Rinus Kiel over Bijbel, cultuur en wetenschap

Reageren? Zie home-page                                                                                

======================================================

Home
Site-map
Updates
Deze site + mijzelf
Bijbel en theologie
Israel - volk en land
Filosofische items
Denken en cultuur
Wetenschap
Actualiteiten
Klimaat
Presentaties
Boeken
Weblinks

(Bijbel en theologie / Wie is Jezus?)

Up Is Jezus God? Verzoening Jezus Oude Testament Jezus en de Torah

Jezus en de Torah

Nieuw 14/02/2001

Zoek op deze website

Samenvatting: Jezus' omgang met de Torah, de 'wet van Mozes' roept vragen op. Mag hij maar alles doen, en uitleggen naar believen? Staat hij misschien boven de wet? Hoe zit dat?

    De vraag die telkens in je opkomt, als je ziet hoe Jezus met de Torah en de geboden omgaat, is: welke positie neemt Jezus in ten opzichte van deze Torah? Hij is het Woord van God, dat de Torah aan Mozes gaf. Mag Hij nu daarmee naar willekeur omgaan? Vaak lijkt het of Jezus daarmee op een heel losse manier omgaat, maar aan de andere kant is Hij juist heel streng in de interpretatie. Kijk maar naar de strenge dingen die Hij zegt in de Bergrede: geen tittel of jota van de Torah zal vergaan voor alles is geschied, en zijn advies aan de discipelen in Matteüs 23, om alles wat de Farizeeën en Schriftgeleerden zeggen, te doen.

     Het antwoord moet wel zijn – denk ik – dat Jezus de Torah uitlegt tegen de enig mogelijke achtergrond: hoe de mensen zich tot God en tot elkaar verhouden wordt bepaald door het grote gebod van de liefde. Maar omdat mensen gemakkelijk geneigd zijn, om de invulling naar eigen hand te zetten, heeft God dat grote gebod geconcretiseerd in een groot kader: de Tien Geboden. Elk van deze geboden bestrijkt een globaal aspect van de verhouding tot God en van mensen tot elkaar. Nu is deze Torah aan het Joodse volk gegeven in een bepaalde setting. De letterlijke tekst en de daarin genoemde voorbeelden zijn op die toenmalige situatie toegesneden. Sterker geldt dat nog voor de op die Tien Woorden geënte voorschriften. Telkens zal het dus weer nodig zijn, om de bepalingen aan veranderde omstandigheden aan te passen. Bijvoorbeeld: op dit ogenblik is het geen enkele Jood mogelijk om offers in de tempel te brengen. Om praktische redenen worden al deze bepalingen NU dus niet in acht genomen.

     Jezus haalt nu – als het ware achterom die eeuwenlange invulling met geboden en regels heen – de oorspronkelijke bedoeling weer naar voren, dat waarom het allemaal begonnen was. Dus als er de keuze is tussen een leven redden en een leven afbreken door bijv. steniging, kiest Jezus voor het eerste. Maar niet tegen elke prijs. Zijn indringende boodschap aan de vrouw die (Joh. 8) op overspel was betrapt, is dan ook “zondig vanaf nu niet weer!” Anticipeert Jezus hier al niet op de komst van de Heilige Geest, die Gods wetten in de harten van de mensen zal schrijven? Laten we eens zien hoe Hij dat in concrete gevallen uitwerkt:

    In een parallelle groep werd de Bergrede (Matteüs) behandeld, daarom is hier gekozen voor het evangelie van Marcus, en wel:

1  Marcus 2:23-3:6:    Aren plukken en genezen op sabbat

2  Marcus 7:1-23:       Joodse reinigingsgebruiken

3  Marcus 10:17-27:   De “rijke jongeling”

4  Marcus 12:28-34:   Het grote gebod

Omdat het er in de praktijk toch weinig van komt om de Bijbel op te slaan en zelf na te lezen, volgen hier de genoemde Bijbelgedeelten.

1  Marcus 2:23-3:6:    Aren plukken en genezen op sabbat

    (23) Eens liep hij op een sabbat tussen de korenvelden door. Zijn leerlingen gingen de velden in en begonnen aren te plukken. (24) ‘Kijk eens!’ zeiden de Farizeeën tegen hem. ‘Waarom doen ze iets dat op sabbat niet mag?’ (25) Maar hij antwoordde: ‘Hebt u dan nooit gelezen wat David deed toen hij en zijn metgezellen gebrek leden en honger hadden? (26) Hij ging het huis van God binnen – Abjatar was toen hogepriester – en at van de toonbroden, waarvan alleen de priesters mogen eten. En hij gaf ze ook aan zijn mannen te eten.’ (27) En hij voegde eraan toe: ‘De sabbat is er voor de mens, en niet de mens voor de sabbat; (28) en dus is de Mensenzoon ook heer en meester over de sabbat.’

    (3:1) Weer ging hij naar de synagoge. Daar was iemand met een verschrompelde hand. (2) Ze letten op hem om te zien of hij die op sabbat zou genezen, zodat ze hem zouden kunnen aanklagen. (3) Hij zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Kom in het midden staan.’ (4) Aan de anderen vroeg hij: ‘Wat mag men op sabbat doen: goed of kwaad? Een leven redden of het vernietigen?’ Maar ze zwegen. (5) Hij keek hen boos aan, maar ook diepbedroefd vanwege hun hardleersheid, en toen zei hij tegen de man die in het midden stond: ‘Steek uw hand uit.’ Hij stak zijn hand uit en er kwam weer leven in. (6) De Farizeeën verlieten de synagoge en gingen meteen met de Herodianen overleggen hoe ze hem uit de weg zouden kunnen ruimen.

     Het sabbatsgebod was zeer streng. Op overtreding stond steniging. Nehemia zag er indringend op toe, dat er op sabbat geen handel werd gedreven binnen de muren van Jeruzalem. Hij nam krasse maatregelen tegen overtreding daarvan. Toch werd er in zijn tijd niemand meer gestenigd voor overtreding, hoewel er wel forse taal en geweld werd gebruikt tegen de overtreders. De grond daarvoor was het feit, dat Israël en Juda in ballingschap zijn gegaan omdat ze de sabbatsjaren niet hebben gehouden. Maar Jezus wijst in dit gedeelte op David, die een duidelijke regel overtrad, evenals de betreffende priester. We lezen nergens dat daarop een straf volgde. Kennelijk was het goed, dat in geval van nood de regels werden gebroken om het achterliggende gebod der liefde niet krachteloos te maken.

    In het tweede gedeelte past Jezus de regel toe, dat het redden van een leven belangrijker is dan het opvolgen van regels, hoe goed deze op zich ook zijn. Hij let dus altijd op het kader, de grond van de Torah, en wijkt van de regels af in geval van nood.

    Nu is Jezus' omgang met de sabbat verschillend van zijn omgang met de andere geboden. Dat blijkt ook al in de Bergrede, waar het sabbatsgebod eigenlijk alleen ter sprake komt naar zijn bedoeling, nl. het vertrouwen op God. We zien dat in zijn opmerkingen over de 'ware schat' en over bezorgdheid (Matteüs 6:19-34).

2  Marcus 7:1-23:       Joodse reinigingsgebruiken

    (1) Ook de Farizeeën en enkele van de schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren gekomen, hielden zich in zijn nabijheid op. (2) En toen ze zagen dat sommige leerlingen brood aten met onreine handen, dat wil zeggen, met ongewassen handen (3) (de Farizeeën en alle andere Joden eten namelijk pas als ze hun handen gewassen hebben, omdat ze zich aan de traditie van hun voorouders houden, (4) en als ze van de markt komen, eten ze pas als ze zich helemaal gewassen hebben, en er zijn nog allerlei andere tradities waaraan ze zich houden, zoals het schoonspoelen van bekers en kruiken en ketels), (5) toen vroegen de Farizeeën en de schriftgeleerden hem: ‘Waarom houden uw leerlingen zich niet aan de tradities van onze voorouders en eten ze hun brood met onreine handen?’ (6) Maar hij antwoordde: ‘Wat is de profetie van Jesaja toch toepasselijk op huichelaars als u! Er staat immers geschreven:

        “Dit volk eert mij met de lippen,

        maar hun hart is ver van mij;

        (7) tevergeefs vereren ze mij,

        want ze onderwijzen hun eigen leer,

        voorschriften van mensen.”

(8) De geboden van God geeft u op, maar aan tradities van mensen houdt u vast.’ (9) En hij vervolgde: ‘Mooi is dat, hoe u Gods geboden ongeldig maakt om uw eigen tradities overeind te houden! (10) Heeft Mozes niet gezegd: “Toon eerbied voor uw vader en uw moeder”, en ook: “Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood gebracht worden”? (11) Maar u leert dat iemand tegen zijn vader of moeder mag zeggen: “Alles wat van mij is en voor u van nut had kunnen zijn is korban”’ (wat ‘offergave’ betekent), (12) ‘waarmee u hem niet toestaat nog iets voor zijn vader of moeder te doen, (13) en zo ontkracht u het woord van God door de tradities die u doorgeeft; en u doet nog veel meer van dit soort dingen.’ (14) Nadat hij de menigte weer bij zich had geroepen, zei hij: ‘Luister allemaal naar mij en kom tot inzicht. (15) Niets dat van buitenaf in de mens komt kan hem onrein maken, het zijn de dingen die uit de mens naar buiten komen die hem onrein maken.’ (16,17) Toen hij een huis was binnengegaan, weg van de menigte, vroegen zijn leerlingen hem om uitleg over deze uitspraak. (18) Hij zei tegen hen: ‘Begrijpen ook jullie het dan nog niet? Zien jullie dan niet in dat niets dat van buitenaf in de mens komt, hem onrein kan maken (19) omdat het niet in zijn hart, maar in zijn maag komt en in de beerput weer verdwijnt?’ Zo verklaarde hij alle spijzen rein. (20) Hij zei: ‘Wat uit de mens komt, dat maakt hem onrein. (21) Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, (22) overspel, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed, dwaasheid; (23) al deze slechte dingen komen van binnenuit, en die maken de mens onrein.’

    Hier hekelt Jezus het naleven van regels en geboden, terwijl de liefde, waartoe juist die geboden gegeven zijn, tekort komt. God wil onze gaven niet hebben, als wij daardoor onze medemensen tekort doen. Het tweede gedeelte heeft een verrassende uitspraak. Jezus bespreekt de hele set van reinigingsgeboden en regels die de Joodse leiders hadden opgesteld. Maar, zegt Hij, die leiden de aandacht maar af van waar het werkelijk om gaat. Minutieus handen en kopjes, borden, schotels en bestek reinigen om maar geen onreine dingen naar binnen te laten komen, niks mis mee. Goede hygiëne is nodig. Maar waar blijft de aandacht voor wat er uit een mens naar buiten komt. Met onze taal en opmerkingen kunnen we de liefde verschrikkelijk geweld aandoen. We kunnen er anderen, en ook onszelf, vreselijk mee beschadigen. Daarop moet de aandacht gericht worden. En, als het ware terloops, schuift Jezus alle voorschriften met betrekking tot het verschil tussen rein en onrein, voor zover het eten betreft, terzijde. Daarmee verklaart Hij die hele reinigingsritus voor afgedaan. Als later Petrus zo'n moeite heeft om bij de heiden Cornelius binnen te gaan, laat God hem in een visioen driemaal zien, dat die zaak voorbij is. En Paulus schrijft in die gedeelten in zijn brieven, die over het eten van offervlees gaan, nog heel wat ruimer. Allemaal het gevolg van Jezus' opmerking hier. Buitengewoon vér-strekkend, dus. Mocht Jezus dat doen? Dat zien we verderop.

3  Marcus 10:17-27:   De “rijke jongeling”    

    (17) Toen hij zijn weg vervolgde, kwam er iemand naar hem toe die voor hem op zijn knieën viel en vroeg: ‘Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’ (18) Jezus antwoordde: ‘Waarom noemt u mij goed? Niemand is goed, behalve God. (19) U kent de geboden: pleeg geen moord, pleeg geen overspel, steel niet, leg geen vals getuigenis af, bedrieg niemand, toon eerbied voor uw vader en uw moeder.’ (20) Toen zei de man: ‘Meester, sinds mijn jeugd heb ik me daaraan gehouden.’ (21) Jezus keek hem liefdevol aan en zei tegen hem: ‘Eén ding ontbreekt u: ga naar huis, verkoop alles wat u hebt en geef het geld aan de armen, dan zult u een schat in de hemel bezitten; kom dan terug en volg mij.’ (22) Maar de man werd somber toen hij dit hoorde en ging terneergeslagen weg; hij had namelijk veel bezittingen. (23) Jezus keek de kring rond en zei tegen zijn leerlingen: ‘Wat is het moeilijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan.’ (24) De leerlingen schrokken van zijn woorden. Maar Jezus zei nog eens uitdrukkelijk: ‘Kinderen, wat is het moeilijk om het koninkrijk van God binnen te gaan: (25) het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’ (26) Nu waren ze nog meer ontzet, en ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie kan er dan nog gered worden?’ (27) Jezus keek hen aan en zei: ‘Bij mensen is dat onmogelijk, maar niet bij God, want bij God is alles mogelijk.’

    Een, ondanks zijn eenvoud, moeilijk gedeelte. Wat moeten we hiermee? Bedoelt Jezus dat we alles wat we hebben, moeten verkopen en dan van anderen afhankelijk worden voor ons levensonderhoud. Dat zeker niet. In Paulus' brieven wordt regelmatig de nadruk gelegd op de noodzaak om in eigen onderhoud te voorzien en nog iets over te houden voor de behoeftige mensen. Hij is daarmee zeker niet met Jezus' onderwijs in tegenspraak. Wat is er dan wel aan de hand? Wel, deze jonge man was iemand die de letter van de wet nauwgezet had onderhouden. Hij had geen smerige dingen uitgehaald op sexueel gebied, was zijn vrouw trouw gebleven, had nooit iets van een ander ingepikt, liegen was hem vreemd, en zijn ouders hadden een goede en trouwe zoon aan hem. Toch niks mis mee? Waren er nog maar een paar miljoen van zulke!! Jezus vindt dat ook. Hij vat genegenheid op voor die prachtmens. En toch... Waar is bij deze man de brandende liefde voor zijn medemens? Waar is zijn hart? Jezus test hem en vindt de rots van zijn vertrouwen: zijn bezit. En dat ontneemt Hij hem. Hij had het goed gezien. Deze edele man woonde in zijn rijkdom, en vanuit deze veilige en secure positie was hij bezig een wetsgetrouw mens te zijn. Wat kan rijkdom een struikelblok zijn om je hart aan anderen te geven.

    Wat Jezus nu zegt, heeft op zijn leerlingen een verpletterende indruk. Kijk nu deze man eens: rijk, dus gezegend door God. Dat zal ook wel niet zomaar zijn! En dan een edel, wetsgetrouw mens. Beter kan toch niet. En tot tweemaal toe herhaalt Jezus, hoe moeilijk mensen met geld het Koninkrijk van God zullen binnengaan. De schatten - waar het hart aan is vastgeketend - zijn dan hier op aarde. Het bezit is de zekerheid. En ondanks alle goede daden, is het hart ver weg van de Heer. De Bijbel zegt dat God het hart van de mens met jaloersheid begeert. En bij deze man was al een andere "heer" die zijn hart in beslag had genomen.

    Waar uw schat is, daar zal uw hart zijn, zegt Jezus. Is ons bezit onze diepste veiligheid? Of behoort ons hart allereerst Hem toe? Dat is de vraag.

4  Marcus 12:28-34:      Het grote gebod

    (28) Een van de schriftgeleerden die naar hen geluisterd had terwijl ze discussieerden, en gemerkt had dat hij hun correct had geantwoord, kwam dichterbij en vroeg: ‘Wat is van alle geboden het belangrijkste gebod?’ (29) Jezus antwoordde: ‘Het voornaamste is: “Luister, Israël! De Heer, onze God, is de enige Heer; (30) heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht.” (31) Het op een na belangrijkste is dit: “Heb uw naaste lief als uzelf.” Er zijn geen geboden belangrijker dan deze.’ (32) De schriftgeleerde zei tegen hem: ‘Inderdaad, meester, wat u zegt is waar: hij alleen is God en er is geen andere God dan hij, (33) en hem liefhebben met heel ons hart en met heel ons inzicht en met heel onze kracht, en onze naaste liefhebben als onszelf betekent veel meer dan alle brandoffers en andere offers.’ (34) Jezus vond dat hij verstandig had geantwoord en zei tegen hem: ‘U bent niet ver van het koninkrijk van God.’ En niemand durfde hem nog een vraag te stellen.

    De schriftgeleerde, die Jezus hier ontmoet, die had het begrepen: de innerlijke houding van liefde en ontferming, die is het waarop de Torah gebouwd is. Deze man zegt het ook met zoveel woorden, dat het liefhebben van de naaste meer is dan offeren aan God. Dat is het! Dat is de prioriteit! Een groter gebod dan dit bestaat niet! Jezus zegt dan ook: je bent niet ver van het Koninkrijk van God. Was er nog een afstand dan? In Jezus is - zoals Hij zelf zegt - het Koninkrijk van God nabij gekomen. Het is er nog niet. Ondanks dat de Koning - incognito - in ons midden is. Wel, op die positie staat nu deze wetgeleerde. Niet ver van. Dichterbij kan (nog) niet. Hier raken Jezus' onderwijs en een echte Israëliet elkaar. Zó wil Jezus de Torah gelezen en gedaan hebben!

Tenslotte...

    Mag Jezus zomaar de Torah interpreteren zoals Hij wil? Nee, dat mag zelfs Jezus niet. Hij was - hier op aarde - een wetsgetrouwe Jood, waarschijnlijk van de richting van de Farizeeën. Hij onderhield de sabbat, ging op de feesten naar Jeruzalem, offerde ongetwijfeld in de tempel. Maar Hij is geen slaafse navolger van regels, om des regels wil. Hij gaat terug achter de gegeven Torah en haalt de bedoeling: liefde tot God en de naaste, naar voren. Van daaruit relativeert Hij de regels. Regels zijn altijd gebonden aan bepaalde situaties. Veranderen de situaties, dan veranderen de regels. Niet naar willekeur. Maar getoetst aan het grote gebod. Regels zijn naar hun aard star. Zij kunnen nooit het hele, rijk geschakeerde mensenleven in al zijn diversiteit omvatten. Zij schieten altijd tekort. Telkens weer zijn er omstandigheden, situaties, waarin de regels niet voorzien. Dan moet er geïnterpreteerd worden. Soms zijn de regels een keurslijf geworden. Je kan ook teveel willen regelen. Regelnichterij verraadt een groot wantrouwen ten opzichte van de medemens. In zo'n sfeer kan de liefde niet opbloeien. Daarom is Jezus soms zeer strikt, en soms zeer ruim in het omgaan met de Torah. Met Jezus is iets geheel nieuws gekomen: het nieuwe verbond, waarvan Jeremia al sprak. Dat verbond, waarin de wetten in de harten van de mensen worden gelegd, waarin ieder God mag leren kennen van hart tot hart, dat begint hier, bij Jezus. En in zijn geest, de Heilige Geest, mogen wij Hem daarin navolgen. Tot heil van mens en wereld.

Maar kweekt deze leer geen zorgeloze en goddeloze mensen?, zo vraagt de Heidelbergse Catechismus. En zij antwoordt: Nee, want het is onmogelijk dat iemand, die door een echt geloof in Christus is ingelijfd, geen vruchten der dankbaarheid zou voortbrengen. En daar laten we het bij.

Up Is Jezus God? Verzoening Jezus Oude Testament Jezus en de Torah