Rinus Kiel over Bijbel, cultuur en wetenschap

Reageren? Zie home-page                                                                                

======================================================

Home
Site-map
Updates
Deze site + mijzelf
Bijbel en theologie
Israel - volk en land
Filosofische items
Denken en cultuur
Wetenschap
Actualiteiten
Klimaat
Presentaties
Boeken
Weblinks

(Presentaties)

Up Pres. Setterfield Creationisme in NL Fair Science Bijbel Wetenschap

Presentatie over het werk van Barry Setterfield

Nieuw 11/03/2011

Zoek op deze website

Samenvatting: Presentatie over het werk van Barry Setterfield, gehouden op 22 november 2008 in Neustadt a/d Weinstrasse, op uitnodiging van de groep Physik/Kosmologie van het Duitse Wort und Wissen, oorspronkelijk Duits, maar hier in Nederlandse vertaling.

PowerPoint presentatie als PDF file . Hieronder de tekst bij de presentatie:

 

 

Studiengemeinschaft Wort und Wissen

22. Fachtagung Physik/Kosmologie / 21.– 23. November 2008 / Neustadt a.d. Weinstrasse

 

De kosmologie van Barry Setterfield (Rinus Kiel) // Proceedings (Nederlands)

1.       Barry Setterfield

2.       Het standaard kosmologisch model

3.       Is roodverschuiving gekwantiseerd?

4.       Het nulpuntsveld en zijn effekten

5.       De lichtsnelheid

6.       Radioactiviteit en andere ‘constanten’

7.       Consequenties van dit concept

8.       Hoe is het allemaal begonnen?

9.       Conclusies

{(PPn) betekent slide nummer in de PowerPoint presentatie}

 

1.       Barry Setterfield (PP1-2)

 

1.1.    Leven en werk

In deze presentatie vraag ik uw aandacht voor het werk van de Australisch/Amerikaanse fysicus/geoloog Barry Setterfield (1942-) die een opmerkelijke hoeveelheid onderzoek heeft gedaan, waarvan de resultaten leiden tot iets wat je voorzichtig een nieuwe kosmologie kan noemen. Barry John Setterfield is geboren in 1942 in Australië als zoon van twee Heilsofficieren. Vanwege hun roeping verhuisde Barry 17 maal in 20 jaar. Hij studeerde natuurkunde en geologie aan de Universiteit van Adelaide, maar brak zijn studie na drie jaar af vanwege familie- en gezondheidsproblemen. Hij maakte een mineralogisch overzicht over Zuid-Australië voor een mijnbouwmaatschappij. Hij werkte ook voor de ‘Astronomische Vereniging van Zuid-Australië’ en deed voordrachten over astronomische onderwerpen. En hij was lid van een projectgroep die de beste plaats voor de grootste optische telescoop op het zuidelijk halfrond moest uitzoeken. Ziekte van zijn vader en de zorg voor zijn zwakbegaafde zuster verhinderden verdere academische studie.

Barry was Christen, maar van theïstisch-evolutionistische opvatting. In 1979 kreeg hij een boek in handen, dat astronomische anomalieën beschreef. Hij werd zich bewust van het feit dat de historische metingen van de lichtsnelheid een duidelijke afname vertoonden. Hij wilde dat verder bestuderen om uit te zoeken welke menselijke en/of instrumentele fouten deze onwaarschijnlijke uitkomsten veroorzaakten. Aan een paar weken zou hij genoeg hebben, dacht hij. Maar de afwijkingen bleken reëel te zijn. Hier begon zijn levenswerk, dat startte met de research naar de historische metingen van de lichtsnelheid, maar intussen is uitgebreid naar vele andere gerelateerde onderwerpen. Uit zijn studie trok hij de conclusie dat aarde en heelal niet erg oud konden zijn. Hij moest zijn theïstisch-evolutionistische opvattingen opgeven en hij werd een – wat men noemt – ‘jonge aarde creationist’.

 

1.2.    Motto

Setterfield’s motto is: “Het is geen goede wetenschap om onverwachte gegevens te veronachtzamen of een conclusie te negeren vanwege bepaalde vooronderstellingen. Sir Henry Dale, indertijd president van de Londense Royal Society, zei in zijn afscheidsrede: ‘De wetenschap moet niet toestaan dat er wordt ingeleverd op nauwgezetheid, of dat anomalieën worden genegeerd, maar moet altijd bescheiden en moedig het antwoord geven dat de Natuur haar oplevert.’ Als je dit doet kan het zijn dat je niet in de hoofdstroom van de moderne wetenschap staat, maar tenminste zoeken we dan naar de waarheid en boeken voortgang in plaats van de wetenschappelijke status quo te handhaven.”

 

2.       Het standaard kosmologisch model (PP3-5)

 

2.1.    Problemen voor Christenen met de moderne kosmologie

Als we als Christenen de Bijbel als waarheid erkennen, ook op het gebied van de geschiedenis en de kosmos, dan worden we geconfronteerd met een aantal vervelende problemen, nl.:

2.1.1.   Hoe kunnen we verklaren dat de uitkomst van radiodateringen, ondanks alle inspanningen om andere verklaringen te vinden, toch vervelend blijven clusteren rond een ouderdom van 4,5 miljard jaar voor de aarde? Er is al wel goed onderzoek gedaan, bijv. het werk van de RATE-groep van ICR; zij hebben enkele van de vele vooronderstellingen van deze methode onderzocht, en hebben serieuze en overtuigende kritiek geproduceerd. Toch wordt dit argument nog massief in stelling gebracht tegen het idee dat aarde en kosmos nog jong zijn.

2.1.2.   Als de kosmos dan maar enkele duizenden jaren oud is, hoe kunnen we dan het licht zien van objekten die miljarden lichtjaren van ons verwijderd zijn? Er is wel gezegd dat God ook de lichtstralen er bij geschapen zou kunnen hebben, maar dat is niet een erg bevredigende oplossing, aangezien licht informatie in zich draagt. Bedriegt God ons? Ook wel andere en soms exotische ideeën zijn geopperd, maar alle zijn ze onbevredigend. Het probleem blijft en is werkelijk pijnlijk.

2.1.3.   Er was licht op de eerste scheppingsdag, maar de zon verscheen pas op de vierde dag. Hieruit hebben velen geconcludeerd dat Genesis 1(-11) niet op een normale grammaticale manier gelezen moet worden, maar in plaats daarvan als poëzie of zelfs als mythe. Maar al te gemakkelijk worden ongefundeerde interpretaties terug in de Bijbeltekst gelezen, zoals bijv. Howard van Till (1985) doet. Laten we de ‘wetenschap’ dicteren hoe we de Bijbel moeten lezen?

2.1.4.   Dan zijn er emotionele argumenten: die wetenschappers kunnen het toch niet allemaal verkeerd hebben? Het is algemeen geaccepteerde wetenschap. En veel Christenen in de wetenschap accepteren deze visies, toch? Moeten we ons verzet maar niet opgeven? We plaatsen ons buiten de realiteit en houden ons slechts bezig met achterhoedegevechten. Enzovoorts.

 

2.2.    Gebeurtenissen die hebben geleid tot het Big Bang model

We nemen ons beginpunt in de gebeurtenissen die hebben geleid tot het Big Bang model van het ontstaan van het heelal. We nemen als bekend aan dat Cepheïden variabele sterren zijn, wier variatieperiode een maat is voor hun lichtkracht. De verhouding tussen hun lichtkracht en de lichtindruk hier op aarde (magnitude) geeft de afstand.

Roodverschuiving is het fenomeen dat Fraunhoferlijnen in sterrenspectra niet op de verwachte plek verschijnen, maar iets of meer verschoven naar de rode kant van het spectrum. De plaats in het spectrum geeft de golflengte (λ) aan. Roodverschuiving wordt uitgedrukt in een getal dat de verhouding aangeeft tussen {het verschil tussen de gemeten en de standaard golflengte} en de standaard golflengte. Dus: z (roodverschuiving) = {λ (gemeten) - λ (standaard)} / λ (standaard). In formule: z = Δλ/λ. Positief = roodverschuiving / negatief = blauwverschuiving.

2.2.1.   Van 1912-1922 stelden Vesto Slipher en Francis Pease op het Lowell observatorium in Flagstaff (Arizona) de roodverschuiving van 42 dichtbijzijnde sterrenstelsels vast.

2.2.2.   In1923-1924 ontdekte Edwin Hubble met de nieuwe 2,5 m spiegeltelescoop op Mount Wilson dat er Cepheïden waren in die sterrenstelsels, en daarmee kon hij de afstand tot die sterrenstelsels vaststellen. Toen hij zijn gegevens vergeleek met de roodverschuivings-cijfers van Slipher en Pease, viel hem op dat de roodverschuiving toenam met de afstand. Hij stelde vast dat de roodverschuiving in een vaste relatie staat tot de afstand. In 1929 formaliseerde hij deze relatie in de zogenaamde Wet van Hubble: r(afstand) = z(roodverschuiving) / h(een constante), of: z = r x h.

2.2.3.   Natuurlijk wilde men de oorzaak van dit verschijnsel weten. Spoedig werd de interpretatie als een ‘Doppler effect’ favoriet: de lichtgolven worden langer omdat de lichtbronnen (de sterren) zich van ons vandaan bewegen. Ze bewegen toenemend sneller naarmate ze verder weg staan. En hoe snel? Simpel: z(roodverschuiving) vermenigvuldigd met ‘c’(lichtsnelheid) geeft als uitkomst v(vluchtsnelheid); in formule: v = z * c, of: z = v / c. Hubble zelf heeft altijd een gereserveerde houding aangenomen ten opzichte van deze ‘oplossing’.

2.2.4.   Maar de trein was nu op gang. Het duurde niet lang of de idee van een expanderende kosmos dook op: de sterrenstelsels die het verst weg staan, vluchten met de grootste snelheid van ons weg. De Belgische priester Georges-Henri Lemaître (1894-1966) veronderstelde, dat alle massa ergens in het verleden geconcentreerd was op één plek, en dan van daaruit expandeerde. Hij publiceerde zijn ideeën tussen 1927 en 1933 en claimde dat die gebaseerd waren op ideeën van Einstein, hoewel Einstein het er niet mee eens was, omdat hij nog steeds Fred Hoyle’s ‘steady state’ model van het universum ondersteunde. Lemaître noemde zijn idee: ‘hypothese van het oer-atoom’. Fred Hoyle gebruikte in een BBC-interview spottend de naam ‘Big Bang’ (grote knal) voor Lemaître’s idee. Deze naam wordt sindsdien gebruikt als een soort geuzennaam. Vandaag de dag wordt de ouderdom van het heelal geschat op ongeveer 13,7 miljard jaar.

2.2.5.   Williams en Hartnett (2005) hebben de problemen met de Big Bang kosmologie opgesomd. Mogelijke oplossingen voor deze problemen worden voortdurend gepubliceerd. Eén van deze problemen heeft te maken met de roodverschuiving. Vanaf een waarde van 0,4 is de lineaire verhouding met de vluchtsnelheid losgelaten. De aangepaste, veel complexere vergelijking is nu:

        z = {[1+(v/c)] / √[1-(v2/c2)]} – 1.

 

2.3.    Kritiek en critici

Van alle critici die naar alternatieven gezocht hebben, noem ik er slechts enkele:

2.3.1.   Longair (1995) schrijft dat Hubble een fout heeft gemaakt met het koppelen van de roodverschuiving aan de lichtsnelheid ‘c’, en daarmee het Doppler-effect en de vluchtsnelheid heeft geïntroduceerd. Hij hoopt dat we nog van de ‘c’ af kunnen komen. Dus: Doppler-effect? Nee!

2.3.2.   Er zijn quasars gevonden met een z > 1. Misner, Thorne en Wheeler (1972) constateren dat objecten die met bijna lichtsnelheid bewegen, hun structuur verliezen, ze desintegreren. z > 1 toont al aan dat roodverschuiving niets met zwaartekracht te maken kan hebben.

2.3.3.   Als Doppler problematisch is, en roodverschuiving niets met zwaartekracht te maken heeft, welke opties hebben we dan nog? Misner et al (1997) zien nog maar één mogelijkheid, nl. ‘kosmologische roodverschuiving’: de structuur van de ruimte zelf expandeert en neemt de sterrenstelsels met zich mee. Maar Einstein geloofde vast dat de structuur statisch was (volgens Fred Hoyle) en dat de sterrenstelsels binnen die structuur bewogen.

Friedman (1922) en Lemaître (1927) veronderstellen kosmologische roodverschuiving. De golflengten van de fotonen moeten dan ook expanderen, wat betekent dat er in dit speciale geval geen behoud van energie is. En hoe zit het met de sterrenstelsels? Expanderen die ook, en ook de atomen? Dat veroorzaakt grote problemen. Of expanderen die niet? De vraag is dan: waarom niet? In werkelijkheid is dit model niet consistent en moeilijk te handhaven.

2.3.4.   Zijn er nog andere mogelijkheden? Is er nog een toekomst voor Big Bang? Is de interpretatie van roodverschuiving als een Doppler-effect, wat de basis is van dit model, eigenlijk nog wel te handhaven?

 

3.       Is roodverschuiving gekwantiseerd? (PP6-14)

 

3.1.    William Tifft

William Tifft van het Steward observatorium van de Arizona State University in Tucson USA onderzocht een tijdlang (1975-1991 en verder) het gedrag van de roodverschuivingswaarden.

3.1.1.   Tifft (1976/6+) onderzocht verschillende typen sterrenstelsels in de zogenaamde Coma cluster, een groep van zo’n duizend sterrenstelsels in het sterrenbeeld ‘Haar van Berenice’, op een afstand van angeveer 320 miljoen lichtjaar. De roodverschuivingswaarden daar waren niet glijdend, maar veranderden met sprongetjes, of kwanta. Je kon zelfs banden met gelijke roodverschuivingswaarden zich door de cluster heen van ons af zien bewegen. Enkele jaren later bleken deze ‘banden’ zich verder van ons vandaan bewogen te hebben. Het roodverschuivings-kwantum had een waarde van 36,2, uitgedrukt in vluchtsnelheid (km/sec), een geaccepteerde grootheid in de de Big Bang kosmologie.

·        Halton Arp (1987) zei hierover: “Niet alleen was de kwantisering goed te zien in deze onafhankelijke set van heel precieze dubbel-stelsel metingen, maar het was de duidelijkste, belangrijke demonstratie van het effect tot nu toe”.

3.1.2.   Fisher en Tully (1981) publiceerden de resultaten van een uitgebreid onderzoek naar de waarden van de roodverschuiving in een omvangrijke katalogus. Het idee erachter was: als de gegevensbasis maar breed genoeg is, verdwijnt het verschijnsel vanzelf wel. Hun katalogus toonde niet de kwantisering die Tifft had gevonden. De conclusie: kwantisering exit, standaard model gered.

3.1.3.   Tifft en Cocke (1984) analyseerden echter die katalogus en vonden dat Fisher en Tully iets over het hoofd hadden gezien: de beweging van ons eigen melkwegstelsel voegde een reëel Doppler-effect toe aan hun metingen. Na correctie daarvoor verscheen de kwantisering luid en duidelijk en bevestigde Tifft’s eerdere resultaten. Maar ondanks dat, namen velen aan dat waarnemings- en instrumentfouten het effect veroorzaakten, en dat het niet reëel was.

3.1.4.   Sulentic en Arp (1985) gebruikten radiotelescopen om de roodverschuiving van 260 sterrenstelsels te meten in meer dan 80 groepen, maar voor een ander project. Ook zij bevestigden Tifft’s resultaten: de kwantisering is reël, niet in het instrument, maar daar buiten in de sterrenstelsels!

 

3.2.    Guthrie en Napier

Deze ontwikkelingen veroorzaakten heel wat commotie onder astronomen en kosmologen. In het begin van de 1990-er jaren ondernamen Bruce Guthrie en William Napier van het Royal Observatory in Edinburgh een poging om Tifft’s ongelijk te bewijzen. Zij onderzochten de roodverschuivingswaarden van vele sterrenstelsels met zgn. ‘H-line redshift’ gegevens.

3.2.1.   In 1991 publiceerden zij hun eerste resultaten (Schewe & Stein, 1992a): 106 spiraalstelsels toonden een kwantisering van 37,5. Dat was dicht bij Tifft’s resultaat (36,2).

3.2.2.   De universiteit van Edinburgh vroeg om meer gegevens. Hun tweede onderzoek in 1992 betrof nog eens 89 spiraalstelsels. Uitkomst: Q=37,2 (Schewe & Stein, 1992b).

3.2.3.   In 1995 presenteerden zij een document aan ‘Astronomy and Astrophysics’ met de uitkomsten van nog 97 spiraalstelsels (Q=37,5), maar de reviewers vroegen meer gegevens.

3.2.4.    Dus gingen zij verder en bekeken nog eens 117 sterrenstelsels, maar de uitkomst was het zelfde (Q=37,5). Nu werd het document geaccepteerd, maar het ging niet van harte.

          3.2.5.    Een Fourier-analyse van de resultaten voor alle stelsels toonde een duidelijke piek op een waarde van 37,5. Kans: 1:106, precisie 10%.

3.2.6.    Bell en Comeau schrijven (2003) dat sterrenstelsel-groepen, onderzocht in het Hubble Key Project, gekwantiseerde roodverschuivingen tonen die met die van Tifft overeenstemmen. Het betrof 55 spiraalstelsels en 36 type Ia supernova stelsels. Als meer objecten toegevoegd werden, waren de resultaten nog duidelijker! Alweer een bevestiging van Tifft’s resultaten.

De resultaten schijnen onmiskenbaar te zijn: gekwantiseerde roodverschuiving bestaat echt!

 

        3.3.    Tifft’s conclusies uit 1991

 Tifft sluit (1991) zijn research in de gekwantiseerde roodverschuiving af met het volgende conclusie:

·    De basiswaarde van de kwantisering is 8/3 = 2,67 km/sec. De eerdere waarden zijn gewoon veelvouden van deze basiswaarde. Setterfield geeft aan dat deze basiswaarde ook voortvloeit uit het gedrag van het vacuüm op het niveau van de Planck-lengte.

(zie ook http://www.setterfield.org/homecopy.htm.)

·     De precisie van de meest recente metingen is 0,1 km/sec.

·     De signaal/ruis-verhouding is hoog.

·   Banden met toenemende roodverschuiving bewegen zich van ons af, waardoor individuele sterrenstelsels in een cluster verschillende waarden hebben.

·    Sterrenstelsels in de kern van een cluster (bijv. de Virgo cluster) bewegen met hoge snelheid, en vlakken zodoende de kwantisering af.

De conclusie is dat gekwantiseerde roodverschuiving mag gezien worden als een feit, en dat het onafhankelijk is van intrinsieke eigenschappen van een stelsel, als bijv. massa of luminantie.

 

3.4.    Het gedrag van de gekwantiseerde roodverschuiving

Het verschijnsel van de gekwantiseerde roodverschuiving doet zich voor als concentrische, scherp gescheiden ‘banden’ met gelijke roodverschuivingswaarden, die van de waarnemer af bewegen.

Dat betekent dat er rondom ons een uitbreidend gebied is zonder enige roodverschuiving, met uitzondering van echte Doppler-roodverschuiving die veroorzaakt wordt door beweging van sterrenstelsels. Dit is door waarnemingen bevestigd.

Maar dat betekent niet dat we ons in de buurt van het centrum van het universum bevinden, omdat hetzelfde verschijnsel zich voordoet aan alle waarnemers doorheen het hele heelal.

 

3.5.    Reacties op de gekwantiseerde roodverschuiving

Het is gebruikelijk dat zulke nieuwe inzichten veel kritiek uitlokken. Dat was ook zo na 1976, toen Tifft zijn eerste resultaten publiceerde. Heel wat onderzoeken zijn gestart met de uitdrukkelijke bedoeling om Tifft’s ongelijk te bewijzen. Opmerkelijk genoeg, zijn die allemaal geëindigd in de bevestiging van zijn bevindingen. Is de kosmologische gemeenschap nu overtuigd dat we hier met feiten te maken hebben? Dat zou betekenen dat het Big Bang model in zwaar weer is geraakt. Moeten we nieuwe ideeën overwegen? Laten we eens kijken naar recente reacties.

·      Sinds 1998 ontmoeten we hoofdzakelijk stilte: als je het niet noemt, gaat het waarschijnlijk en hopelijk voorbij.

·      Niemand probeert nog de duidelijke resultaten te ontkennen.

·     Als er commentaar wordt gegeven, wordt vaak vrees voor de status van het Big Bang model uigedrukt. Hoe zou een alternatief er uit moeten zien?

·      Voor de rest meest ‘weet-niet’ of agnostische reacties (we weten het nog niet, meer onderzoek is nodig, misschien andere verklaring, etcetera).

·      Ik vond slechts één commentaar dat Setterfield positief noemde met betrekking tot het item van de roodverschuiving, en zijn analyses bevestigde, zij het niet van harte.

 

3.6.    Oorzaak van de gekwantiseerde roodverschuiving

Er is een grote aarzeling om te spreken over de oorzaak van de gekwantiseerde roodverschuiving. Enkele worden genoemd:

·       Is het veroorzaakt door clustering van sterrenstelsels, zoals Russell Humphreys veronderstelt?

°        Waarschijnlijk niet, de stapjes zijn veel te klein daarvoor, en

°        Er zijn zelfs meerdere ‘banden’ binnen individuele clusters.

·       Is het misschien een kwantumeffekt? De duidelijk onderscheiden sprongen in de waarden van de roodverschuiving laten nauwelijks een andere interpretatie toe. Als dat zo is, dan is het gerelateerd aan de energieniveaus in de atomen!

°        Die hebben slechts discrete waarden, tussenwaarden zijn onmogelijk

°        Wordt het niveau lager dan worden er fotonen van lagere energie – roder – geëmitteerd.

°        Wordt het niveau hoger dan worden er fotonen van hogere energie – blauwer – geëmitteerd.

°        De verandering gaat in sprongetjes, kwanta.

Hoe kunnen atomen hun energieniveau verhogen? Dat is alleen mogelijk als het energieniveau van hun omgeving hoger wordt. In het standaard kwantum model (QED) is er feitelijk geen plaats voor deze mogelijkheid, maar in het alternatieve model (SED – Stochastische Elektro Dynamica) is dit geen probleem, omdat hier het zogenaamde nulpuntsveld (ZPF – zero point field) een reëel bestaand verschijnsel is. Kan deze nulpuntsenergie verantwoordelijk zijn voor de kwantumsprongen? Zie 4.3.

 

            3.7.    Vacuümenergie en energie in atomen

Veronderstel dat het universum geheel gevuld is met deze energie, waarvan het niveau is toegenomen vanaf het begin tot nu, vanaf vrijwel nul tot een zeker maximum, en deze toename is geleidelijk, hoewel niet lineair.

De atomen in het universum kunnen hun energieniveaus niet geleidelijk aanpassen, maar moeten wachten tot een bepaalde drempelwaarde wordt overschreden. Dan passen ze hun energieniveaus aan met één kwantumsprong. Bij elke sprong wordt het uitgezonden licht van alle atomen in de hele kosmos een beetje blauwer. Thans is dat licht zeer blauw, vergeleken bij het begin. Maar dit zeer blauwe licht is ons ‘standaard wit licht’. Het eerder uitgezonden licht is naar rood verschoven in onze ogen.

 

4.       Het nulpuntsveld en zijn effecten (PP15-17)

 

4.1.    Welk soort universum?

Voordat we verder gaan, moeten we eerst vaststellen in welk soort universum we leven. Eerder is al gezegd dat gekwantiseerde roodverschuiving een uitdijend heelal hoogst onwaarschijnlijk maakt. Een inkrimpend heelal zou blauwverschuiving moeten laten zien, maar dat is niet het geval. Dus: een statisch universum.

4.1.1.   Narlikar en Arp (1993) zeggen dat een statisch, met materie gevuld heelal stabiel is tegen ineenstorting, zelfs zonder kosmologische constante, maar alleen als de rustmassa van het elektron toeneemt. We zullen zien dat aan deze conditie is voldaan.

4.1.2.   Troitskii (1987) stelt vast dat in een statische stabiele kosmos een wijziging in de waarde van de roodverschuiving ook betekent dat andere ‘constanten’ synchroon veranderen.

4.1.3.   Van Flandern (1984) stelt, dat in een kosmos met constante lineaire dimensies, dynamisch zowel als atomair, toenemende roodverschuiving met de afstand ook betekent toenemende ‘c’ (lichtsnelheid).

Is het heelal statisch? Zo ja, dan moeten bepaalde ‘constanten’ in ritme met de roodverschuiving veranderen. En dat is inderdaad het geval. We kunnen dus aannemen dat het heelal statisch is.

 

4.2.    Planck’s eerste theorie en de kwantummechanica

Max Planck publiceerde zijn theorie over de thermodynamica in 1901, waarin hij concludeert dat energie niet wordt geproduceerd in een glijdende schaal, maar in pakketjes, kwanta genoemd. Die theorie was zeer succesvol en is in feite de basis geworden van de ‘standaard’ natuurkunde, de kwantum elektrodynamica (QED).

Hoewel hij verder onderzoek op dit gebied deed zijn de consequenties daarvan niet goed ingeschat. In de loop van de tijd verschenen er vier publikaties, maar geen daarvan hield rekening met de nulpuntsenergie, die Planck in 1911 ontdekte. En het waren deze documenten, die de weegschaal deden doorslaan in de richting van de huidige kwantum elektrodynamica:

4.2.1.   Louis de Broglie (1924): Deeltjes kunnen zich ook gedragen als golven.

4.2.2.   Born, Heisenberg en Jordan (1925) ontwikkelden de kwantummechanica.

4.2.3.   Schrödinger (1926) werkte De Broglie’s ideeën verder uit en definieerde de vergelijking van Schrödinger.

4.2.4.   Tenslotte publiceerde Heisenberg (1927) zijn ‘onzekerheidsprincipe’.

Deze vier belangrijke documenten negeerden Planck’s resulaten uit 1911 en lieten zodoende het universele energieveld buiten beschouwing, hoewel grote natuurkundigen als Einstein en Nernst het nulpuntsveld serieus namen. Dit betekent niet dat het nulpuntsveld geen rol speelt in QED, maar het bestaat daar alleen als een theoretische noodzakelijkheid zonder fysieke realiteit, via het onzekerheidsprincipe van Heisenberg. En het was juist dit ontbreken van een fysieke realiteit achter de kwanta, dat Planck zorgen baarde en hem verder deed zoeken naar die realiteit.

 

4.3.    Planck’s tweede theorie en het nulpuntsveld

Planck zelf was dus niet gelukkig met de kwanta die hij vond in 1901. Hij hoopte dat het een tijdelijk geval zou zijn. Maar verder onderzoek in de thermodynamica gaf aan dat de kwanta niet meer zouden verdwijnen. In 1911 ontdekte Planck dat er in een vacuüm, gekoeld tot bij het absolute nulpunt (-273,15°C) nog steeds energie overbleef, en niet zo’n klein beetje, maar een enorme hoeveelheid. En deze energie was dus onafhankelijk van de temperatuur. Latere schattingen gaven aan dat de energiedichtheid maximum 10114 erg/cm3 is, werkelijk onvoorstelbaar. Deze energie is in de vorm van virtuele deeltjesparen. Hij noemde deze energie ‘nulpuntsenergie’ (zero point energy – ZPE) om voor de hand liggende redenen.

4.3.1.  Einstein (1913) werd overtuigd, maar twijfelde later toch weer.

4.3.2.  Walther Hermann Nernst (1916), een Duits natuurkundige, concludeerde dat deze energie een kosmologische herkomst heeft, en dat de hele kosmos er mee gevuld is.

4.3.3.   In de USA vond de Amerikaanse chemicus Robert Sanderson Mulliken (1925) afwijkingen in spectraallijnen van boron monoxide, die alleen maar konden worden verklaard als effecten van de nulpuntsenergie (ZPE).

4.3.4.   De Philips-ingenieur Hendrik Casimir definieerde in 1948 het naar hem genoemde verschijnsel, dat twee vlakke metalen platen, als zij dicht bij elkaar worden gebracht in een vacuüm, een kracht ondervinden die hen naar elkaar toe drukt. De verklaring is, dat alleen virtuele deeltjesparen met afnemende golflengte tussen de platen kunnen blijven, terwijl daarbuiten deeltjes met alle golflengten aanwezig blijven. Door dit verschil worden de platen samengedrukt. Omdat deze krachten zo klein zijn, duurde het tot 1996 voordat dit ‘Casimir-effect’ in de praktijk kon worden gedemonstreerd.

Terwijl in QED de ZPE alleen maar een theoretische constructie is, leidden de resultaten van Planck’s tweede onderzoek in 1911 tot een alternatieve natuurkundige theorie, stochastische elektrodynamica (SED) genaamd, waarin het ZPE een reële werkelijkheid is. In SED:

·         is de ZPE gerelateerd aan het ontstaan van het heelal;

·         is ZPE de energie die de materie in stand houdt;

·         zijn een aantal andere ‘constanten’ afhankelijk van de sterkte van de ZPE.

 

4.4.    Nieuwe ontwikkelingen

In de laatste decennia zijn er enkele onverwachte ontwikkelingen geweest, die een impuls kunnen zijn om nog steeds bestaande problemen in QED op te lossen. Enkele voorbeelden:

4.4.1.   De Broglie stelde vast (1962) dat veel onderzoekers serieus Planck’s tweede theorie uit 1911 overwegen, inhoudende de klassieke natuurkunde met een inherene kosmologische ZPF. Het zwaartekracht-probleem is ook nog steeds niet opgelost in QED, en variabele ‘constanten’ zijn daar onmogelijk. Dus er is genoeg reden voor een andere benadering.

4.4.2.   Nelson (1967) schrijft: We zullen in dit document proberen aan te tonen dat het radicale afscheid van de klassieke natuurkunde, veroorzaakt door de introductie van de kwantummechanica 40 jaar geleden, onnodig was. Ik geef hier een complete klassieke afleiding van de vergelijking van Schrödinger, waarbij ik een gedachtengang volg die een natuurlijke ontwikkeling is van de redenering, gebruikt in de statistische mechanica en in de theorie van de Brown’se beweging”.

4.4.3.   Boyer (1975) gebruikte klassieke natuurkunde plus ZPE om aan te tonen dat de fluctuaties, die het ZPF veroorzaakt op de positie van elementaire deeltjes (Zitterbewegung), precies overeenkomen met die in de standaard kwantumtheorie en het onzekerheidsprincipe van Heisenberg.

 

4.5.    Het nulpuntsveld en de natuurkundige ‘constanten’

We hebben al gezegd dat de roodverschuiving in het begin zeer hoog was, en de energie in het nulpuntsveld zeer laag. Er zijn wiskundig bepaalde verhoudingen tussen het ZPF en andere grootheden. Als het ZPF in sterkte afneemt in de richting van het verleden, dan

·         neemt de roodverschuiving toe (in kwanta),

·         wordt de lichtsnelheid groter,

·         neemt de radioaktieve vervalsnelheid toe,

·         neemt de stralingsenergie af.

 

5.       De lichtsnelheid (PP18-22)

We bespraken al de roodverschuiving. Nu dus de lichtsnelheid. In de 19e en de 20e eeuw werd er verondersteld dat de lichtsnelheid niet constant is, maar variabel, preciezer: afnemend. Dat betekent dat de lichtsnelheid in het verleden hoger was.

Er werd wel onderzoek naar gedaan, maar dat trok niet veel aandacht. Einstein had voor zijn relativiteitstheorieën aangenomen dat de lichtsnelheid constant is. Dat verminderde sterk de motivatie om in dit probleem te gaan spitten. Maar, met één opvallende uitzondering!

 

5.1.    Barry Setterfield’s onderzoek naar de lichtsnelheid

Barry Setterfield publiceerde de resultaten van zijn eerste onderzoek naar de lichtsnelheid in 1983.
Een uitnodiging van Lambert Dolphin, senior researchfysicus bij Stanford Research Institute, om een document daarover te publiceren om een discussie op gang te brengen, leidde tot een tweede publikatie (1987). De uitkomsten waren:

·      Met alle gebruikte methoden en instrumenten bleek de lichtsnelheid te zijn afgenomen in de laatste 300 jaar. Een heel duidelijk geval waren de metingen in het Pulkova observatorium bij St. Petersburg in Rusland. Die waren uitgevoerd van 1750 tot 1935 met dezelfde methode (aberratie) en met hetzelfde instrument. De metingen toonden een duidelijke, niet-lineaire afname, in totaal meer dan 100 km/sec, hoewel de waarden systematisch te laag waren.

·      Er werd gezocht naar een passende functie met de methode van de kleinste kwadraten. Het resultaat was een exponentieel afnemende curve, die de y-as asymptotisch nadert op een tijdstip van 8.000-18.000 jaar geleden. Intussen zijn de resultaten aan nieuwe bevindingen aangepast.

·      Documentair onderzoek onthulde dat enkele andere ‘constanten’ in ritme met de lichtsnelheid varieerden, bijv. de constante van Planck en de rustmassa van het elektron.

·      De curve die toen door Setterfield werd gevonden en die in latere jaren is gecorrigeerd, is praktisch identiek met de roodverschuivingscurve.

Dolphin schrijft in zijn voorwoord voor deze publikatie: “Ik heb geleerd om nieuwe ideeën zoals deze uit te schiften wanneer ze in druk verschijnen en intensieve aandacht aan sommige van die te schenken, want uit dit soort documenten komt vaak de verandering en de vooruitgang in de wetenschap”.

Gerald Aardsma, een staflid van het ICR (Institute for Creation Research, USA) startte een snelle aktie met negatieve publiciteit, die er onder andere toe leidde dat Setterfield als ‘besmet’ werd beschouwd en dat Dolphin met zijn groep door Stanford werd ontslagen. Deze zelfde Aardsma – geen professionele statisticus – publiceerde een afwijzende beoordeling van Setterfield’s werk, onterecht gekenmerkt als ‘analyse’, hoewel hij van tevoren door collega’s met statistische achtergrond was gewaarschuwd om niet te publiceren. Dit document, nog steeds beschikbaar op de website van het ICR, is voor veel creationisten de reden om Setterfield kompleet af te schrijven. Sindsdien wordt hij door velen beschouwd als niet ter zake doende. Enkele jaren later is zijn werk grondig en kritisch geanalyseerd en doorgelicht door Alan Montgomery, een Canadese statisticus, die Setterfield weliswaar op ondergeschikte punten kritiseerde, maar die zijn uitkomsten zonder meer accepteerde. Tot nu toe weet ik niet van enige afwijzing van Setterfield’s werk, dat berust op serieuze analyse.

 

5.2.    Andere onderzoeksresultaten

Staat Setterfield alleen in zijn opvattingen? Beslist niet! Verschillende onderzoekers hebben over dit thema gepubliceerd. Want er is een pijnlijk probleem in Big Bang, dat echt opgelost moet worden, nl. dat sterrenstelsels, zelfs zo ver weg als 13 miljard lichtjaar, geen enkel spoor van kosmologische evolutie vertonen, maar volledig ‘geëvoleerd’ en volwassen zijn. Wat betekent dat de veronderstelde kosmologische evolutie moet plaats hebben gehad in 0,7 miljard jaar, oftewel in slechts 5% van de veronderstelde kosmische leeftijd. Enkele voorbeelden:

5.2.1.   Victor S. Troitskii van het Radiophysical Research Institute in Gorki (Rusland) concludeerde in 1987 als resultaat van zijn onderzoek naar de roodverschuivings-anomalieën:

°         De kosmos is statisch

°         De lichtsnelheid was zeer hoog in het begin, praktisch oneindig hoog, en is afgenomen gedurende de leeftijd van het universum.

°         Andere ‘constanten’ veranderen (omgekeerd) proportioneel met de lichtsnelheid

5.2.2.   J.W. Moffat in 1993:

°         Er moet in het begin van de kosmos een veel hogere lichtsnelheid geweest zijn.

5.2.3.   Andy Albrecht en João Magueijo (1999):

°         Vele kosmologische puzzles worden eenvoudig opgelost als de lichtsnelheid in het begin erg hoog was.

5.2.4.   John D. Barrow (1999):

°         In een BBC TV-interview zei hij: "Noem het ketterij maar alle grote problemen smelten als sneeuw voor de zon als ‘c’ hoog mag zijn in het verleden".

Moffat zowel als Albrecht, Magueijo en Barrow veronderstellen dat deze hoge initiële lichtsnelheid snel is afgenomen tot de huidige waarde; maar zij hebben niet serieus gekeken naar de relatie met de andere ‘constanten’ zoals Troitskii.

 

5.3.    Fotonen en het nulpuntsveld (PP21)

Dit diagram toont waarom de lichtsnelheid zo hoog was in het begin. Omdat het nulpuntsveld juist aan het opbouwen was en het aantal virtuele deeltjesparen nog klein, moesten de fotonen maar een klein aantal virtuele deeltjes ‘passeren’, en konden zodoende reizen met hun buitengewoon hoge intrinsieke snelheid. Een snelle opbouw van het nulpuntsveld remde de fotonen steeds verder af, wat betekende dat de lichtsnelheid afnam.

 

5.4.    Lichtgolven in een afnemend nulpuntsveld (PP22)

Dit diagram laat zien hoe een waarnemer op aarde de effekten van de ‘banden’ met naar rood verschoven licht ervaart, die zich van hem af bewegen. Ook is aangegeven dat de golflengte gelijk blijft zodra de fotonen zijn geëmitteerd. Behoud van energie wordt zodoende gehandhaafd.

 

6.       Radioaktiviteit en andere ‘constanten’ (PP23-24)

        Verscheidene andere ‘natuurconstanten’ variëren in ritme met de sterkte van het nulpuntsveld.

 

6.1.    Radioaktieve vervalsnelheid

Ook de radioaktieve vervalsnelheid is afhankelijk van de sterkte van het nulpuntsveld, en volgt dus de lichtsnelheidscurve, met de volgende consequenties:

·         De radioaktieve vervalsnelheid was in het begin zeer hoog

·         Het grootste deel van het verval vond plaats tijdens de scheppingsdagen en kort daarna.

·        Maar de stralingsenergie was zeer laag in het begin en nam omgekeerd evenredig met de vervalsnelheid toe, wat betekent dat de schadelijke gevolgen van deze straling niet verschillen van die van tegenwoordig. Het betekent ook dat de warmteontwikkeling beperkt was.

·         Setterfield veronderstelt dat de zware radioaktieve elementen hoofdzakelijk in de diepere lagen van de planeten te vinden waren, vanwege de manier waarop ze gevormd zijn. Door geweldige bewegingen van het mantelmateriaal tijdens de vloed zijn ze dichter aan de oppervlakte gekomen.

·         De uitkomsten van radiodateringsmethoden moeten gecorrigeerd worden in overeenstemming met de afnamecurve van de lichtsnelheid, c.q. radioaktieve vervalsnelheid. 13,7 miljard jaar krimpen dan eenvoudig ineen tot ongeveer 8.000 jaar

 

6.2.    Het RATE projekt

Enkele woorden over de uitkomsten van het RATE projekt (radiodaterings-onderzoeksprogramma van het ICR):

·         Een hoge radioaktieve vervalsnelheid in het verleden is plausibel, ook al heb je serieuze detail-kritiek op het onderzoeksproces.

·         Stralingsenergie en warmteontwikkeling zijn grote problemen.

°        Beide heeft men verschoven naar de eerste scheppingsdagen, omdat er toen nog geen leven was dat erdoor beschadigd kon worden: verder is het jaar van de vloed aangemerkt als een periode met een hoge radioactieve vervalsnelheid zonder schadelijke gevolgen, doordat er een dikke laag water was. Wat gebeurde er tussen schepping en vloed? Dit is tamelijk onwaarschijnlijk.

°         Beide problemen zijn eenvoudig opgelost in Setterfield’s model, maar Setterfield is spijtig genoeg nog steeds uit het zicht bij de gevestigde creationistische kringen.

 

6.3.    Gedrag van andere ‘constanten’ met betrekking tot de lichtsnelheid (PP24)

Verscheidene historische metingen tonen dat de waarden van sommige ‘natuurconstanten’ veranderen in ritme met de lichtsnelheid

Vele constanten, bijv. de Rydberg constante, blijken constant te blijven als ‘c’ verandert.

Maar de constante van Planck (h) en de rustmassa van het elektron nemen toe als de lichtsnelheid afneemt. Deze uitkomsten zijn in overeenstemming met Setterfield’s ideeën.

Tegenwoordig worden geen veranderingen in de lichtsnelheid meer gemeten, wat niet betekent dat die niet verandert. De oorzaak is dat ‘c’ nu wordt gemeten met behulp van de cesium atoomklok, maar de snelheid van deze klok loopt gelijk op met de lichtsnelheid. Zelfs een verdubbeling of halvering van de lichtsnelheid zal met deze klok niet vastgesteld (kunnen) worden.

 

7.       Consequenties van dit concept (PP25)

        Als we Setterfield’s werk samenvatten dan zien we:

·         Een statisch universum, wellicht enigszins oscillerend, waarin de gegevens van

°        Nulpuntsenergie (ZPE),

°        Gekwantiseerde roodverschuiving,

°        Radioactieve vervansnelheid, en

°        Lichtsnelheid,

allemaal wijzen in de richting van één en slechts één consequentie:

EEN JONG HEELAL.

 

8.       Hoe is het allemaal begonnen? (PP26)

Hier verlaten we het gebied van de wetenschap en overschrijden een grens. De schepping, het begin van hemel en aarde, is niet toegankelijk voor onze ogen en verstand. Heeft God de hemelen uitgebreid, zoals de Bijbel zegt? Laten we met eerbied kijken en denken.

Zou het zó gegaan kunnen zijn?

·         De kosmos werd werkelijkheid door Gods machtswoord. En dan?

°        De structuur van de kosmos werd geladen met een onvoorstelbare energie.

°        Een enorme expansie vindt plaats, absoluut onvergelijkbaar met de Big Bang.

°        In deze kosmische structuur ontstaan grote hoeveelheden ‘Planck deeltjesparen’ (ppp).

°        De expansie veroorzaakt scheiding en turbulentie van de ppp’s.

°        Scheiding induceert secundaire elektrische velden, tubulentie induceert secundaire magnetische velden; beide tezamen bouwen het nulpuntsveld (ZPF) op.

°        Het aantal virtuele deeltjesparen (van dit ZPF) is klein in het begin maar neemt zeer snel toe.

·         Hoe kunnen we ons de vorming van sterrenstelsels, sterren en planeten voorstellen?

°        De nieuwe plasmatheorie laat, in combinatie met het initieel zwakke nulpuntsveld, extreem snelle vorming van sterrenstelsels toe; deze theorie kan in het laboratorium getest worden.

°        Kernen van sterrenstelsels (type II sterren) lichten zeer snel op (op de eerste scheppingsdag?).

°        Sterren in de armen van die stelsels (algemeen type I) lichten op na 3-3½ dag. Onze zon wordt gemaakt op en geeft licht vanaf de vierde dag.

°        Planeten in een zonnestelsel worden gevormd van de buitenkant naar het centrum, terwijl de ijzerkernen proportioneel toenemen, wat betekent dat de binnenste planeten relatief de grootste ijzerkernen hebben; de centrale (meestal grootste) massa concentreert in de vorming van een ster, en heeft daarom enige tijd nodig om op te lichten.

Natuurlijk is veel nog speculatief en vraagt het heel wat onderzoek. Het werk van de Schepper in Zijn schepping zal altijd voor onze wetenschappelijke research verborgen blijven. Maar ik geloof dat er met de plasmatheorie verreikende innovaties in de kosmologie mogelijk zullen worden. We hebben nu de kans om oude en totaal inadequate modellen terzijde te stellen en een enorme sprong voorwaarts te maken.

 

9.       Conclusies (PP27)

·         De Big Bang hypothese met zijn miljarden jaren en vele ernstige problemen zou niet de voorkeur moeten hebben van Christenen, die in de wetenschap werkzaam zijn:

°       Veel algemeen geaccepteerde gegevens wijzen in de richting van andere en vruchtbaardere alternatieven.

°       De nieuwe plasmatheorie is veelbelovend en opent een groot aantal nieuwe mogelijkheden.

°       Het werk van Barry Setterfield heeft veel informatie eenvoudig toegankelijk gemaakt voor zowel vakman als geïnteresseerde leek. Hij heeft de moeite genomen om een consistent kosmologisch model op te bouwen, dat alle serieuze kritiek tot nu toe moeiteloos heeft doorstaan. Bovendien is hij voortdurend bezig met het aanpassen en uitbreiden van het model, zodra nieuwe gegevens en mogelijkheden beschikbaar komen.

·         Ik beveel jullie sterk aan om zijn werk serieus te bestuderen, en om de emotionele en ongegronde afwijzing door vele creationisten te negeren. De meesten kennen zijn werk überhaupt niet. Het is mijn overtuiging dat we hier met revolutionaire ontwikkelingen te maken hebben, die kunnen leiden tot een geheel nieuw verstaan van de ons omringende kosmos.

En ik hoop dat eindelijk recht zal worden gedaan aan deze broeder in Christus.

 

 

==================================================================================

 

Referenties:

 

2.1. Problemen voor Christenen met de moderne kosmologie

Van Till HJ (1986) The Fourth Day – What the Bible and the Heavens Are Telling Us about Creation (Wm. B. Eerdmans Publishing Co, Grand Rapids USA)

Williams A & Hartnett J (2005) Dismantling the Big Bang. (Master Books, USA)

 

2.3. Kritiek en critici

Longair MS (1995) The Physics of Background Radiation. (In Binggeli B & Buser R [editors] The Deep Universe. Springer, Berlin).

Misner CW Thorne KS & Wheeler JA (1973). Gravitation 273. (Freeman & Company, USA).

Misner CW Thorne KS & Wheeler JA (1973). Gravitation 767. (Freeman & Company, USA).

Friedmann A (1922) Zeitschrift fur Physik 10, 377.

Lemaître G (1927) Annales Société Scientifique Bruxelles A 47, 49.

 

3.1. William Tifft

Tifft WG (1976-1977) Discrete States of Redshift and Galaxy Dynamics (3 artikelen). Astrophysical Journal 206, 38-56 / 211, 31-46 / 211, 377-391

Arp H (1987) Quasars, Redshifts and Controversies. (Interstellar Media, Berkeley, Ca USA).

Fisher JR & Tully RB (1981) Astrophysical Journal Supplement 47, 139.

Tifft WG & Cocke WJ (1984) Global Redshift Quantization. Astrophysical Journal 287, 492-502.

Arp H & Sulentic J (1985) Astrophysical Journal 291, 88.

 

3.2. Guthrie en Napier

Schewe PF & Stein B (1992a). Physics News Update 61. (American Institute of Physics).

Schewe PF & Stein B (1992b). Physics News Update 104. (American Institute of Physics).

Guthrie BNG & Napier WM (1996). Astronomy and Astrophysics 239, 33.

 

3.3. Tifft’s conclusies uit 1991

Tifft WG (1991) Properties of the Redshift. Astrophysical Journal 382, 396.

 

3.4. Het gedrag van de gekwantiseerde roodverschuiving

Bell MB & Comeau SP (2003) Further Evidence for Quantized Intrinsic Redshifts in Galaxies: Is the Great Attractor a Myth? Astrophysical Journal Mai 2003

 

4.1. Welk soort universum?

Narlikar J & Arp H (1993). Astrophysical Journal 405, 51.

Troitskii VS (1987). Astrophysics and Space Science 139, 389.

Van Flandern TC (1984) Precision Measurements and Fundamental Constants II (National Bureau of Standards Special Publication 617, B. N. Taylor & W. D. Phillips eds).

 

4.2. Planck’s eerste theorie en de kwantummechanica

De Broglie L (1924) Recherches sur la théorie des quanta (Masson, Paris, 1963).

Born M, Heisenberg W & Jordan P (1925) Zur Quantenmechanik. Zeitschrift für Physik 34, 858-888.

Schrödinger E (1926) Un Undulatory Theory of the Mechanics of Atoms and Molecules. Physical Review 28(6), 1049-1070

Heisenberg W (1927) Über den anschaulichen Inhalt der quantentheoretischen Kinematik und Mechanik. Zeitschrift für Physik 43, 172-298

 

4.3. Planck’s tweede theorie en het nulpuntsveld

Einstein A & Stern O, (1913) Annalen der Physik 40, 551

Nernst WH (1916) Verhandlungen der Deutschen Physikalischen Gesellschaft 4, 83

Mulliken RS (1925) The Isotope Effect in Band Spectra, II: The Spectrum of Boron Monoxide. Physical Review 25(3), 259-294.

 

4.4. Nieuwe ontwikkelingen

De Broglie L (1962) New Perspectives in Physics. (Basic Books Publishing Co, NY, USA).

Nelson E (1967) Dynamical Theories of Brownian Motion. (Princeton University Press).

Boyer TH (1975) Random electrodynamics: The theory of classical electrodynamics with classical electromagnetic zero-point radiation. Physical Review D 11(4), 790-808

 

5.1. Barry Setterfield’s onderzoek naar de lichtsnelheid

Setterfield BJ & Norman T (1987) The Atomic Constants, Light and Time.

(Op Internet: http://www.setterfield.org/report/report.html)

Aardsma GA (1988) Has the Speed of Light Decayed? Op Internet: http://www.icr.org/article/283/.

Montgomery A & Dolphin L (1993) Is the Velocity of Light Constant in Time? Galilean Electrodynamics
4, 5. Op Internet: (artikel:) http://www.setterfield.org/000docs/data.htm
(data) http://www.setterfield.org/cdk/cdkgal.html .

 

5.2. Andere onderzoeksresultaten

Troitskii VS (1987). Astrophysics and Space Science 139, 389.

Moffat J (1993) Superluminary universe: a possible solution to the initial value problem in cosmology. International Journal of Modern Physics D 2:3, 351-366.

Albrecht A & Magueijo J (1999) A time varying speed of light as a solution to cosmological puzzles. Physical Review D 59:4, 3516.

Barrow JD (1999) Cosmologies with varying light speed. Physical Review D 59:4, 3515.

 

6.2. Het RATE projekt

Vardiman L et al. (2005) Radioisotopes and the age of the earth I/II. (ICR, El Cajon, USA).

 

 

Rhoon, november 2008                                                                                                            Rinus Kiel

(Nederlandse vertaling 15-17 mei 2009)

 

Up Pres. Setterfield Creationisme in NL Fair Science Bijbel Wetenschap