Rinus Kiel over Bijbel, cultuur en wetenschap

Reageren? Zie home-page                                                                                

======================================================

Home
Site-map
Updates
Deze site + mijzelf
Bijbel en theologie
Israel - volk en land
Filosofische items
Denken en cultuur
Wetenschap
Actualiteiten
Klimaat
Presentaties
Boeken
Weblinks

(IsraŽl - volk en land)

Up Israel en de kerk Over Jakob en Esau Beloften Abraham Beloofde land Tekst Zacharia 12-14 De staat IsraŽl Antisemitisme Israelische bezetting

Over Jakob en Esau (model van de 'uitverkiezing')

Nieuw 15/10/2000

Zoek op deze website

Samenvatting: Hoe het begrip'uitverkiezing' is 'vergeestelijkt' en hoe de controverse tussen Jacob en Esau hiervoor als model is gebruikt

    Een overbekende tekst, die vaak gebruikt wordt om Gods volkomen soevereiniteit bij de 'uitverkiezing' te schetsen, is Maleachi 1: 3, die als volgt wordt geciteerd:

"Toch heb ik Jakob liefgehad en Esau gehaat".

Er wordt dan gewezen op de geboorte van deze tweelingbroers, waar deze uitverkiezing dan al zou zijn vastgelegd. We lezen op die plaats (Genesis 25:23):

"De Heer zei tegen haar: Twee volken zijn er in je schoot, volken die uiteengaan nog voor je hebt gebaard; het ene zal machtiger zijn dan het andere, de oudste zal de jongste dienen".

Maar hier lezen we niets over een 'uitverkiezing tot zaligheid', alleen dat God hier zijn soms wonderlijke voorkeur uitspreekt voor het zwakke en kleine ten opzichte van het sterke en grote. Zoals Jezus zei:

"Vele eersten zullen de laatsten zijn...".

Dus in Genesis, het eerste boek in het Oude Testament, lezen we alleen over een bepaalde voorkeur van God voor ťťn van die twee jongens. Niet alleen Jakob wordt gezegend, ook Esau krijgt een zegen en hem worden vele goede dingen toegezegd doorheen het Oude Testament. En dan toch: Esau heb Ik gehaat. Nu moeten we er op letten dat Maleachi, waar deze woorden staan, het laatste boek is in het Oude Testament. Maleachi is ook de laatst opgetreden profeet, van wie we een geschrift hebben. Er moet iets gebeurd zijn tussen Genesis en Maleachi. Wat dan?

    We moeten niet vergeten dat er tussen de twee broers en de volken die van hen afstammen, altijd een zekere rivaliteit is geweest. We lezen soms van oorlog tegen Edom (de nakomelingen van Esau), en soms ook van bondgenootschappen. Maar er is iets gebeurd, iets verschrikkelijks, iets waarvan we niet lezen in de geschiedenisboeken van het Oude Testament, maar wel in de Psalmen (iets) en sommige profeten. Laten we eens zien. In Jeremia 49:7-22 wordt een vloek over Edom uitgesproken. Waarom? Dat wordt niet duidelijk, maar ze hebben kennelijk iets verschrikkelijks uitgespookt. In EzechiŽl 25:12-14 lezen we al iets meer:

"Dit zegt God, de HEER: Edom heeft zich op het volk van Juda gewroken en zo een zeer zware schuld op zich geladen. Daarom, zegt God, de HEER, zal ik mijn hand tegen Edom opheffen. Ik zal er mens en dier uitroeien, ik zal het land verwoesten; van Teman tot Dedan zullen allen door het zwaard worden geveld. Door IsraŽl, mijn volk, zal ik mij op Edom wreken: IsraŽl zal Edom treffen met mijn woede en mijn toorn, en zo zal Edom mijn wraak leren kennen Ė spreekt God, de HEER".

Edom (Esau) heeft dus wraakzuchtig gehandeld tegen Juda (IsraŽl), zat er dan toch nog iets van de wrok in hen over Gods selectie van Jakob toentertijd? Waarschijnlijk. 

In EzechiŽl 35 lezen we weer een negatieve profetie over Edom, maar nu staat er iets meer over de redenen daartoe (EzechiŽl 35:5):

"Je hebt de IsraŽlieten altijd gehaat, je hebt ze uitgeleverd aan het zwaard toen het onheil hen trof, toen er met hen werd afgerekend".

De tijd van de afrekening was de tijd waarin Jeruzalem viel en de bevolking in ballingschap ging naar Babel. Toen hebben de Edomieten kennelijk de BabyloniŽrs geholpen met verraad, moord en plundering. Meer daarover lezen we bij in EzechiŽl 36:5, waar staat:

"... [dan] klaag ik Edom en al die andere volken aan. Hun hart was vol vreugde en hun ziel vol verachting toen ze mijn land in bezit namen en er de weidegronden buitmaakten".

Dus... Edom was van plan zich het land IsraŽl toe te eigenen, en dat telt voor de HEER heel zwaar. In JoŽl 3:19 en Amos 1:11 wordt op diezelfde gebeurtenissen gedoeld. Maar ook in de psalmen lezen we daarvan. Als voorbeeld psalm 137:7 waar staat:

"Gedenk, HEER, de dag van Jeruzalems val, toen het volk van Edom zei: ĎNeer met die stad, neer, maak haar met de grond gelijk!".

Dan is er de profeet Obadja, wiens kleine geschrift helemaal in het teken staat van de straf voor Edom. Ik citeer hier alleen de verzen 12-14, die de reden aangeven voor Gods haat tegen Edom:

"Die dag had je je niet mogen verlustigen in de rampspoed die je broeder trof, je had je niet mogen verheugen over de ondergang van het volk van Juda, en op die dag van angst had je hen niet mogen bespotten. Die dag had je de poorten van de stad niet binnen mogen gaan, je had je op die dag van onheil niet mogen verlustigen in het kwaad dat mijn volk werd aangedaan, en op die dag van ongeluk had je je niet mogen vergrijpen aan hun bezittingen. Op die dag van angst had je de mensen die vluchtten de weg niet mogen versperren om ze te doden, en hen die ontkomen waren niet mogen uitleveren".

Dus: plundering, moord en verraad en het voornemen om nu het land IsraŽl voor zichzelf in bezit te nemen. Er leefde dus in de Edomieten nog steeds een diepe afgunst op Jakob (IsraŽl, Juda). Ze hadden Gods beslissing - lang geleden - om Jakob voor te trekken boven Esau, nog niet verwerkt. En nu hadden ze een uitgelezen kans om zich te wreken, die ze met welgevallen hebben gegrepen. Ze hebben hun wrok op IsraŽl - nog wel  hun broedervolk - botgevierd.

    Ja, en als dan veel later de profeet Maleachi zijn volk wil troosten, door te zeggen, hoe lief God het wel heeft, dan wijst hij op Esau (Edom): het kan ook anders, mijn volksgenoten. Accepteer nu maar die liefde van God. Esau heb ik gehaat, zegt God. En we weten nu waarom. Als een wrokkig kind, dat niet volwassen wilde worden, heeft Esau zich te buiten gegaan aan IsraŽls bezit en leven en heeft geprobeerd, zich het land eigen te maken dat God aan IsraŽl had beloofd. Dat loopt vanzelfsprekend verkeerd af. Dat mag misschien ook wel een waarschuwing zijn aan allen, die thans hetzelfde voornemen hebben!

    Dus... deze tekst in het boek Maleachi zegt niets over het leerstuk van de gereformeerde 'uitverkiezing', maar staat in een geheel andere context. Hopelijk is dat nu duidelijk.

Up Israel en de kerk Over Jakob en Esau Beloften Abraham Beloofde land Tekst Zacharia 12-14 De staat IsraŽl Antisemitisme Israelische bezetting