Rinus Kiel over Bijbel, cultuur en wetenschap

Reageren? Zie home-page                                                                                

======================================================

Home
Site-map
Updates
Deze site + mijzelf
Bijbel en theologie
Israel - volk en land
Filosofische items
Denken en cultuur
Wetenschap
Actualiteiten
Klimaat
Presentaties
Boeken
Weblinks

(Wetenschappelijke onderwerpen / IJstijd)

Up

De cycli van Milankovic

Nieuw 20/01/2017

Zoek op deze website

In de seculiere wetenschap wordt een hele serie ijstijden gepostuleerd, waarvan de tijdstippen worden aangegeven door de zgn. 'cycli van Milankovic'. Deze opvatting gaat ervan uit dat ijstijden ontstaan als het maar voldoende koud wordt. De aangenomen lange chronologie moet worden opgevuld met gebeurtenissen, en daarvoor is één ijstijd eigenlijk onoldoende. Milankovic schijnt de redenen aan te reiken waarom er toch een hele serie geweest zijn. Zijn opvattingen worden nog vrijwel als axioma gehanteerd.

Inleiding

    In de seculiere wetenschap gaat men uit van een miljarden jaren durende aardgeschiedenis. Dat was oorspronkelijk niet zo. In de 18e eeuw werd nog algemeen aangenomen dat de aarde 6000 jaar oud was (volgens de Masoretische tijdrekening) en dat de belangrijkste catastrofale gebeurtenis – met dramatische gevolgen – de zondvloed was in de tijd van Noach. Later kwam daar, door het werk van Louis Agassiz, het besef bij dat er enige tijd na die vloed een zeer koude periode moet zijn geweest, ijstijd genoemd. De chronologie in de Septuagint (Alexandrinus) wijst op een ouderdom van ruim 7200 jaar, wat de nodige ruimte biedt voor de na de vloed optredende gebeurtenissen. De afzettingen van de vloed zag men in het zgn. Paleozoïcum en de ijstijd-afzettingen in een recente laag, het Pleistoceen. Tussen die twee afzettingssystemen veronderstelde men dan nog allerlei gebeurtenissen die als gevolg hadden de lagen van het Mesozoïcum en de onderste lagen van het Cenozoïcum.

IJstijdfasen

    Die ene ijstijd was niet een enkelvoudige beweging, maar was te onderscheiden in enkele fasen, waarvan het Elsterien, het Saalien en het Weichselien de bekendste zijn. In het Weichselien werd Nederland niet meer door ijs bedekt, in het Elsterien werden alleen de noordelijke provincies bedekt, en in het Saalien had het ijs in Nederland zijn grootste uitbreiding, vanaf Nijmegen, langs de Utrechtse heuvelrug, het Gooi, en tot Alkmaar ongeveer. Deze fasen zijn ook terug te vinden in de studie van Dodwell, als schommelingen van de aardas op weg naar de huidige stand van 23,5 graden, na een brute verstoring.

Meer ijstijden?

    Maar de steeds uitdijende aardse chronologie beïnvloedde ook de ijstijd. Deze werd opgerekt van 2,6 miljoen tot 10.000 jaar geleden in plaats van -2100 tot -1500 ongeveer. De verschillende fasen werden nu ‘glacialen’ genoemd en de warmere periode ertussen ‘interglacialen’. Ook werd aangenomen dat ijstijden een periodiek verschijnsel zouden zijn en dat het niet bij één gebleven was. Waarom zouden er niet meer ijstijden geweest zijn? Er wordt nu aangenomen dat er in de laatste 2 miljoen jaar (!) 12 tot 18 van zulke ijstijden geweest zijn.

Oorzaken van die ijstijden

    De Servische wiskundige Milutin Milankovic (1879-1958) had zich tot taak gesteld om uit te zoeken waardoor die ijstijden werden veroorzaakt. Hij nam aan dat de bron was: de verminderde zoninstraling ten gevolge van drie verschillende bewegingen van de aarde rond zijn as en rond de zon. Die drie bewegingen waren:

1.    Variaties in de excentriciteit van de aardbaan

De aardbaan is niet een cirkel maar een ellips, met de zon in één van de brandpunten. De gegevens van Newton gaven aan dat deze excentriciteit varieerde als gevolg van de invloeden van andere planeten. Soms was de aardas meer elliptisch, soms was ze bijna cirkelvormig (zoals nu). De variatieperiode werd geschat op ruim 100.000 jaar.

2.     Variaties in de hoek die de aardas maakt met de ecliptica (obliquiteit).

Aangenomen wordt dat deze varieert van 22,1-24,5 graad. Hier gaf de studie van Newcomb naar deze variatie aanleiding om te besluiten tot ook een periodiciteit. Deze periode wordt geschat op 41.000 jaar.

3.     Een vooruitlopende tolbeweging van de aardas (precessie).

De stand van de aardas maakt nl. een tollende beweging ten opzichte van het vlak van de ecliptica. Dit is tamelijk nauwkeurig vastgesteld. Eén volledige cyclus zou ongeveer 26.000 jaar bedragen.

Wanneer deze drie bewegingen worden gecombineerd, dan zijn er minima en maxima in de temperaturen op het noordelijk en het zuidelijk halfrond. Een minimum zou dan de aanleiding kunnen zijn tot het ontstaan van een ijstijd.

Kritiek op Milankovic

    Deze cycli van Milankovic worden, na aanvankelijke aarzeling, nu vrijwel kritiekloos aangenomen als juist. Men ziet ze nu ook terug in allerlei andere verschijnselen, zoals de verschillende laagjes in oceaanmodder, en de structuur van de ijslaagjes in het ijs van Groenland en Antarctica. Op grond van dit alles worden uitgebreide grafieken getekend van vermeende vroegere klimaatcycli, tot minstens 1 miljoen jaar terug, en vooruit tot 800.000 jaar. Maar er zijn problemen. Het grootste is wel dat de variaties in zoninstraling weliswaar een geringe invloed hebben op de aardse temperatuur, maar dat deze op geen enkele manier een ijstijd teweeg kunnen brengen. Daarvoor zijn veel drastischer omstandigheden nodig, die enkel door catastrofale gebeurtenissen kunnen worden ingeleid. Een ander probleem is, dat van al die veronderstelde series ijstijden geen enkel spoor is terug te vinden in de geologie van de aarde. Dat moet toch te denken geven! Ook blijken er problemen te zijn met de synchroniteit van de verschillende parameters. Alweer ‘a beautiful theory destroyed by an ugly fact’. En hoewel Milankovic eerlijk beschouwd eigenlijk geen verankering in de realiteit heeft, wordt er toch aan vastgehouden en probeert men op verschillende manieren deze theorie te redden. Die miljoenen jaren zijn er immers geweest, toch? Nou dan!

Confrontatie met de realiteit

    Als we kijken naar de Newcomb parameter (obliquiteit) dan blijkt die, teruggaande vanaf heden al vrij snel af te wijken van de gemeten waarden, zoals Dodwell die in zijn onderzoek is tegengekomen. Zie http://www.setterfield.org/Dodwell_conclusion.html. Dus misschien is er wel helemaal geen cyclische variatie in de stand van de aardas.

    Veel onderzoeken in de archeologie komen tot de conclusie dat rond 2300 v.C. het grootste deel van de vroeg-Brons culturen zijn ten onder gegaan, of tenminste zijn de steden en nederzettingen verlaten. Zie ook http://www.setterfield.org/Worldwide_Event.html. Pas na kortere maar meestal langere tijd werden deze gebieden weer bewoond maar met een cultuur die kwalitatief duidelijk de mindere was van die in vroege Bronstijd.

    De correlatie die Hoogerduijn c.s. vonden tussen hun onderzoek naar Noord-Europese vegetatiepatronen in de ijstijd, de verschillende fasen in de ijstijd, en de gegevens van boomjaarringen van de Californische den (pinus couteri of bristle cone pine), zijn ervaringsgegevens, die in de wetenschap toch eigenlijk een prominente rol moeten spelen.

IJsboorkernen Groenland en Antarctica

    De natuurkundedocent Jarko Meijer heeft de C14-datering onderzocht en nam daarbij ook de datering van ijsboorkernen op de korrel. Zie het artikel ‘C14 ter discussie’ van Bart van den Dikkenberg in het Reformatorisch Dagblad van 26 februari 2014. De hele datering van die ijsboorkernen is eveneens bevooroordeeld door de opvatting dat er miljoenen jaren moeten verschijnen. Maar Meijer toont o.a. aan dat in een ijsboorkern uit Groenland op 1500 meter diepte de neerslag van een vulkaanuitbarsting te zien is, die volgens de gebruikelijke datering dan 150 jaar geduurd zou moeten hebben.. Er moeten vast veel meer van dit soort anomalieën bekend zijn. Het probleem is alleen om ze op te zoeken en de auteur van de betreffende rapporten te vinden, want dit soort artikelen verschijnen doorgaans niet in ‘peer reviewed’ tijdschriften. Voorlopig wil ik het hierbij laten.