere volken, en is gebonden aan het volkenrecht en moet de op haar betrekking hebbende resoluties van de Verenigde Naties uitvoeren, zoals het elk fatsoenlijk volk betaamt. Zo niet, dan is er ook in de christelijke pers weinig begrip en clementie voor 'die Joden'. Dat dit IsraŽl ooit nog een rol in Gods plan zal spelen, is in deze visie uitgesloten. Dat er ooit nog een tempel zal komen, waarin God gediend wordt op de wijze als in het Oude Testament, is in deze opvatting een gruwelijke gedachte.

4.  Wat is eigenlijk 'uitverkiezing' in bijbelse zin?

    Wat betekent nu eigenlijk dat zwaar beladen woord 'uitverkiezing' in het geheel van de bijbelse openbaring? In de Bijbel komt het zo niet voor. Wel het woord 'uitverkoren' met enkele varianten. Het betekent altijd: gekozen, uitgekozen uit een aantal, geselecteerd, en wel met een bepaald doel, een bepaalde opdracht. 

    Abraham en met hem het volk IsraŽl werden gekozen om aan de wereld te laten zien hoe het onderhouden van Gods geboden als volk zegen brengt en lang leven. Shalom, een onbedreigd bestaan. Abraham en zijn familie kregen twee beloften: 1. de belofte van het land, en 2. de belofte dat door Abraham en zijn nageslacht alle geslachten op de aarde gezegend zullen worden. God heeft Abraham dus uitgekozen om tot een zegen voor de hele wereld te zijn (een zegen die in Jezus Christus in principe is gekomen), Ťn Hij heeft hem het land voor een eeuwige bezitting beloofd.  Velen worden in het Oude Testament Gods uitverkorene genoemd: Jozef, Mozes, Saul, David, IsraŽl, de Messias, in het Nieuwe Testament: Rufus (?), de Zoon van God, e.v.a. 

Maar ook de gemeente van Jezus Christus is - in Jezus - uitgekozen, apart gesteld,

"om de grote daden te verkondigen van hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht"  (1 Petrus 2:9).

De enige bestaansgrond van de gemeente van Jezus is deze taak. En, zoals er voor Abraham en de zijnen geweldige beloften waren, zo zijn er ook de gemeente van Jezus geweldige beloften, die echter geloof vereisen om vervuld te worden. Ik ga daar nu verder niet op in binnen het kader van dit onderwerp.

    Maar als 'uitverkoren' nu deze betekenis heeft, wie worden er dan zalig? De Bijbel is daar heel duidelijk over: allen die onder het oude verbond hun God met een oprecht hart dienden en liefhadden, en allen die onder het nieuwe verbond de gave van God in Jezus Christus van harte aannemen, behoren tot de 'uitverkoren' gemeente. Verder maakt de Bijbel m.i. duidelijk, dat diegenen on-gered blijven en niet in Gods Koninkrijk zullen komen, die willens en wetens, bewust en tot de laatste consequentie 'nee' blijven zeggen tegen God. Francis Schaeffer zei het zo:

"Uiteindelijk zijn er maar twee soorten mensen: zij die tegen God zeggen: Uw wil geschiede, en zij tegen wie God zegt: uw wil geschiede".

God dwingt niemand. Niemand zal eeuwig in Gods tegenwoordigheid moeten leven, die daartegen een grondige weerzin heeft. Zie ook nog wat Paulus zegt over de heidenen in Romeinen 2:12-16:

"Allen die gezondigd hebben zonder de wet te kennen, zullen ook zonder de wet verloren gaan; en allen die gezondigd hebben terwijl ze de wet wel kennen, zullen door de wet worden veroordeeld. Niet wie de wet slechts aanhoort zal voor God rechtvaardig zijn, maar wie de wet naleeft. Wanneer namelijk heidenen, die de wet niet hebben, de wet van nature naleven, dan zijn ze zichzelf tot wet, ook al hebben ze hem niet. Ze bewijzen door hun daden dat wat de wet eist in hun hart geschreven staat; en hun geweten bevestigt dit, omdat ze zichzelf met hun gedachten beschuldigen of vrijpleiten. Dit alles zal blijken op de dag waarop, volgens het evangelie dat ik verkondig, God door Christus Jezus oordeelt over wat er in de mens verborgen is."

5. Samenvattend

    In de kerkelijke opvatting bestaat de kerk van Adam tot de jongste dag, haar leden zijn de uitverkorenen, d.i. degenen die zalig worden, die eeuwig met God zullen leven. Zij vormen een 'klein kuddeke' temidden van de anderen. In de tijd van het Oude Testament vormde IsraŽls volksbestaan de stut en het omhulsel van deze 'kerk', na Pinksteren heeft IsraŽl afgedaan en treedt de (Nieuw-Testamentische) kerk op als de drager van de nog resterende beloften voor IsraŽl.

De rol van IsraŽl volgens de Bijbel

    In alle profetieŽn over IsraŽls toekomst gaat het over een glorijke tijd, waarin een rechtvaardige koning zal heersen over de aarde, vanuit Sion, d.i. Jeruzalem. Koningen zullen hem hulde bewijzen, maar het zal niet altijd van harte zijn. Volken zullen het Loofhuttenfeest in Jeruzalem komen vieren, en er zal vrede zijn op aarde. Vijandschap tussen mensen onderling, dieren onderling, en tussen mensen en dieren, zal er niet meer zijn. Mensen zullen zeer oud worden (als de bomen), en het kwaad dat de kop opsteekt, zal ogenblikkelijk geoordeeld worden. Een streng, maar rechtvaardig, welvarend regime. Shalom. Niemand zal worden opgeschrikt. Het is niet mogelijk om al deze zaken op een nieuwe hemel en/of nieuwe aarde toe te passen, want die zijn van geheel andere orde. Zie Openbaring 21. Ze op de kerk toepassen, geeft aanleiding tot gewrongen 'verklaringen', die de spot drijven met elke hermeneutische (uitlegkundige) consistentie. We kunnen ze dus niet anders dan toepassen op een toekomstig IsraŽl. En de vraag is dan: welk toekomstig IsraŽl?

    Allerlei profetieŽn over een definitief herstel van IsraŽl, uitgesproken vůůr de terugkeer van het volk uit de Babylonische ballingschap kunnen met enig gewring en kunst- en vliegwerk wel enigermate worden toegepast op de situatie na de terugkeer, maar het blijft een onbevredigend geheel. De discussie hierover met voorstanders van de klassiek kerkelijke uitleg is moeizaam, en zal ik daarom hier vermijden, met ťťn uitzondering. We richten ons op de profetieŽn van na de ballingschap. Daarvoor komen in aanmerking: de profetieŽn van Zacharia, de uitspraken van Jezus, en de Openbaring van Johannes, maar ik beperk me tot Zacharia. Nu eerst die ene genoemde uitzondering.

    Deze: Mozes voorzegt in Deut. 28 vs 1-14 waarmee God IsraŽl zal zegenen als het Hem niet vergeet, en in vs. 15-68(!!) wat hen als onheil zal treffen bij ongehoorzaamheid. Vs 66: onophoudelijk leven in gevaar, nacht en dag opschrikken, leven niet zeker, vs 67: was het maar avond, was het maar morgen, vanwege vrees in het hart en het schouwspel dat gezien wordt (verwoordt dat niet treffend de situatie tijdens de vele pogroms in Europa en  vooral de situatie in de tweede wereldoorlog?), vs. 68: op schepen naar Egypte, als slaven te koop, maar geen koper. Dat laatste is gebeurd in het jaar 70, letterlijk. De markt in AlexandriŽ was overvoerd met Joodse slaven en slavinnen en ondanks de lage prijs bleven velen onverkocht over. Maar ook vs. 66 en 67 slaan zeker niet op de Assyrische of Babylonische ballingschap. Vooral in Babel hadden de Joden het zo goed, dat slechts weinigen terugkeerden. Mozes spreekt hier duidelijk over het jaar 70. Als dan - na het bericht over de verbondsvernieuwing in hst. 29 - Mozes zijn rede vervolgt, dan spreekt hij over de terugkeer vanuit AL de volkeren, terug naar hun eigen gebied, naar het land IsraŽl. Weliswaar NA bekering, maar wie zal zeggen, hoevelen van het Joodse volk zich hebben verootmoedigd voor hun God. Wij kunnen niet in hun hart kijken. En God handelt vaak op het gebed van een minderheid, van ťťn of enkelen soms (zie DaniŽl of Nehemia). Deze terugkeer zien wij - naar veler stellige overtuiging - in de huidige situatie in het Middenoosten.

    Dan nu de profetieŽn, die we vinden in Zacharia 12-14. Juist vandaag (17-10-2000) kwam het 2e deel van de nieuwe bijbelvertaling van het NBG in mijn handen, waarin deze hoofdstukken werkelijk prachtig zijn weergegeven, in begrijpelijk Nederlands. Zie pagina Tekst Zacharia 12-14; het is misschien wel handig om deze tekst uit te printen en naast deze pagina te houden. Bij de tekst heb ik commentaar gegeven, waarin ook enkele andere profetieŽn en Psalmen (die vaak ook profetische lading hebben) worden aangehaald. Het voert te ver om hier een complete bijbelstudie over dit onderwerp te doen. Dat krijgt de omvang van een klein boekje. Wie kennis neemt van wat hier over IsraŽl is gezegd en serieus gaat lezen en studeren met een 'open mind', die kan toch wel niet anders dan ontdekken wat de Bijbel over IsraŽls toekomst zegt. Zo is het mij ook vergaan. 

    Dit alles wil niet zeggen dat er nu geen vragen meer zijn. Die zijn er. In verschillende profetieŽn wordt geduid op het herstel van de offerdienst in de tempel, na de hierboven aangeduide gebeurtenissen. Dat is voor velen onverteerbaar. Jezus' offer is het laatste, de scheiding in de tempel in Jeruzalem tussen het Heilige en het Heilige der heiligen is gescheurd, aangevend dat deze zaken hebben afgedaan. In de brief aan de HebreeŽn wordt dat duidelijk en definitief gezegd. Zo schijnt het althans. Toch beschrijft EzechiŽl in de hoofdstukken 40-48 in groot detail de bouw van een tempel en de eredienst daarin. En daarbij komen ook offers te pas. Calvijn heeft zich nooit gewaagd aan een verklaring van deze hoofdstukken. Maar ook IsraŽl heeft het na de ballingschap niet gewaagd, deze tempel te bouwen, omdat men begreep dat deze dingen op een andere tijd betrekking hebben. Maar veel is nog onduidelijk... 

    Wie meer wil weten over het spreken van de Bijbel over deze onderwerpen, kan het beste beginnen bij een klein boekje van Huib Verwey (waarvan ik hoop dat het nog ergens te krijgen of te lenen is): "De profeten over IsraŽl", uitgegeven bij Groen & Zonen (toen nog in Leiden, thans Heerenveen), ISBN nummer 90-5030-414-1.

Up Israel en de kerk Over Jakob en Esau Beloften Abraham Beloofde land Tekst Zacharia 12-14 De staat IsraŽl Antisemitisme Israelische bezetting