Rinus Kiel over Bijbel, cultuur en wetenschap

Reageren? Zie home-page                                                                                

======================================================

Home
Site-map
Updates
Deze site + mijzelf
Bijbel en theologie
Israel - volk en land
Filosofische items
Denken en cultuur
Wetenschap
Actualiteiten
Klimaat
Presentaties
Boeken
Weblinks

(IsraŽl - volk en land)

Up Israel en de kerk Over Jakob en Esau Beloften Abraham Beloofde land Tekst Zacharia 12-14 De staat IsraŽl Antisemitisme Israelische bezetting

IsraŽls bezetting van de Palestijnse gebieden

Nieuw 14/10/2002 - laatste update 01/03/2010

Zoek op deze website

Samenvatting: Bezette westelijke Jordaanoever, de bekende mantra van de nieuwsvoorzieners. Wat is er werkelijk aan de hand? Mogen de feiten een woordje meespreken?

Hieronder een artikel over dit onderwerp dat ik graag op deze plaats wil publiceren. Zie voor kaartmateriaal de kaartjes bij het artikel over de staat IsraŽl.

Zie ook de pagina met artikelen van Nonie Darwish, een Arabische publiciste.

---------------------------------------------------------------------

Hoezo bezetting?

door Prof. Efraim Karsh, hoofd Mediterrane Studies aan Kings College, Universiteit van Londen

 

Sinds 2009/2010 is er een intensieve samenwerking tussen IsraŽl en de 'Palestijnse' gebieden tot stand gekomen, resulterend in een sterke opbloei van de economie en een verbetering van de levensstandaard van de 'Palestijnen'. Dit is mogelijk geworden door een sterke teruggang in het aantal terroristische aanslagen, dank zij het veiligheidshek dat IsraŽl heeft opgericht. Dat bevestigt ondubbelzinnig wat Karsh al in 2002 schreef. Omdat dit aspect vrijwel nooit in de pers verschijnt, meld ik het hier maar.

 

Inhoud:

Inleiding en definitie

Hanan Ashrawi's kijk op de zaak

Ontstaan van IsraŽl geen bezetting van 'Palestina'

De Arabische landen verdelen 'Palestina' onder elkaar

De Arabieren kennen geen 'Palestijnse' staat noch een 'Palestijns' volk

IsraŽls beheer geen onderdrukking

IsraŽls terughoudendheid in de 'gebieden'

IsraŽls beheer een zegen in economisch en welzijns-opzicht

De gevolgen van IsraŽls terughoudendheid

De PLO grijpt zijn kans om een terreurstaat te vestigen

IsraŽl trekt zich terug onder internationale druk

Terrorisme omgekeerd evenredig met IsraŽls greep op de 'gebieden'

Economische gevolgen van de terreur

Conclusies en samenvatting

 

 

Weinig onderwerpen zijn zo grondig vervalst als de recente geschiedenis van de Westbank en de Gaza-strook in Palestina

vertaald door Rinus Kiel en opnieuw gepubliceerd op deze website met toestemming van de schrijver en het blad ĎCommentaryí van juli/augustus 2002, waarin het voor het eerst is gepubliceerd. De tussenkopjes zijn van de vertaler, commentaar van de vertaler tussen {}.

Inleiding en definitie

    Niets heeft de discussie over het Palestijns-IsraŽlisch conflict meer beheerst dan het woord Ďbezettingí. Al tientallen jaren lang is er nauwelijks een dag voorbij gegaan waarop in de media niet op een of andere manier sprake was van IsraŽls veronderstelde onwettige aanwezigheid op Palestijnse grond. Deze aanwezigheid wordt aangevoerd om het ontstaan en het voortbestaan van het huidige conflict tussen de partijen te verklaren, om IsraŽls verondersteld bruut en repressief karakter aan te tonen, en om de vreselijkste tegen IsraŽl gerichte terroristische wandaden te rechtvaardigen. Bezetting, om kort te gaan, is een trefwoord geworden, en als zovele trefwoorden betekent ook dit verschillende dingen voor verschillende mensen.

    Voor de meeste westerse waarnemers duidt de uitdrukking Ďbezettingí op IsraŽls greep op de Gaza-strook en de Westbank, gebieden die het veroverde in de Zesdaagse oorlog in juni 1967. Maar voor veel Palestijnen en Arabieren vertegenwoordigt de IsraŽlische aanwezigheid in deze gebieden alleen maar het laatste hoofdstuk in een ononderbroken geschiedenis van Ďbezettingení, die teruggaat tot op het ontstaan van IsraŽl op Ďgestolení land. Als je een boek over IsraŽl gaat zoeken in de belangrijkste Arabische boekhandel op de Charing Cross Road in Londen, dan zul je het vinden in de afdeling met het opschrift ĎBezet Palestinaí. Dat dit de overheersende kijk op de zaak is, niet alleen onder Arabische inwoners van de Westbank en de Gaza-strook, maar onder alle Palestijnse inwoners van IsraŽl en de rest van de wereld, wordt duidelijk door de gebruikelijke nadruk op een Palestijns Ďrecht van terugkeerí, die het effect van de Ďbezetting van 1948í Ė d.i. de oprichting van de staat IsraŽl Ė moet opheffen

    Palestijnse intellectuelen verdoezelen routinematig elk onderscheid tussen IsraŽls acties vůůr en na 1967. De prominente Palestijnse culturele figuur Jacques Persiqian vertelde zijn Joodse lezers onlangs in het IsraŽlische dagblad Haíaretz, dat de terroristische aanslagen van vandaag zijn Ďwat jullie zelf over je gehaald hebben na 54 jaar systematische onderdrukking van een ander volkí, een geschiedkundige beschouwing die Ė omdat zij teruggaat tot 1948 Ė niet alleen IsraŽls aanwezigheid in Westbank en Gaza-strook ter discussie stelt, maar de wettigheid van zijn bestaan als een staat.

Hanan Ashrawi's kijk op de zaak

    Hanan Ashrawi, de meest uitgesproken vertolker van de Palestijnse zaak, was nog wat brutaler in het uitvlakken van de lijn tussen Ďbezettingení na 1967 en vůůr 1967. Op de schandelijke Wereldconferentie tegen Racisme in Durban in de zomer van 2002 zei ze tegen de deelnemers: ďIk kom vandaag naar jullie toe met een bezwaard hart omdat ik een natie in gevangenschap achter moest laten die gegijzeld wordt door een nog steeds voortdurende naqba (= ramp)Ē.

    ďIn 1948 werden we onderworpen aan een ernstige historische onrechtvaardigheid, die ons tweemaal tot slachtoffer maakte: aan de ene kant de onrechtvaardigheid van onteigening, verstrooiing en verbanning die met kracht aan de bevolking werd opgelegdÖ. Aan de andere kant werden zij die bleven onderworpen aan de systematische onderdrukking en brutaliteit van een onmenselijke bezetting die hen al hun rechten en vrijheden ontroofde.Ē

    Deze oorspronkelijke Ďbezettingí Ė dat is, nogmaals, het ontstaan en bestaan van de staat IsraŽl Ė werd volgens Ashrawi later uitgebreid als een gevolg van de Zesdaagse oorlog:

    ďDe onzen die in 1967 onder de IsraŽlische bezetting kwamen, kwijnden weg in de Westbank, Jeruzalem en de Gaza-strook onder een unieke combinatie van militaire bezetting, kolonisatie en systematische onderdrukking. Zelden heeft het menselijk brein zoín gevarieerde, veelzijdige en alomvattende methode van brutalisering en vervolging op grote schaal bedacht.Ē

    Samengevat: de beschuldigingen tegen IsraŽls verschillende Ďbezettingení vertegenwoordigen Ė en zijn duidelijk bedoeld als Ė een aanklacht tegen en een vervloeking van de hele Zionistische onderneming. Maar tot in vrijwel elk detail zijn zij ook op een grove manier onjuist.

Ontstaan van IsraŽl geen bezetting van 'Palestina'

     In 1948 werd er geen Palestijnse staat binnengevallen of vernietigd om ruimte te maken voor de vestiging van IsraŽl. Van bijbelse tijden af, toen dit gebied de natie van de Joden was, tot aan de bezetting door het Britse leger aan het einde van de Eerste Wereldoorlog, had Palestina nooit bestaan als een aparte politieke eenheid maar was integendeel opgenomen in het ene rijk na het andere, vanaf de Romeinen, via de Arabieren, tot en met het Ottomaanse regime. Toen de Britten in 1917 arriveerden, was de directe loyaliteit van de bewoners van het gebied lokaal Ė clan, stam, dorp, stad of religieuze secte Ė en bestond naast hun trouw aan de Ottomaanse sultan-kalief als het religieuze en tijdelijke hoofd van de wereld-Moslimgemeenschap.

    Onder een mandaat van de Volkenbond, dat expliciet bedoeld was om de weg te effenen voor de schepping van een Joods nationaal tehuis, introduceerden de Britten voor de eerste maal {in de geschiedenis} de notie van een onafhankelijk Palestina, en stelden haar grenzen vast. Toen de Britten in 1947 werden geconfronteerd met een vastbesloten Joodse strijd voor onafhankelijkheid, gaven ze het mandaat terug aan de opvolger van de Volkenbond, de Verenigde Naties, die op hun beurt op 29 november 1947 beslisten om het mandaatgebied Palestina op te delen in twee staten: de ene Joods, de andere Arabisch.

    De staat IsraŽl is dus ontstaan als gevolg van een internationaal erkende daad van nationale zelfbeschikking, een daad, bovendien, ondernomen door een oud volk in zijn eigen thuisland. In overeenstemming met de algemene democratische praktijk, werd de Arabische bevolking die binnen de grenzen van de nieuwe staat woonde, onmiddellijk erkend als een wettige etnische en religieuze minderheid. Het grondgebied van de voorgestelde Arabische staat zou onder andere omvatten de twee gebieden die vandaag betwist worden, nl. de Gaza-strook en de Westbank (met uitzondering van Jeruzalem, dat onder internationaal bestuur zou komen).

De Arabische landen verdelen 'Palestina' onder elkaar

    Zoals bekend werd de uitvoering van het UN verdelingsplan voortijdig afgebroken door de poging van de Palestijnen samen met de omringende Arabische staten om de Joodse staat al bij zijn geboorte te vernietigen. Maar wat minder bekend is: zelfs als de Joden de oorlog verloren zouden hebben, dan zou hun gebied niet aan de Palestijnen zijn toegevallen. Het zou integendeel verdeeld zijn geworden tussen de invallende Arabische machten, om de doodeenvoudige reden dat geen enkele van de Arabische regimes in die regio de Palestijnen zagen als een aparte natie. Zoals de eminente Arabisch-Amerikaanse historicus Philip Hitti de gemeenschappelijke Arabische kijk uiteenzette tegenover de Anglo-Amerikaanse commissie van onderzoek in 1946: ďEr is niet zoiets als een Palestina in de geschiedenis, niet in het minst!Ē

    Dit feit werd duidelijk onderkend door de Britse autoriteiten aan de vooravond van hun vertrek. Zoals een ambtenaar opmerkte in december 1947: ďHet ziet er niet naar uit dat Arabisch Palestina ooit zal bestaan, maar veeleer dat de Arabische landen elk een gedeelte zullen claimen als beloning voor hun aandeel [in de {komende} oorlog tegen IsraŽl], tenzij [de Transjordaanse] koning Abdullah snelle en gerichte actie onderneemt zodra de Britse terugtrekking is voltooidĒ. Enkele maanden later informeerde de Britse Hoge Commissaris voor Palestina, generaal Sir Alan Cunningham, de Minister van KoloniŽn, Arthur Creech Jones dat ďde meest aannemelijke regeling zou zijn, dat Syrie oostelijk Galilea zou krijgen, Abdullah Samaria en Hebron, en Egypte het zuidenĒ {zie kaartje 3 bij de staat IsraŽl}.

    De Britten hadden kennelijk een vooruitziende blik. Egypte noch JordaniŽ gunden de Palestijnen zelfbeschikking in Gaza en de Westbank; dat waren resp. de stukken van Palestina die door hen waren veroverd in de oorlog van 1948/49. En zelfs resolutie nr. 242 van de UN Veiligheidsraad, die na de Zesdaagse oorlog van 1967 het principe van Ďland voor vredeí vaststelde als de hoeksteen van toekomstige Arabisch-IsraŽlische vredesbesprekingen, voorzag geen vestiging van een Palestijnse staat. Integendeel: omdat de Palestijnen nog steeds niet werden gezien als een aparte natie, werd verondersteld dat elk gebied dat IsraŽl zou ontruimen, terug zou gaan naar zijn Arabische bezetters van vůůr 1967 Ė Gaza naar Egypte en de Westbank naar JordaniŽ. De resolutie noemde de Palestijnen zelfs niet bij naam, maar bevestigde in plaats daarvan de noodzaak 'voor een rechtvaardige oplossing van het vluchtelingenprobleem' Ė een term die niet alleen sloeg op de Palestijnen maar ook op de honderdduizenden Joden die uit Arabische staten waren verdreven als gevolg van de oorlog van 1948.

De Arabieren kennen geen 'Palestijnse' staat noch een 'Palestijns' volk

    In die tijd Ė het einde van de 1960-er jaren Ė werd het bestaan van Palestina als een natie afgewezen door de hele internationale gemeenschap, inclusief de westerse democratieŽn, de Sovjet-Unie (de kampioen supporter van het radicale Arabisme) en de Arabische wereld zelf. ĎGematigdeí Arabische heersers als de Hashemieten in JordaniŽ zagen een onafhankelijke Palestijnse staat als een dodelijke bedreiging voor hun eigen koninkrijk, terwijl de Saoediís het zagen als een potentiŽle bron van extremisme en onstabiliteit. Pan-Arabische nationalisten waren niet minder mordicus tegen, omdat ze hun eigen doelen voor die regio in gedachten hielden. Nog in 1974 noemde president Hafez al-Assad van SyriŽ Palestina openlijk als ďniet alleen een deel van het Arabische thuisland maar een onverbrekelijk deel van zuidelijk SyriŽĒ; er is geen reden om te denken dat hij er bij zijn dood in het jaar 2000 anders over dacht.

    Maar ook de bevolking van Westbank en Gaza-strook beschouwde zich niet als een aparte natie. De ineenstorting en verstrooiing van de Palestijnse gemeenschap, volgend op de nederlaag van 1948, had de altijd al fragiele gemeenschapsstructuur versplinterd, en de daarop volgende fysieke scheiding van de verschillende delen van de Palestijnse diaspora voorkwam de ontwikkeling van een nationale identiteit. De omringende Arabische regimes spanden actief samen om het opkomen van zoín idee te ontmoedigen. Nadat hij in de oorlog van 1948 de Westbank bezet had, was koning Abdullah er als de kippen bij om alle sporen van een mogelijke Palestijnse identiteit uit te wissen. Op 4 april 1950 werd het gebied formeel geannexeerd door JordaniŽ, zijn inwoners werden Jordaanse burgers en ze werden in toenemende mate geÔntegreerd in de economische, politieke en sociale structuren van het koninkrijk.

    Van zijn kant had had de Egyptische regering geen verlangen getoond om de Gaza-strook te annexeren maar regeerde het nieuw verworven gebied als een bezette militaire zone. Dit hield echter niet in dat er enige ondersteuning was van een Palestijns nationalisme of van enige soort van gemeenschappelijke politieke bewustwording onder de Palestijnen. De bevolking daar werd stevig in de greep gehouden, haar werd het Egyptische burgerschap onthouden, en zij was onderworpen aan strenge restricties wat reizen betreft.

IsraŽls beheer geen onderdrukking

    Wat gebeurde er in de periode na 1967, toen deze gebieden over gingen in IsraŽls handen? Is het werkelijk waar dat de Palestijnen in de Westbank en de Gaza-strook toen het slachtoffer werden van de ďgevarieerde, veelzijdige en alomvattende methoden van brutalisering en vervolging op grote schaalĒ, ooit bedacht door het menselijk brein?

    Niet in het minst. Zoín kwalificatie zou betekenen dat we onze afkeer van enkele goed-gedocumenteerde 20e eeuwse gebeurtenissen een heel eind naar beneden zouden moeten bijstellen, van de slachting onder de ArmeniŽrs in de Eerste Wereldoorlog en later, tot de griezelige kroniek van de tientallen en tientallen millioenen de vermoord werden, opgejaagd en verpletterd onder de hielen van despoten. In sterk contrast tot dit alles staat, dat er in de drie decennia van IsraŽls bestuur veel minder Palestijnen werden gedood door Joodse handen dan door koning Hoessein van JordaniŽ in die ene maand september 1970, toen hij een poging van Yasser Arafat en zijn PLO om zijn koningschap te vernietigen afsloeg en daarbij (volgens de Palestijnse geleerde Yezid Sayigh) tussen de 3.000 en 5.000 Palestijnen van kant liet maken, waaronder 1.500 tot 3.500 burgers. Evenzo overstijgt het aantal onschuldige Palestijnen dat gedood werd door hun Kuweitse gastheren in de winter van 1991 voor hun support van Saddam Husseins brutale bezetting van Kuweit, verre dat van Palestijnse oproerkraaiers en terroristen, die hun leven lieten in de eerste intifada tegen IsraŽl gedurende de tweede helft van de 1980-er jaren.

    Afgezien van zulke grove vergelijkingen, is het voorstellen van de IsraŽlische bezetting van Westbank en Gaza-strook als Ďsystematische onderdrukkingí de omkering van de waarheid. We moeten ons allereerst realiseren dat deze Ďbezettingí niet het gevolg was van een soort groots expansionistisch ontwerp maar veeleer toevallig ontstond ten gevolge van IsraŽls succes tegen een pan-Arabische poging om het te vernietigen. Toen de IsraŽlisch-Egyptische vijandelijkheden begonnen op 5 juni 1967 probeerde de IsraŽlische regering in het geheim koning Hoessein van JordaniŽ Ė de feitelijke machthebber in de Westbank Ė er van te overtuigen, geen militaire actie te ondernemen; maar dit pleidooi werd afgewezen door de Jordaanse monarch die geen zin had om de verwachte buit van wat gezien werd als de Ďlaatste rondeí van de Arabieren tegen IsraŽl aan zijn neus voorbij te zien gaan.

IsraŽls terughoudendheid in de 'gebieden'

        Zo gebeurde het dat aan IsraŽl bij het einde van het conflict onverwacht en onbedoeld het beheer over rond ťťn millioen Palestijnen ten deel viel, terwijl het geen idee had over hun toekomstige politieke status noch een concreet beleid voor hun bestuur. De enige doelstelling die door de toenmalige minister van Defensie, Moshe Dayan, in die na-oorlogse tijd werd gehanteerd was, om het normale leven in die gebieden voort te laten gaan door middel van een mix van economische injecties en een minimum aan IsraŽlische interventie. De gedachte was om de lokale bevolking de vrijheid te laten om zichzelf te regeren zoals zij wensten, en hen de mogelijkheid te geven om geregeld contact te hebben met de Arabische wereld door middel van de bruggen over de Jordaan. In scherp contrast met bijv. de Amerikaanse bezetting van het naoorlogse Japan, waar een algemene censuur over alle Japanse media en een alomvattende revisie van schoolboeken en leermiddelen werd doorgevoerd, deed IsraŽl geen poging om de Palestijnse cultuur te hervormen. Het beperkte zijn toezicht op de Arabische pers in de gebieden tot militaire en veiligheids-zaken, en liet in de lokale scholen het verdere gebruik van Jordaanse tekstboeken toe, die bol stonden van walgelijke antisemitische en anti-IsraŽl propaganda.

    IsraŽls terughoudendheid in dit opzicht Ė die uiteindelijk dramatisch verkeerd uitpakte Ė is maar ťťn deel van het verhaal. Het andere, grotere, deel, dat nog steeds niet in alle details is verteld, is dat van de verbazingwekkende sociale en economische vooruitgang van de Palestijnse Arabieren onder IsraŽls Ďonderdrukkingí. Bij het begin van de bezetting waren de omstandigheden in de gebieden gruwelijk. De levensverwachting was laag; ondervoeding, infectieziekten en kindersterfte waren alomtegenwoordig. Vůůr 1967 had minder dan 60 percent van de mannelijke bevolking werk, en de werkloosheid onder de vluchtelingen lag rond de 83 procent. Al korte tijd na de oorlog had de IsraŽlische bezetting geleid tot dramatische verbeteringen in het algemene welzijn, wat de bevolking van die gebieden een voorsprong gaf op de meeste van hun Arabische buurvolken.

IsraŽls beheer een zegen in economisch en welzijns-opzicht

    Op economisch gebied was het grootste deel van deze vooruitgang te danken aan hun toegang tot de veel grotere en verder ontwikkelde IsraŽlische economie: het aantal Palestijnen dat in IsraŽl werkte steeg van nul in 1967 naar 66.000 in 1975 en 109.000 in 1986, dat is ongeveer 35 procent van de werkende bevolking van de Westbank en 45 procent van die in de Gaza-strook. Bijna 2.000 bedrijven werden in die gebieden gevestigd en gaven werk aan zowat de helft van de werkende bevolking daar.

    Gedurende de 1970-er jaren bezetten de Westbank en Gaza-strook de vierde plaats op de wereldranglijst van snelst-groeiende economieŽn, nog vůůr zulke Ďwonderení als Singapore, Hong Kong en Zuid-Korea, en een heel eind vůůr IsraŽl zelf. Hoewel het Bruto Nationaal Product per hoofd van de bevolking (BNPc) wat langzamer groeide, was die groei toch nog hoog naar internationale standaards, waarbij het BNPc vertienvoudigde tussen 1968 en 1991, van $ 165 naar $ 1.715 (vergelijk JordaniŽ $ 1.050, Egypte $ 600, Turkije $ 1.630 en TunesiŽ $ 1.440). In 1999 was het Palestijnse BNPc vrijwel tweemaal dat van SyriŽ, meer dan viermaal dat van Jemen en 10 procent hoger dan dat van JordaniŽ (een van de beste Arabische staten). Alleen de olierijke Golfstaten en Libanon waren welvarender.

    Onder het IsraŽlische beheer maakten de Palestijnen ook grote voortgang in sociaal welzijn. Misschien wel het meest opvallend was dat de sterftecijfers in de Westbank en de Gaza-strook met 2/3 omlaag gingen tussen 1970 en 1990, terwijl de levensverwachting omhoog ging van 48 jaar in 1967 tot 72 in 2000 (in vergelijking met een gemiddelde van 68 jaar voor alle landen van het Midden-Oosten en Noord-Afrika). IraŽlische medische programmaís reduceerden de kindersterfte van 60 per 1000 levensgeborenen in 1968 tot 15 per 1000 in het jaar 2000 (in Irak is dat 64, in Egypte 40, In JordaniŽ 23, in SyriŽ 22). En door een systematisch inentingsprogramma werden kinderziekten als polio, kinkhoest, tetanus en mazelen uitgeroeid.

    Niet minder opvallend was de vooruitgang in de levensstandaard van de Palestijnen. In 1986 had 92,8 procent van de bevolking in Westbank en Gaza-strook ononderbroken elektriciteit, tegen 20,5 procent in 1967; 85 procent had stromend water tegen 16 procent in 1967; 83,5 procent kookte elektrisch of op gas tegen 4 procent in 1967; en hetzelfde geldt voor koelkasten, TVs en autoís.

    Tenslotte, wat misschien het meest treffend is: gedurende de twee decennia die aan de intifada aan het eind van de 1980-er jaren vooraf ging steeg het aantal schoolkinderen met 102 procent en het aantal schoolklassen met 99 procent, terwijl de bevolking zelf met slechts(!) 28 procent groeide. Nog dramatischer was de vooruitgang in het hoger onderwijs. Toen IsraŽl deze gebieden onder beheer kreeg, bestond er geen enkele universiteit. In het begin van de 1990-er jaren waren er zeven van zulke instituten, die zoín 16.500 studenten herbergden. Analfabetisme liep terug tot 14 procent onder volwassenen boven 15 jaar, vergeleken met 69 procent in Marokko, 61 procent in Egypte, 45 procent in TunesiŽ en 44 procent in SyriŽ.

De gevolgen van IsraŽls terughoudendheid

    Dit alles Ė zoals ik heb aangegeven Ė vond plaats tegen de achtergrond van IsraŽls Ďhands-offí beleid in de politieke en bestuurlijke sfeer. Zelfs toen de PLO (tot 1982 gevestigd in Libanon en daarna in TunesiŽ) zijn doorgaande toewijding aan de vernietiging van de Joodse staat afkondigde, deden de IsraŽli's verrassend weinig om zijn politieke invloed in de gebieden te beperken. De publicatie van pro-PLO hoofdartikelen in de lokale pers was toegestaan, en anti-IsraŽl activiteiten door PLO-supporters werden toegelaten zolang die geen openlijke aansporingen tot geweld bevatten. IsraŽl stond ook het vrije verkeer van door de PLO beheerde fondsen toe, een beleid dat Minister van Defensie Ezer Weizmann in 1978 verdedigde met de volgende (misleidende) woorden: ďHet geeft niet dat zij geld krijgen van de PLO, zo lang zij er maar geen wapenfabrieken van bouwenĒ. Ook moedigde IsraŽl niet de vorming van Palestijnse politieke instituties aan, die een tegenwicht tegen de PLO zouden kunnen vormen, enkele uitzonderingen daargelaten. Het gevolg was dat de PLO zich langzaam aan in de gebieden vestigde als de overheersende macht daar, zodat het pragmatische traditionele leiderschap naar de periferie van het politieke systeem werd verbannen.

De PLO grijpt zijn kans om een terreurstaat te vestigen

    Als we kijken naar de extreme en eigenlijk zelfvernietigende laksheid van IsraŽls bestuurlijk beleid, is het opvallend dat het nog zolang geduurd heeft voordat de PLO erin geslaagd was, de bewoners van de Westbank en de Gaza-strook te verleiden tot de volksopstand tegen de Joodse staat. Hier moeten IsraŽls maatregelen tegen oproer genoemd worden, alsook het lage niveau van nationaal bewustzijn onder de Palestijnen en de enorme snelheid en omvang van de verbeteringen in hun levensstandaard. Een feit blijft echter dat er in de 25 jaar vanaf de bezetting tot de start van het Oslo-vredesproces in 1993 zeer weinig Ďgewapend verzetí was, en dat de meeste terroristische aanslagen van buiten de gebieden kwamen: vanuit JordaniŽ tot eind van de 1960-er jaren en vervolgens vanuit Libanon.

    In een poging om deze verontrustende omstandigheid te verdoezelen, adopteerde Al-Fatah, de grootste organisatie binnen de PLO, de slagzin: ďer is geen verschil tussen binnen en buiten (de gebieden)Ē. Maar er was wel degelijk een verschil, en een tamelijk fundamenteel zelfs. Over het algemeen wilden de bewoners van de gebieden verder gaan met hun leven en gebruik blijven maken van de mogelijkheden die het IsraŽlisch bestuur hen bood. Zou de Westbank eventueel aan JordaniŽ zijn teruggegeven, dan zouden zijn inwoners waarschijnlijk weer Jordaanse burgers zijn geworden, wat zij ook al waren vůůr 1967. Maar als IsraŽl de opkomst van de invloed van de PLO in de gebieden zou hebben voorkomen, dan zou er mogelijk een lokaal leiderschap zijn opgekomen dat beter was afgestemd op de belangen en wensen van de mensen en meer geneigd tot vreedzaam samenleven met IsraŽl.

    Maar dat gebeurde niet. Rond het midden van de 1970-er jaren had de PLO zichzelf opgeworpen tot de Ďenige vertegenwoordiger van het Palestijnse volkí en niet lang daarna trokken JordaniŽ en Egypte hun handen terug van de Westbank en de Gaza-strook. Wat ook de verlangens van de bevolking in die gebieden mochten zijn, de PLO had vanaf het ogenblik van zijn onstaan in het midden van de 1960-er jaren Ė ruim voor de oorlog van 1967 Ė geroepen dat het zijn Ďrevolutie tot de overwinningí zou voeren. En dat betekende de vernietiging van de Joodse staat. Eenmaal zijn positie veiliggesteld, heeft het exact dat geprobeerd.

    Rond het midden van de 1990-er jaren had de PLO Ė dank zij Oslo Ė een stevige voet aan de grond in de Westbank en Gaza. Officieel heette het dat de PLO het fundament voor een Palestijnse staat zou leggen, maar zijn feitelijke doel was om datgene te doen waarin het goed was, namelijk het opzetten van een omvangrijke terroristische infrastructuur en deze te gebruiken tegen zijn IsraŽlische Ďvredespartnerí. In het begin gebeurde dit nog min of meer verborgen, door groen licht te geven aan andere terroristische organisaties zoals Hamas en de Islamitische Jihad, maar na enige tijd opereerde het openlijk en direct.

IsraŽl trekt zich terug onder internationale druk

    Maar wat had dit allemaal te maken met IsraŽls Ďbezettingí? De verklaring die in 1993 op het gazon van het Witte Huis door de PLO en de IsraŽlische regering werd ondertekend, voorzag in een Palestijns zelfbestuur in de hele Westbank en de Gaza-strook voor een overgangsperiode van niet meer dan vijf jaar, gedurende welke tijd IsraŽl en de Palestijnen over een permanent vredesverdrag zouden onderhandelen. Gedurende deze interim-periode zouden de gebieden worden bestuurd door een Palestijnse Nationale Raad die vrij en democratisch gekozen moest worden nadat IsraŽls strijdkrachten waren teruggetrokken uit zowel de Gaza-strook alsook de bevolkte gebieden van de Westbank.

    In mei 1994 had IsraŽl zich teruggetrokken uit de Gaza-strook (met uitzondering van een smalle strook waarin IsraŽlische nederzettingen) en het gebied rond Jericho op de Westbank. Op 1 juli {1994} hield Arafat zijn triomfantelijke intocht in Gaza. Op 28 september 1995 tekenden de twee partijen een interim overeenkomst, ondanks Arafats treurige falen om de terroristische activiteiten in te dammen in de gebieden die nu onder zijn beheer stonden. Aan het einde van dat jaar waren de IsraŽlische strijdkrachten teruggetrokken uit de bevolkte gebieden van de Westbank met uitzondering van Hebron (waar de terugtrekking voltooid werd in het begin van 1997). Op 20 januari 1996 werden er verkiezingen gehouden voor de Palestijnse Nationale Raad en kort daarna werden zowel het IsraŽlisch burgerlijk bestuur alsook het militaire gezag ontbonden.

    De geografische reikwijdte van deze IsraŽlische terugtrekkingen was betrekkelijk beperkt; het overgedragen territorium bedroeg zoín 30 procent van het totale territorium van de Westbank. Maar zijn invloed op de Palestijnse bevolking was niet minder dan revolutionair. In ťťn klap gaf IsraŽl het beheer over nagenoeg alle 1,4 millioen inwoners van de Westbank uit handen. Vanaf die tijd leefde bijna 60 procent van hen Ė in het gebied van Jericho en de steden Jenin, Nablus, Tulkarm, Qalqilya, Ramallah, Bethlehem en Hebron Ė geheel onder Palestijns gezag. De andere 40 procent woonden in stadjes, dorpen, vluchtelingenkampen en gehuchten waar de Palestijnse Nationale Autoriteit het burgerlijk gezag uitoefende maar waar IsraŽl Ė in overeenstemming met de Oslo-accoorden Ė Ďde uiteindelijke verantwoordelijkheid heeft voor de veiligheidí. Rond twee procent van de bevolking van de Westbank Ė enkele tienduizenden Palestijnen Ė woonden in gebieden waar IsraŽl nog het complete gezag uitoefent, maar zelfs daar oefent de Palestijnse Nationale Autoriteit Ďfunctioneel gezagí uit.

    Samenvattend: sinds het begin van 1996 en zeker na de complete terugtrekking uit Hebron in januari 1997 leeft 99 procent van de Palestijnse bevolking van Westbank en Gaza-strook niet meer onder IsraŽlische bezetting. Geen enkele manipulatie van woorden en begrippen kan het anti-IsraŽl geweld dat in die jaren uit deze gebieden opwelde kwalificeren als verzet tegen vreemde overheersing. Zoín overheersing of bezetting is er in die jaren niet geweest.

Terrorisme omgekeerd evenredig met IsraŽls greep op de 'gebieden'

    De koppige Palestijnse volharding in het terrorisme is dus niet toe te schrijven aan voortdurende bezetting. Want veel van de ergste gewelddaden tegen IsraŽlische burgers vonden niet plaats op ogenblikken van verstoring in het Oslo Ďvredesprocesí Ė volgens de mantra van de Palestijnse woordvoerders en hun trawanten Ė maar juist op de hoogtepunten, als het vooruitzicht van IsraŽls terugtrekking het meest nabij scheen.

    Zelfmoordaanslagen werden bijvoorbeeld geÔntroduceerd in de atmosfeer van euforie, slechts enkele maanden na de historische handdruk van Rabin en Arafat op het gazon van het Witte Huis: acht mensen werden vermoord in april 1994 toen ze in een bus zaten in de stad Afula. Zes maanden later werden 21 IsraŽliís vermoord in een bus in Tel Aviv. In het daarop volgende jaar eisten vijf aanslagen het leven van nog eens 38 IsraŽliís. Gedurende de korte regering van de duif Shimon Peres (november 1995-mei 1996) werden, na de moord op Yitzhak Rabin, nog eens 58 IsraŽliís vermoord binnen ťťn week, in drie zelfmoordbombardementen in Jeruzalem en Tel Aviv.

    Nog verder wordt deze Ďstandaardí zienswijze ondermijnd door het feit dat het terrorisme grotendeels tot een eind kwam na de verkiezing van Benjamin Netanyahu in mei 1996 en de daarop volgende vertraging in het Oslo-proces. Tijdens Netanyahuís drie regeringsjaren werden ongeveer 50 IsraŽliís vermoord in terroristische aanslagen, {17 per jaar} dat is ťťn derde van die verhouding tijdens Rabins regering {45 per jaar} en ťťn zesde van die tijdens Peresí regering {99 per jaar}.

Economische gevolgen van de terreur

    Er is ook een materiŽle kant aan dit afglijden in terrorisme. Tussen 1994 en 1996 hadden de regeringen van Rabin en Peres herhaalde afsluitingen opgelegd aan de gebieden om de vloedgolf van terrorisme volgend op de Oslo-accoorden te keren. Dit leidde tot een snelle afbraak van de Palestijnse economie. Doordat arbeiders niet meer in IsraŽl konden gaan werken, steeg de werkloosheid snel, tot zoín 50 procent in Gaza. Het goederenverkeer tussen IsraŽl en de gebieden, alsook tussen Westbank en Gaza-strook werd nam dramatisch af, waardoor de export werd vertraagd en potentiŽle particuliere investeerders werden afgeschrikt.

    De economische situatie in de gebieden begon te verbeteren tijdens de regering van Netanyahu, omdat de snelle afname van het terrorisme aanleiding gaf tot opheffing van een aantal afsluitingen. Het reŽle BNPc groeide 3,5 procent in 1997, 7,7 procent in 1998 en 3,5 procent in 1999, terwijl de werkloosheid werd gehalveerd. Aan het begin van 1999 was de economie in Westbank en Gaza-strook volledig hersteld, volgens de Wereldbank.

Conclusies en samenvatting

    Toen, bij weer een ander keerpunt, trad Ehud Barak aan, die in de loop van een wervelende zes maanden in eind 2000 en begin 2001 aan Yasser Arafat een definitief einde van de IsraŽlische aanwezigheid toezegde, die vrijwel de hele Westbank en de Gaza-strook aan de wordende Palestijnse staat aanbood, samen met nog enkele stukken van IsraŽls grondgebied, en die adembenemende concessies deed betreffende IsraŽls hoofdstad Jeruzalem. Echter, Arafats antwoord was: oorlog. Sinds die begon, heeft de Palestijnse campagne duizenden brute aanslagen op IsraŽls burgers uitgevoerd Ė zelfmoordaanslagen, beschietingen in het voorbijrijden, messteken, lynchpartijen en stenigingen Ė waardoor meer dan 500 mensen werden vermoord en rond 4.000 gewond.

    In de twee decennia van IsraŽls bezetting voorafgaande aan de Oslo-accoorden, werden zoín 400 IsraŽliís vermoord, en sinds de ondertekening van dat Ďvredesverdragí verloren nog eens tweemaal zoveel mensen hun leven in terroristische aanslagen. Als de bezetting de oorzaak van het terrorisme is, waarom was het dan redelijk zeldzaam gedurende jaren van werkelijke bezetting, waarom namen ze dan toe in het vooruitzicht van het einde aan de bezetting, en waarom escaleerde het in een openlijke oorlog na IsraŽls meest ver-strekkende concessies ooit? Het is in tegendeel veel waarschijnlijker dat het ontbreken van bezetting Ė nl. het beŽindigen van de nauwlettende IsraŽlische surveillance Ė de belangrijkste oorzaak is geweest van het ontstaan van de terroristenoorlog.

    Er zijn grenzen aan IsraŽls bekwaamheid om een kwaadaardige vijand in een vredespartner om te turnen, en die grenzen zijn al lang bereikt. Om Baruch de Spinoza te citeren: vrede is niet de afwezigheid van oorlog, maar veel meer een geesteshouding: een toeneiging naar weldoen, vertrouwen en gerechtigheid. Vanaf de dag dat de Zionistische beweging werd geboren tot op de dag van vandaag is deze geesteshouding opvallend afwezig geweest in de geest van de Palestijnse leiders.

    Niet de bezetting in 1967 leidde tot de Palestijnse afwijzing van een vreedzaam samenwonen en tot hun jagen naar geweld. Palestijns terrorisme begon al lang voor 1967 en ging voort, en verhevigde, nadat de bezetting eindigde. Wat er werkelijk aan de hand is, is de blijvende Arabische opvatting dat het ontstaan van de Joodse staat zelf een oorspronkelijke daad van Ďonmenselijke bezettingí is, en hiermee is elk soort van compromis buiten het gebied van het mogelijke komen liggen. Zolang deze gezindheid niet verandert, dat is: zolang er niet een nieuw leiderschap opkomt, zal de idee van vrede in de context van het Arabische Midden-Oosten niets anders betekenen dan de voortzetting van de oorlog onder een andere naam.

---------------------------------------------------------------------

Naschrift van de vertaler: Het religieuze aspect van het conflict is door de schrijver volledig buiten beschouwing gelaten. Toch is dat m.i. de onderliggende oorzaak van het conflict. Zie mijn artikel over de staat IsraŽl.

 

Up Israel en de kerk Over Jakob en Esau Beloften Abraham Beloofde land Tekst Zacharia 12-14 De staat IsraŽl Antisemitisme Israelische bezetting

free web hit counter