Rinus Kiel over Bijbel, cultuur en wetenschap

Reageren? Zie home-page                                                                                

======================================================

Home
Site-map
Updates
Deze site + mijzelf
Bijbel en theologie
Israel - volk en land
Filosofische items
Denken en cultuur
Wetenschap
Actualiteiten
Klimaat
Presentaties
Boeken
Weblinks

(Denken en wetenschap in onze cultuur / De 18e/19e eeuw)

Up Overgangstijd Cuvier Malthus Histor. wetenschappen Franse revolutie Comte en positivisme Tegenbewegingen Evolutionisme Nietzsche

Nietzsche

Nieuw 14/03/2002 – laatste wijziging 14/05/2002

Zoek op deze website

Samenvatting: Nietzsche peilt de afgrondelijke diepte waarin de westerse geest is terecht gekomen. Hij gaat er aan ten onder, maar de wereld draait nog rustig enkele decennia verder. Dan komt de eerste wereldoorlog... en de tweede...

    De Duitse filosoof Friedrich Wilhelm Nietzsche (1844-1900) is weer een van die brandpunten, een van die mensen die als het ware alle signalen van een cultuur opvangen, en die geconcentreerd weer doorgeven. Nietzsche is ook zo’n katalysator. Aan wat er – vermoed, maar dikwijls nog onuitgesproken – in een cultuur leeft en gist, wordt door zulke mensen woord en taal gegeven. Dat wil niet zeggen dat hun interpretatie van die signalen onfeilbaar is. Wij zullen zelf moeten nadenken over wat zij hebben gezegd. Deze website wil daar ook een steentje aan bijdragen. Nietzsche, dus.

   Wie is Nietzsche? Hij werd geboren als zoon van een Lutherse predikant in het stadje Röcken, ten zuidwesten van Leipzig. Het was het vurig verlangen van zijn ouders, dat hij een getuige van Christus zou zijn. Maar het godsdienstig leven in het Duitsland van die tijd droeg sterk het stempel van het Piëtisme. Een ietwat aan het gewone leven ontheven, romantische vroomheid, die zijn voornaamste uiting vond in het emotionele, dat was Friedrichs godsdienstige omgeving. In 1858 werd hij als leerling op de kostschool van Pforta ingeschreven. Hij zou daar de basis voor zijn studie theologie gaan leggen. Pforta was een bolwerk van religieus Humanisme. En omdat zijn godsdienstige opvoeding geen enkel tegenwicht bood tegen deze aantrekkelijke filosofie, ging al zeer spoedig Nietzsche voor dit geweld door de knieën. De beschrijving van zijn confirmatie op Pasen 1861 toont ons het beeld van een zeventienjarige, overmand door religieuze emoties, maar wiens godsdienst vrijwel elke inhoud miste. Voeg daarbij de lectuur, die hij in Pforta moest verteren en waarin de noties van de Bijbel als Gods Woord en van Jezus als de enige Weg tot de Vader op quasi-wetenschappelijke wijze werden ontkend, en het moet ons niet verwonderen, dat de intelligente Friedrich het christelijk geloof vaarwel zegt, tot groot verdriet uiteraard van zijn ouders, die er totaal, maar dan ook totaal niets van begrijpen. Nietzsche is van mening, dat de enige grondslagen voor het christelijk geloof moeten zijn: de natuurwetenschappen en de geschiedenis, maar dan gelezen door de bril van de historisch-kritische methode. De geschiedenis heeft uitgewezen dat dit een van de zekerste wegen is om het christelijk geloof te laten doodbloeden.

   Hij gaat in Bonn studeren en breekt daar de theologische studie af na het lezen van Das Leben Jesu van David Friedrich Strauß, die in dat boek van het bijbelse getuigenis over Jezus geen spaander heel laat. Nietzsche trok uit dat werk de conclusie, dat het christelijk geloof had afgedaan en van geen enkele betekenis meer was in onze cultuur. Hij was kennelijk een heldere denker! Hij gaat dan in Leipzig filologie (studie van oude talen en geschriften) studeren. Hier wordt hij beïnvloed door de filosoof Schopenhauer en maakt kennis met de componist Richard Wagner. Deze laatste bewondert hij eerst zeer, maar later maakt hij Wagner zo zwart als hij maar kan, omdat hij in Nietzsches ogen niet consequent genoeg zou zijn. Na zijn studie aanvaardt hij een aanstelling als hoogleraar filologie in Bazel.

    Nietzsche is een zeer intelligent, emotioneel en radicaal mens. Hij beseft dat, als hij het christendom afwijst, hij dat ook radicaal moet doen. In zijn geschriften komt dat steeds meer uit. En hoewel Nietzsche daarmee de mentaliteit van zijn tijd stem geeft, wil eigenlijk nog niemand dat horen. Hij zoekt naar een alternatief. Want er knaagt een grote angst aan Nietzsches ziel: als God dood is, dan is alle grond voor een moraal ook weg. Hij ergert zich eraan, dat zijn cultuur, die God heeft afgewezen, daaruit niet de consequenties trekt. In zijn boek Also sprach Zarathustra treedt hij op als de legendarische wijze Zarathustra, die zich vele jaren in het gebergte heeft teruggetrokken om zich te concentreren op het nieuwe dat hij wil verkondigen. Na al die jaren reist hij naar de steden van de mensen en verhaalt hen wat hem duidelijk is geworden. Maar ook hier ontmoet hij slechts onbegrip. Nietzsche uit zijn ergernis over dat gebrek aan inzicht in het bekende verhaal van de dolle man (aan het einde van deze paragraaf). Er zitten hoogmoedige, neurotische trekken in Nietzsches houding. Hij verheft zich in zijn opvattingen boven alle mensen. En dat is geen psychisch gezonde instelling! M.i. heeft dat een rol gespeeld in zijn latere psychische verwarring.

    Hij wijst af en toe op zichzelf als de anti-christ(!). De oude – christelijke – moraal haat hij vanuit de grond van zijn hart. Hij vindt dat maar een slavenmoraal, afkomstig van de Joden. Niet heersen, maar dienen! Wat een verachting van het grootse in de mens!! Wat heeft hij gefulmineerd tegen dat verachtelijke slavenvolkje, dat de superieure cultuur van het oude Egypte door hun wraakzucht heeft willen vernietigen. Hij is er bijna in gestikt! Volgens Nietzsche moet er een nieuwe moraal komen, anders gaat de wereld ten onder. Wonderlijk, dat hij ziet, wat vele christenen ook heden ten dage nog weigeren te zien, nl. dat een moraal die die naam waard is, niet kan bestaan zonder God. Maar voor Nietzsche kan de drager van die nieuwe moraal niet God zijn. Want Die is immers dood verklaard. Dat het slechts de ‘god’ van de filosofen is, die is ontmaskerd, ontgaat Nietzsche, wonderlijk genoeg. Maar ik denk dat ook hij in de val is getrapt van de gelijkstelling van ‘god’ met God. Nietzsches god is dus van het toneel verdwenen. En de mens in zijn huidige toestand is voor die grootse taak – het scheppen van een nieuwe moraal – (nog) niet geschikt. Dus moet er een nieuw wezen komen, dat de mens overstijgt, een Uebermensch, het blonde beest, die zijn moraal vanuit zijn overmacht en zijn willekeur dwingend aan de samenleving oplegt. Dat wordt dan geen slavenmoraal, maar een Herrenmoral. Zijn wil is de nieuwe moraal.

    In 1876 wordt het werk Nietzsche te veel. Hij geraakt geestelijk steeds meer in de war en kan tenslotte het werk niet meer aan. Hij vindt nergens rust en zwerft van het een naar het ander. Zijn geschriften worden steeds cynischer, feller en vijandiger. In 1889 vervalt hij tot krankzinnigheid. Zijn moeder neemt hem mee naar een psychiatrische kliniek in Jena, waar hij een jaar verblijft tot zij hem thuis in Naumburg opneemt. Als zij in 1897 overlijdt, neemt zijn zuster Elisabeth hem op in haar huis in Weimar, waar hij op 25 augustus 1900 overlijdt.

    Nietzsche is – ondanks al zijn exotische invallen – een ziener geweest van wat komen ging. Hij leeft nog in de luwte, die aan de storm vooraf gaat. Hij ziet voor welke keuze de mens zonder God wordt geplaatst. Glashelder en messcherp. Paulus zegt, dat de mens zonder God in zijn verstand verduisterd wordt. Nietzsche geeft met zijn leven aan, dat de volle consequentie daarvan de krankzinnigheid is. Nietzsche deed de keuze, die hij als de enige zag en accepteerde dat hij daarbij ten onder zou gaan.

Nietzsches parabel van de dolle man

In Nietzsches boek Die Fröhliche Wissenschaft komt een verhaal voor over een dolle man, die echter allerminst dol is. Het verhaal volgt hier:

    Hebt gij niet gehoord van die dolle man, die op klaarlichte morgen een lantaarn aanstak, op de markt ging lopen en onophoudelijk riep: “Ik zoek God! Ik zoek God!”. Doordat er daar juist veel van die lieden bijeenstonden, die niet aan God geloofden, verwekte dit een groot gelach. Is hij soms verloren gegaan? vroeg de één. Is hij verdwaald als een kind? vroeg de ander. Of heeft hij zich verstopt? Is hij bang voor ons? Is hij scheep gegaan? Naar het buitenland vertrokken? Zo riepen en lachten zij door elkaar. De dolle man sprong midden tussen hen in en doorboorde hen met zijn blikken. “Waar God heen is?” riep hij uit. “Dat zal ik jullie zeggen! Wij hebben hem gedood, jullie en ik! Wij allen zijn zijn moordenaars! Maar hoe hebben wij dit gedaan? Hoe hebben wij de zee kunnen leegdrinken? Wie gaf ons de spons om de hele horizon uit te wissen? Wat hebben wij gedaan, toen wij deze aarde van haar zon loskoppelden? In welke richting beweegt zij zich nu? In welke richting bewegen wij ons? Weg van alle zonnen? Vallen wij niet aan één stuk door? En wel achterwaarts, zijwaarts, voorwaarts, naar alle kanten? Is er nog wel een boven en beneden? Dolen wij niet als door een oneindig niets? Ademt ons niet de ledige ruimte in het gezicht? Is het niet kouder geworden? Is niet voortdurend de nacht en steeds meer nacht in aantocht? Moeten er ‘s morgens geen lantarens aangestoken worden? Horen we nog niets van het gerucht der doodgravers, die God begraven? Ruiken wij nog niets van de goddelijke ontbinding? - ook goden gaan tot ontbinding over! God is dood! God blijft dood! En wij hebben hem gedood! Hoe zullen wij ons troosten, wij moordenaars aller moordenaars? Het heiligste en machtigste, dat de wereld tot dusver bezeten heeft, is onder onze messen verbloed - wie wist dit bloed van ons af? Met welk water kunnen wij ons reinigen? Welke zoenoffers, welke heilige spelen zullen wij moeten bedenken? Is niet de grootte van deze daad te groot voor ons? Moeten wij niet zelf goden worden, om haar ook maar waardig te schijnen? Nooit was er een grotere daad - en wie er ook na ons geboren wordt, omwille van deze daad behoort hij tot een hogere geschiedenis dan alle geschiedenis tot dusver geweest is!”

    Hier zweeg de dolle man en keek opnieuw zijn toehoorders aan. Ook zij zwegen en keken hem verwonderd aan. Eindelijk wierp hij zijn lantaarn op de grond, zodat die in stukken sprong en uitdoofde. “Ik kom te vroeg”, zei hij toen, “het is mijn tijd nog niet. Dit ongelooflijk gebeuren is nog onderweg, het maakt een omweg - het is nog niet tot de oren der mensen doorgedrongen. Bliksem en donder hebben tijd nodig, het licht der gesternten heeft tijd nodig, daden hebben tijd nodig, ook nadat ze gedaan zijn, om gezien en gehoord te worden! Deze daad is nog steeds verder van hen af dan de verste gesternten - en toch hebben ze haar zelf verricht!” Men vertelt verder, dat die dolle man diezelfde dag nog verscheidene kerken binnengedrongen is, en daar zijn Requiem aeternam deo (voor de eeuwige rust van God) aangeheven heeft. Naar buiten gebracht en ter verantwoording geroepen, zou hij telkens alleen maar het volgende geantwoord hebben: “Wat zijn deze kerken eigenlijk nog, als ze niet de graven en gedenktekenen Gods zijn?”

Up Overgangstijd Cuvier Malthus Histor. wetenschappen Franse revolutie Comte en positivisme Tegenbewegingen Evolutionisme Nietzsche

free web hit counter