Rinus Kiel over Bijbel, cultuur en wetenschap

Reageren? Zie home-page                                                                                

======================================================

Home
Site-map
Updates
Deze site + mijzelf
Bijbel en theologie
Israel - volk en land
Filosofische items
Denken en cultuur
Wetenschap
Actualiteiten
Klimaat
Presentaties
Boeken
Weblinks

(Bijbel en theologie)

Up Over de Bijbel Septuagint Masoreten Bijbel wetenschap Vrijzinnige uitleg Ontstaan Genesis Wie is Jezus? Uittocht, intocht Toekomst Noach, Zondvloed

Versies van het Oude Testament: Septuagint en Masoreten

Nieuw 17/07/2010

Zoek op deze website

Samenvatting: Op deze website komen regelmatig verwijzingen voor naar deze twee versies van het Oude Testament. Wie de website vaker bezoekt, kent mijn voorkeur. Hier wordt de geschiedenis van deze twee versies uit de doeken gedaan, en vindt U het antwoord op de vraag waarom mijn voorkeur uit gaat naar de Septuagint.

Hebreeuws schrifttype Genealogie verschillen

Zie voor genealogie tabellen etc. (Engels): Masoretische, LXX & Samaritaanse Pentateuch tabellen en grafieken

Inleiding

In onze Bijbels is de tekst van het Oude Testament gebaseerd op de zgn. Masoretische versie, dat is het Hebreeuwse Oude Testament, ontstaan rond het jaar 100. En hoewel in deze versie geen belangrijke zaken uit het christelijk geloof worden ontkend, zijn er toch een aantal belangrijke manco's. Hoe komt dat? En zijn er betere versies? Over deze zaken gaat dit artikel. Het is een vertaling van een overeenkomstig artikel op de website van Barry Setterfield over de Alexandrijnse Septuagint, een Griekse vertaling rond 250 v.C. van het Oude Testament uit een oudere Hebreeuwse tekst, waaruit Jezus en de apostelen citeerden, waarnaar ik graag verwijs.

Hierboven verwijzingen naar pagina's, waarin enkele vragen aan bod komen, waarop door Setterfield is geantwoord.

Dit artikel is als volgt onderverdeeld:

Vroege geschiedenis
De opkomst van het christendom
Akiva en Jamnia
De Dode Zee-rollen
Textuele verschillen
De oude chronologie
Origenes
De ketterij van Arius
Athanasius
Thecla
Drie Codices
En daarna
Conclusie
Referenties

 

Vroege geschiedenis

    Tijdens de periode van de Perzische heerschappij in het Midden-Oosten bestond er al een belangrijke Joodse gemeenschap in Egypte. “Papyri van Elephantine (een eiland in de Nijl) geven aan dat er al in 495 v.C. een Joodse gemeenschap was gevestigd. Nadat Alexander (de Grote) het Perzische rijk had overwonnen werd Alexandrië de thuisbasis van een grote Griekssprekende Joodse populatie.”[1] In de derde eeuw v.C. was de gemeenschappelijke taal in het hele Middellandse Zeegebied het Koine-Grieks, soms ook het Alexandrijnse Grieks of Alexandrijnse dialect genoemd. Het was de eerste of tweede taal in de tijd van de Griekse overheersing tot in de Romeinse tijd. Koine-Grieks werd gesproken door iedereen van Egypte tot India, in het hele oostelijke Middellandse Zeegebied en in het Midden-Oosten. Deze gemeenschappelijke taal hield stand in vele landen van het Romeinse rijk tot zij uiteindelijk in onbruik geraakte in de Middeleeuwen in Europa.[2] Koine-Grieks was de taal die gebuikt werd door de apostelen, de kerkvaders en de vroege christenen die het evangelie verkondigden in het Romeinse rijk en daarbuiten.

    En daarom was het nodig dat de grote Griekssprekende Joodse gemeenschappen in Egypte en het hele Midden-Oosten hun Schriften vertaald kregen in de taal die zij dagelijks gebruikten. Het gebruik van Hebreeuws was beperkt tot de geleerden en de beter opgeleiden. Vaak werd in de synagogen het gelezene uit de Hebreeuwse Bijbel samenvattend in het Grieks vertaald. Er was een betrouwbare Griekse vertaling van de Bijbel nodig om de lezing daarvan in de synagoge te kunnen begrijpen. Maar die was ook nodig voor academische discussies en bespreking door leken en eigenlijk voor iedereen in het rijk die kon lezen.

    In 289 v.C. werd Philadelphus co-regent van het Ptolemeïsche rijk samen met zijn vader, Ptolemaeus Soter. Het Ptolemeïsche rijk had zijn basis in Alexandrië, Egypte. In 285 deed Soter afstand van de regering ten behoeve van zijn 22-jarige zoon, en stierf twee jaar later op de leeftijd van 84 jaar.[3] In de tweede helft van zijn regeerperiode stond Soter erg sympathiek ten opzichte van de Joodse bevolking. Zijn zoon Philadelphus zette deze politiek voort en bevrijdde vele Joodse slaven; hij plaatste sommigen van hen in verantwoordelijke posities zowel in de staat als in het leger.

    Soter was zelf een geleerde en hij stimuleerde een goede opleiding voor zijn volk. Hij verzamelde ‘geleerden’ aan zijn hof. Verder nodigde hij de beroemde filosoof Strabo uit om als mentor en opvoeder van zijn zoon in Alexandrië op te treden, terwijl Euclides [de ‘uitvinder’ van de wiskunde die wij nog steeds op school leren] een van de geleerden was die hij begunstigde.[4] Het was deze Ptolemaeus Soter die de beroemde bibliotheek in Alexandrië oprichtte en persoonlijk Demetrius Phalerius als bibliothecaris benoemde, een man met gelijksoortige wetenschappelijke interesses. Demetrius kreeg de opdracht om alle mogelijke documenten van over de hele wereld voor de bibliotheek te verzamelen, zodat ze beschikbaar waren en konden worden geraadpleegd door iedereen die kon lezen.

    Het was de combinatie van Soters liefde voor de wetenschap en zijn waardering voor de Joden die hem ertoe bracht om aan een Griekse vertaling van de Hebreeuwse Schriften te gaan denken. Josephus vertelt ons dat Demetrius – vanwege Soters al gevorderde leeftijd – de co-regent Ptolemaeus Philadelphus benaderde, en het voorstel met hem besprak. Ptolemaeus zou de operatie financieren.[5] Hij stuurde Andreas, de kapitein van zijn lijfwacht, en een van zijn vertrouwelingen, Aristeas, die de Joodse belangen in meer dan één gelegenheid had vertegenwoordigd, naar Eleazar, de hogepriester in Jeruzalem. Zij namen giften voor de tempel mee, en kwamen met de vraag of Eleazar geleerden wilde sturen die vloeiend Hebreeuws en Grieks spraken, om de vertaling te doen. Voorgesteld werd om uit elke stam 6 man te nemen. Maar Josephus noemt specifiek 70 man die de vertaling deden [in plaats van de 6 x 12 = 72]. Hierdoor wordt deze vertaling de Septuagint genoemd (Latijn voor 70), en afgekort tot LXX (Romeins getal 70).

    De Hebreeuwse Schriften van die tijd bestonden uit wat wij vandaag het Oude Testament noemen. Ze waren geschreven op boekrollen in een schrifttype van het Hebreeuws, genoemd paleo-Hebreeuws, dat meer op handschrift lijkt; de moderne rechthoekige tekens kwamen pas later. De vertaling werd dus gedaan vanuit dat paleo-Hebreeuws naar Koine-Grieks. Josephus vertelt ons dat de vertalers over de verhoogde weg die van Alexandrië naar het eiland Pharos loopt, naar een plaats gebracht werden die daar speciaal voor hen was gereserveerd om hun werk te doen.

    We kunnen deze gebeurtenissen tamelijk nauwkeurig dateren vanuit historische gegevens. Na Soters dood was er een paleisrevolutie waarin Demetrius een rol speelde. Ten gevolge daarvan werd hij verbannen naar de woestijn waar hij rond 282 v.C. stierf door een slangenbeet.[6] Daaruit volgt dat de organisatie en de start van de vertaling moeten gedateerd worden ergens tussen 289 en 283 v.C. toen Philadelphus regeerde en Soter nog leefde om Demetrius te steunen. Een nog bestaande Brief van Aristeas beschreef enkele van deze gebeurtenissen en vermeldde dat de vertaling van de ‘Wet’, dat is de Pentateuch [de 5 boeken van Mozes], gereed was in het 7e jaar van Philadelphus, dat is 283/282 v.C.[7] En inderdaad, het jaar 282 v.C. is een algemeen geaccepteerde datum voor het gereedkomen van de vertaling van de ‘Wet’.[8] Deze data kloppen dus met die van de dood van Soter en het overlijden van Demetrius, en zijn met elkaar een samenhangende groep gegevens. Philo van Alexandrië ondersteunt ook dit verslag van de gebeurtenissen in zijn Leven van Mozes (2.25-44).

    Daarna werd de vertaling van de complete canon van de Joodse Schriften stapsgewijs gedaan. Mogelijk was die gereed gedurende de regering van Philadelphus, omdat hij betrokken was bij de start van het project. Als dat zo is, betekent het, dat alles gereed was vóór zijn dood in 246 v.C. Sommigen zien de completering pas tijdens de 1e eeuw v.C. Documenten vóór de 1e eeuw suggereren echter dat het anders was. “Rond het midden van de 2e eeuw (v.C.) schijnt de Joodse historicus Eupolemos een Griekse versie van Kronieken gebruikt te hebben (Swete: Introduction to the Old Testament in Greek, 24-25). De Griekse tekst van de Wijsheid van Jozua ben Sira (ook bekend als Sirach of Ecclesiasticus), gedateerd rond 132 v.C., bevat een proloog die refereert aan een Griekse vertaling van ‘de Wet, de Profeten, en de rest van de boeken’.”[9].

    Deze verwijzingen suggereren dat de Griekse canon van het Oude Testament gereed was, gekopieerd, gedistribueerd, en in algemeen gebruik op zijn laatst rond het midden van de 2e eeuw v.C. Dit wordt ondersteund door het feit, dat fragmenten van deze Griekse tekst de John Rylands Papyrus 458 bevatten, die dateert uit de 2e eeuw v.C. en Papyrus Fouad 26, die dateert van rond 100 v.C.[10]  Verder bevatten andere fragmenten van deze Griekse tekst nog fragmenten van Leviticus en Deuteronomium uit de 2e eeuw v.C. (Rahlfs nrs. 801, 819 en 957), en fragmenten van Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium en de kleine profeten (Rahlfs nrs. 802, 803, 805, 848, 942 en 943).[11] Dus het bewijs voor het bestaan van de LXX in de 2e en 1e eeuw v.C. is tamelijk uitgebreid.

De opkomst van het christendom

    De eerste christenen waren Joodse bekeerlingen. Zij geloofden dat Jezus van Nazaret de langverwachte Messias was. In hun verkondiging toonden ze aan hoe de profetieën in hun eigen Schriften vervuld waren in Jezus – vaak op manieren die buiten de menselijke controle liggen, zoals de manier en de plaats van zijn geboorte.

    Tijdens de 1e eeuw A.D., toen de evangeliën, Handelingen en de brieven werden geschreven, bevatten die allemaal verwijzingen naar teksten in de Joodse Schriften, vaak letterlijk geciteerd. In het bijzonder Paulus was grondig opgevoed in de Joodse Schriften, omdat hij was opgeleid als een Farizeeër, en zijn verwijzingen en citaten zijn talrijk in al zijn geschriften.

    Maar ook brieven die in die 1e eeuw door christenen aan andere christenen geschreven werden, en die nog steeds bestaan, citeren vrijelijk uit zowel de geschriften die later het Nieuwe Testament zouden vormen, alsook uit de Joodse Schriften.

    Deze citaten en verwijzingen komen precies overeen met de tekst van de oude Septuagint maar niet met de tekst van de versie van het Oude Testament zoals wij die nu hebben. En daarvoor is een interessante oorzaak.

Akiva en Jamnia

    Hoewel de eerste christenen Joodse bekeerlingen waren, leidde de verspreiding van het evangelie onder de heidenen er al snel toe dat de meerderheid van de christenen van heidense, dus niet-Joodse oorsprong was. In die tijd ontstond er een grote mate van vijandschap ten opzichte van de christelijke sekte binnen de Joodse gemeenschap. Paulus zelf, als Saulus – zijn eerdere naam – was erg gebrand op de uitroeiing van de nieuwe christelijke sekte, en het zuiver houden van de eredienst van de ware God. In het boek Handelingen beschrijft Lucas hoe Saulus tot bekering kwam en zijn naam veranderde in Paulus. Zo werd hij de apostel van de heidenen. Maar dit was geen normale gebeurtenis, om het zachtjes te zeggen, en tussen Joden en christenen woedde steeds meer een verhitte discussie.

    Tegen het einde van de 1e eeuw A.D. verscheen er iemand ten tonele, Bar Kochba genoemd, die vastbesloten was om de Romeinen en hun superieuren met geweld te verdrijven. Zijn persoonlijke charisma en kundigheden verschaften hem een hele schare volgelingen, die zelfs meenden dat hij de langverwachte Messias was, die de wereld zou overwinnen en vanuit Jeruzalem zou regeren, zoals in de Schriften was voorzegd. In diezelfde tijd kwam er nog iemand aan de macht, een rabbijn genaamd Akiva. Ook hij streefde naar macht, en in een reeks bijeenkomsten, die later werden samengevat onder de naam ‘concilie van Jamnia’, vond hij een weg om zich daarvan te verzekeren.

    Omdat vaak wordt beweerd dat het concilie van Jamnia nooit heeft bestaan, zijn hier enkele historische feiten. Toen Vespasianus keizer werd, daarbij een voorzegging van rabbi Yochanan ben Zakkai vervullend, ontving deze het keizerlijke recht om een academie of rabbinale school te vestigen in Yavneh (Jamnia). Gedurende een bepaalde periode en door een serie listige manoeuvres verkreeg rabbi Akiva zeggenschap over die academie. Hij haatte Jezus hartstochtelijk en hij bewonderde Bar Kochba. Hij had één duidelijk doel voor ogen: het rabbijnse Judaïsme moest de complete controle krijgen over ieder aspect van het Joodse leven. Dat gebeurde natuurlijk niet zo gemakkelijk. Maar Akiva bereikte zijn doel door geduld. Dit proces wordt soms aangeduid als het concilie van Jamnia.

Dit proces wordt in detail beschreven in het boek van Dan Gruber: Rabbi Akiva’s Messias. Hij zegt:

Akiva’s oppositie [tegen de christenen] leidde hem ertoe om een nieuwe rabbijnse Griekse Bijbel te promoten en een rabbijnse, informele Targum [commentaar]. Het leidde hem er ook toe om de Farizeïsche traditie te veranderen. In zijn inspanningen om alle Joodse leven onder de rabbijnse autoriteit te brengen, was Akiva consequent en meedogenloos. Soms hield Akiva zich bewust aan bepaalde leerstukken alleen maar om het geloof van de [christenen] te bestrijden, zoals hij had gedaan in zijn strijd tegen Gamaliël.... Hij zette de mondelinge leer op schrift om zijn invloed tegenover de traditionele rabbijnen te vergroten...[12]

    De nieuwe Griekse vertaling werd gedaan door Akiva’s leerling Aquila en was gereed in het jaar 128. We weten dat dit een Griekse vertaling was van wat we nu de Masoretische tekst noemen. Dat betekent dat deze Masoretische tekst Akiva’s rabbijnse versie van het Hebreeuwse Oude Testament moet geweest zijn. Alle bestaande teksten die overeen kwamen met de LXX die in gebruik was bij de christenen, werden verbrand. Dat wordt aangeduid door Gruber in zijn commentaar, dat “de rabbijnen bepaalden dat zelfs een boekrol van de Wet die door een christen was geschreven, verbrand moest worden. R. Nahman zei: ‘Het is traditie dat een wetsrol door een christen geschreven, verbrand moet worden’. R. Akiva zegt: ‘Je moet het hele ding verbranden, omdat het niet in heiligheid geschreven is.’”[13]. Zo creëerde dit proces, genoemd het concilie van Jamnia, de Hebreeuwse Masoretische tekst, in contrast met de oude paleo-Hebreeuwse tekst, die leidde tot de LXX.

    Rabbi Akiva en anderen bij dit ‘concilie van Jamnia’ ontkenden dat Jezus van Nazaret de langverwachte Messias was. Maar de christenen hadden juist de Schriften gebruikt om te bewijzen dat Jezus de Redder was, de Messias. Bijgevolg was het ofwel het concilie van Jamnia zelf, of een gerelateerde groep die door hen werd gesteund, die letterlijk de oude Schriften herschreven. Het meest opvallende was, dat zij schreven in een moderner Hebreeuws schrifttype. Het oude, of paleo-Hebreeuwse schrift leek meer op handschrift terwijl het moderne schrift dat zij gebruikten bestaat uit de rechthoekige tekens die we tegenwoordig zien. Maar dat was niet alles. Ze veranderden ook – zonder daar ophef over te maken – een aantal profetieën die door christenen gebruikt werden, zodat die niet vervuld schenen te zijn door Jezus, of op zijn minst niet overeenkwamen met de citaten in de christelijke geschriften.[14] Ook verkortten zij om een tamelijk vreemde reden de genealogieën in Genesis 5 en 11, zodat ze effectief 1300 jaar korter werden.

Professor S.H. Horn (archeologie, Andrews University, Michigan), schrijft:

“Maar de feiten – dat een nieuwe [Hebreeuwse] tekst plotseling de standaard werd aan het einde van de 1e eeuw en dat niet één kopie van een afwijkende tekst overleefde (behalve de Dode Zeerollen die al verstopt waren voordat Jamnia bijeenkwam), geven duidelijk aan dat het concilie van Jamnia in deze zaak actief is geweest. Verder is het feit dat Aquila, één van Akiva’s leerlingen, al spoedig daarna een nieuwe Griekse vertaling produceerde die slaafs de nieuwe Hebreeuwse tekst vertaalde voor gebruik door de Joden in de Diaspora, ondersteunt het idee dat Akiva een sleutelrol moet hebben gespeeld in de standaardisatie van de Hebreeuwse tekst.[15]

    Met andere woorden, de Masoretische tekst die vandaag de dag algemeen gebruikt wordt, ontstond in het concilie van Jamnia rond 100 A.D., en Aquila’s Griekse vertaling van Akiva’s Masoretische tekst was gereed rond het jaar 128.

    Rond het jaar 100, toen Akiva en het concilie van Jamnia de Oudtestamentische Schriften aan het veranderen waren, waren de Nieuwtestamentische evangeliën en de brieven al geschreven. En we weten van de brieven die de kerkvaders elkaar en anderen schreven, dat de citaten en verwijzingen die zij gebruikten, uit de oude Septuagint waren en niet uit de Masoretische tekst. Het zou nog 200 jaar duren eer de Masoretische tekst ook door de kerk zou worden aanvaard, als resultaat van een verzoek van keizer Constantijn.

    Het is tegenwoordig de gewoonte om elke vertaling van Hebreeuws naar Grieks een ‘Septuagint’ te noemen of ‘LXX’. Maar wat we hier hebben opgespoord is de oudste, oorspronkelijke Septuagint, die in Alexandrië is ontstaan, bijna 300 jaar voor Christus. Deze wordt gewoonlijk de Alexandrijnse Septuagint genoemd.

De Dode Zeerollen

    De Dode Zeerollen (DZR) geven ons meer houvast. Zij vallen uiteen in twee duidelijk onderscheiden groepen: rollen geschreven vóór het jaar 70 en rollen geschreven na het jaar 100. De oudere rollen waren geschreven tussen 250 v.C. en het jaar 68. In die tijd waren er drie verschillende groepen van Joodse leiders: de Farizeeën, de Sadduceeën en de Essenen. Deze laatste woonden in de buurt van Qumran en bezaten sommige van de oude Schriften. Behalve het bewaren van deze rollen, waren zij ook actief in het kopiëren ervan tussen 150 v.C. en het jaar 68.[16]

    Deze eerste groep DZR bevat tenminste 170 manuscripten uit de 11 Qumran grotten, en ook Bijbelse fragmenten van Masada.[17] Al deze rollen dateren van vóór de verwoesting van Jeruzalem door Titus in het jaar 70. Ze bevatten fragmenten van de Pentateuch en het boek Job, in de pre-exilische, paleo-Hebreeuwse tekst. Opmerkelijk is dat de Sadduceeën alleen de Torah en het boek Job als gezaghebbend beschouwden. Professor Horn concludeert daaruit dat deze paleo-Hebreeuwse teksten mogelijk de teksten vertegenwoordigen die de Sadduceeën gebruikten. De Samaritaanse Pentateuch is ook in het paleo-Hebreeuws en heeft in de kleine Samaritaanse gemeenschap die stijl behouden tot op heden. Het is belangrijk om op te merken dat de Samaritaanse Pentateuch nauwkeurig de oude LXX tekst volgt, met maar heel weinig afwijkingen, nl. die variaties die voorgeschreven worden door de tradities van de Samaritaanse gemeenschap.

    In de 2e eeuw werden de Farizeeën met hun rabbijnen de dominante stroming, de Sadduceeën en de Essenen verdwenen geleidelijk uit het zicht.[18] In deze tijd schijnt de tweede groep DZR te zijn verstopt. Deze manuscripten werden gevonden in andere woestijngrotten in Wadi Murabba'at, Nahal Hever en Nahal Se'elim. Deze tweede eeuwse manuscripten zijn praktisch identiek met de Masoretische tekst.[19]

    Horn vergelijkt de nauwkeurigheid van de Alexandrijnse LXX met de Masoreten en zegt: “In een artikel over een van de Samuël-rollen uit Qumran grot 4, informeert Frank Cross de wetenschappelijke wereld over nieuwe ontwikkelingen in ons verstaan van de voor-Masoretische tekst. Cross toont aan dat dit specifieke manuscript meer overeenkomt met de Septuagint dan met de Masoretische tekst.”[20]

    Biblia Hebraica concludeert uit deze en andere feiten: “Recente Aramese bevindingen in de DZR komen heel precies overeen met de LXX en niet met de Masoretische tekst. …Dit suggereert dat de oudere LXX nauwkeuriger zou kunnen zijn dan de nieuwere Masoretische tekst die in handen van Hiëronymus kwam.” [Toen Hiëronymus de Latijnse Vulgaat vertaalde, bereidde hij zich voor op het gebruik van de oude LXX-tekst. Maar zijn Joodse vrienden overtuigden hem dat de nieuwere Masoretische Hebreeuwse tekst superieur was.][21]

    Een meer recent commentaar betreffende de DZR is ook van belang: In een bespreking van sommige resultaten van dit onderzoek, schrijft Hershal Shanks dat “…er vele Hebreeuwse teksten [beschikbaar zijn] die als basis gediend hebben voor de Septuagint vertaling… “. Verder merkt hij op dat wat “…teksten als 4QSama laten zien is, dat de Septuagint vertalingen in werkelijkheid behoorlijk betrouwbaar zijn” en “…geeft nieuw gezag aan de Griekse vertalingen tegenover de Masoretische tekst”. Hershal citeert Frank Moore verder met “We konden nauwelijks hopen op een preciezere overeenkomst tussen de oude Griekse [Septuagint] vertaling en 4QSama dan in werkelijkheid gevonden is in onze fragmenten”.[22] De moderne wetenschappelijke opvattingen over de DZR ondersteunen dus het standpunt dat de oude LXX tekst overeenkomt met het originele Hebreeuwse Oude Testament zoals het bestond in de 1e en 2e eeuw v.C. en de vroege 1e eeuw A.D.

Tekstuele verschillen

    Nog een verwijzing naar verschillen tussen de Masoretische en LXX vertalingen is op de website Orthodox Wiki te vinden. Daar lezen we: “Er zijn vele interne variaties tussen de LXX en de MT. De teksten zijn verschillend op diverse plaatsen en geven een meer christologische toon aan de LXX, die bewust vermeden is toen de Masoreten hun anti-christelijke canon samenstelden. Deze verschillen in formulering zijn het bewijs dat de apostelen de LXX gebruikten.” Dan volgen er enkele voorbeelden van deze verschillen in formulering.

    Een ander opvallend voorbeeld is Hebreeën 1:6. Daar lezen we: “En wanneer Hij wederom de eerstgeborene in de wereld brengt, spreekt Hij: En Hem moeten alle engelen Gods huldigen.” Dat is een verwijzing naar Deuteronomium 32:43, in de oude Septuagint en de DZR alsook in de voetnoten van enkele moderne vertalingen. Echter, als je dat probeert op te zoeken in onze moderne vertalingen (die allemaal op de Masoretische tekst gebaseerd zijn), bestaat deze tekst niet in Deuteronomium 32:43. Onze moderne vertalingen geven alleen: “Jubelt, gij natiën, om zijn volk, want Hij wreekt het bloed van zijn knechten…” . In de oude versies vinden we echter de woorden: Jubelt, gij hemelen met Hem, en laten alle engelen van God Hem huldigen; jubelt, gij natiën, met zijn volk, en laten al Gods zonen zich in Hem sterken, want Hij zal het bloed van zijn zonen wreken…”. Zo schrapt de Masoretische tekst van rabbi Akiva een sleutelpassage (onderlijnd) die naar de godheid van Christus verwijst, een passage die de apostelen gebruiken in hun verkondiging van het evangelie, en die deel uitmaakte van hun Oude Testament.

    En ook in Hebreeën 10:5 vinden we een verschil. De schrijver citeert Psalm 40:6 van de oude LXX. (Merk op dat sommige psalmen in de LXX anders genummerd zijn dan de standaard in onze hedendaagse vertalingen. Zo is Psalm 40 in onze Bijbels Psalm 39 in de LXX). Hebreeën citeert de psalm als volgt: “Daarom zegt Hij bij zijn komst in de wereld: Slachtoffer en offergave hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij een lichaam bereid;” En alweer kunnen we deze woorden niet vinden in de moderne vertalingen. De Masoretische tekst is vervalst door rabbi Akiva, en mist deze woorden in Psalm 40. Ze zijn vervangen door: “In slachtoffer en spijsoffer hebt Gij geen behagen, (Gij hebt Mij geopende oren gegeven)”. En zo is elke verwijzing naar de incarnatie verdwenen. Dit zijn maar twee voorbeelden uit de talrijke citaten van de schrijvers van het Nieuwe Testament, die niet overeenkomen met wat we tegenwoordig in ons Oude Testament lezen.

Abegg et al. vat deze situatie samen in:

“De Septuagint is belangrijk om verschillende redenen. Allereerst, omdat alle boeken die het bevat, vertaald zijn vanuit een vroegere Hebreeuwse of Aramese vorm. … Dit betekent dat de Septuagint de lezers een venster geeft op een oude Hebreeuwse vorm van het Oude Testament uit de tijd vóór Jezus. Ten tweede geeft de Septuagint soms een opvallend getuigenis van verschillende oude vormen van Bijbelboeken (bijvoorbeeld is het boek Jeremia 13 procent korter in het Grieks dan in de Masoretische tekst), alsook verschillende lezingen van specifieke passages. Ten derde, omdat de Septuagint de Bijbel van het hellenistische Jodendom was, biedt het belangrijke inzichten in hoe de Griekssprekende Joden de Bijbel gebruikten en verstonden. Ten vierde, omdat de Septuagint geciteerd wordt in het Nieuwe Testament en door de vroege christelijke auteurs gebruikt werd, vormt hij de Bijbel van de vroege kerk en helpt bij het verklaren van de vroege christelijke exegese van de Bijbel. …”[23]

    Daarbij komt dat zowel Josephus als Philo in de 1e eeuw ook uitgebreid citeren uit de oude LXX tekst. Dit geeft aan dat deze tekst algemeen in gebruik was binnen de bredere Joodse gemeenschap in het Midden-Oosten in de 1e eeuw. Het is daarom buiten kijf dat de oude Alexandrijnse LXX bestond en geciteerd werd in de 1e eeuw v.C. en algemeen gebruikt werd in de 1e eeuw (A.D.), afgezien nog van het bewijs dat we in het Nieuwe Testament hebben. Wat Josephus betreft, zijn werken die na het jaar 90 verschenen, hanteren niet meer de LXX gegevens, maar lijken te putten uit de Masoretische tekst van de genealogieën en ander dateringsmateriaal.

    Het gebruik van de oude Septuagint in wetenschappelijke discussies zowel als het gebruik van de oudere chronologieën/genealogieën tot de tijd van het concilie van Nicea in 325, is een sterk bewijs dat dit de tekst was die door de vroege kerkvaders werd gebruikt. Dat wordt verder gestaafd door het feit, dat zij de nieuwere, en kortere genealogieën van Genesis 5 en 11 afwezen, die door de Masoreten gecreëerd waren. De oude LXX had een verschillende chronologie/genealogie in Genesis 5 en 11, vergeleken met de Masoreten. Terwijl de Masoreten het tijdstip van de schepping op rond 4.000 v.C. definiëren, geeft de oudere LXX een belangrijk vroegere datum, nl. rond 5.500 v.C. Josephus citeerde de LXX niet alleen, net als Philo, maar hij volgde ook de chronologieën/genealogieën van de LXX.

De oude chronologie

    Het materiaal in deze sectie is afkomstig van A. Roberts en J. Donaldson (samenstellers): "The Ante-Nicene Fathers," [10 vols. W. B. Eerdmans Publishing Co. Grand Rapids,  Michigan, 1994.]

    Theophilus, de apologeet en zesde bisschop van Antiochië (115-181) berekende dat de wereld 5.698 jaar oud was ten tijde van de dood van Marcus Aurelius in 180. Hij zei: “Alle jaren vanaf de schepping van de wereld geven een totaal van 5.698 jaar plus nog wat extra maanden en dagen.” [Theophilus aan Autolychus 3.28]. Vanwege deze “extra maanden en dagen” nam Theophilus een foutmarge van 200 jaar aan in zijn berekeningen [Theophilus aan Autolychus 3.29]. De conclusie is dat Theophilus de oude LXX gebruikte, niet de nieuwe Masoretische (Griekse) tekst die juist gereed gekomen was. Hetzelfde kan gezegd worden over het gebruik van het Oude Testament door Julius Africanus, die stierf rond het jaar 240. Dit had hij te zeggen: “De periode … tot de geboorte van de Heer vanaf Adam en de schepping is 5.531 jaren.” [Julius Africanus: “Fragments of the Chronography,” Fragm. 18.4]. Deze chronologie kan alleen maar ontleend worden aan de oude LXX, die kennelijk nog bestond en algemeen in gebruik was in die tijd, ondanks de beschikbaarheid van de nieuwe Masoretische tekst. Het blijkt dat deze nieuwere Masoretische tekst door de kerkvaders werd genegeerd en dat de LXX alleen voor gezaghebbend werd gehouden.

    Er is nog een interessant stukje bewijs uit deze periode. Er was een algemeen geloof in de opvatting die sommigen hebben genoemd “De grote aardse week”. Deze opvatting gaat ervan uit dat, zoals de schepping 6 dagen duurde en de Heer op de 7e dag rustte, er evenzo 6 ‘dagen’ van 1.000 jaar zouden zijn voor de menselijke geschiedenis, waarna de Heer zou terugkeren en de mensheid voor een 7e periode van 1.000 jaar zou regeren, het Duizendjarig rijk waarvan sprake is in Openbaring 20. En omdat de oude LXX aangaf dat de wereld was geschapen in 5.500 v.C. of iets eerder, was het algemeen gevoelen binnen de kring van kerkvaders vóór het concilie van Nicea, dat de 6.000 jaar menselijke geschiedenis op hun einde liepen, en dat de terugkeer van de Heer om het Millennium in te luiden aanstaande was. Dit idee was uitsluitend gebaseerd op de oude LXX chronologieën/genealogieën. Die van de Masoreten ondersteunden dit idee niet omdat daar een veel kortere tijdsschaal wordt gehanteerd.

Binnen deze context geven commentaren van andere kerkvaders vóór Nicea aan, dat ook zij de oude LXX tekst gebruikten.

o       Zo hebben we Justinus de Martelaar die leefde van ongeveer 100-165, die de LXX chronologie ondersteunde in zijn “Dialoog met Trypho,” 81.

o       Evenzo Irenaeus, die leefde van 120-202, in zijn werk “Tegen de Ketterijen,” 5.28.3.

o       Hippolytus, de polemicus en bisschop van Rome, die rond 236 stierf, was van dezelfde opvatting en stelde dat er nog “500 jaren ontbreken om de 6.000 vol te maken.” [Hippolytus, “Fragmenten uit commentaren – On Daniel2.4-6].

o       De “Treatises of Cyprian,” 11.11. geven aan dat Cyprianus, bisschop van Carthago, die leefde van 200-258, dezelfde chronologie hanteerde en dus de oude LXX tekst gebruikte.

o       Dat deed ook Commodianus, die rond 275 stierf ["The Instructions of Commodianus," 80], evenals

o       Victorinus van Pettau, die rond 304 stierf [Victorinus, “Over de schepping van de wereld”].

o       De derde bisschop van Olympus was Methodius. Hij was het eens met de conclusies van de “knappe wiskundigen” zoals Theophilus en Julius Africanus en accepteerde de LXX tekst als gezaghebbend [Methodius, Fragment 9].

o       Tenslotte, Lactantius, die in 320 stierf, juist vóór het concilie van Nicea, concludeerde dat “de laatste dag van het uiterste einde [van de 6.000 jaren] nadert nu met rasse schreden.” Hij vervolgde met te verklaren dat, hoewel er kleine verschillen zijn in de berekeningen, “toch alle verwachtingen niet de limiet van tweehonderd jaren te boven gaan.” [Lactantius, “Goddelijke onderwijzingen,” 7.14 en 25].

    Als we deze opstapeling van bewijs zien, kunnen we concluderen dat het bestaan en consequent gebruik van de oude LXX kan worden getraceerd vanaf ongeveer 282 v.C. tot aan het jaar 325. Het algemeen gebruik ervan is bewezen door de citaten eruit door de Joodse historicus Eupolemos in de 2e eeuw v.C. en door de DZR uit de 1e en 2e eeuw v.C. en 1e eeuw A.D. De Joodse schrijvers Philo en Josephus getuigen ook van zijn bestaan en gebruik in de 1e eeuw A.D. Verder bevestigen Christus, de apostelen en de kerkvaders zijn aanwezigheid en geldigheid tot aan het tijdstip van het concilie van Nicea. Het is rond de tijd van dit concilie dat de volgende ontwikkeling plaatsvindt. De oude LXX bestond toen als een algemeen beschikbaar manuscript, maar zijn bestaan werd bedreigd door bevelen van keizer Constantijn in het jaar 331. Om dit probleem en zijn historische achtergrond te begrijpen, moeten we de gebeurtenissen uit die tijd wat nader beschouwen.

Origenes (185-251)

Origenes was een geleerde in de derde eeuw, uit de Alexandrijnse school, die later in Caesarea gevestigd werd.

Hij was sterk beïnvloed door het platonisch en gnostisch denken. Als gevolg daarvan tendeerde zijn verdediging van het geloof naar het loslaten van belangrijke leerstukken. Hij ontkende de historiciteit van belangrijke gedeelten van de Bijbel; hij leerde het vóórbestaan van de ziel en het universalisme (de leer dat iedereen uiteindelijk zal worden gered), en ontkende dat Jezus uit de dood was opgestaan met een fysiek lichaam. Deze opvattingen zijn door latere concilies veroordeeld als ketterij.[24]

    Origenes was erop uit om de verschillende Bijbelvertalingen, die er toen bestonden, te coördineren. In die tijd hadden de Joden afscheid genomen van de Alexandrijnse LXX alsook van hun eigen oude vorm van Hebreeuws schrift, bekend als het paleo-Hebreeuws. Ze waren opgeschoven in de richting van de Masoretische versie, die ontstaan was in een poging om het gebruik van het Oude Testament door christenen, die aantoonden dat de bijbelse profetieën in Jezus van Nazaret waren vervuld, in diskrediet te brengen. Discussies tussen Joden en christenen hadden aan het licht gebracht dat de oude LXX en de nieuwere Masoretische teksten diverse duidelijke verschillen vertoonden, speciaal waar het zaken van christologie betrof. Origenes wilde deze verschillen aan de orde stellen. In het jaar 250 had hij zijn zeskoloms vergelijking van Bijbelversies, Hexapla genoemd, gecompleteerd.[25]

Men is het er over eens dat de zes kolommen van de Hexapla, in de juiste volgorde, waren:

  1. de Masoretische Hebreeuwse tekst,

  2. een transcriptie van de Masoretische Hebreeuwse tekst in Griekse letters,

  3. de Griekse vertaling van de Masoretische tekst, afkomstig van Akiva’s leerling Aquila,

  4. een globale Griekse versie van de Masoretische tekst, van de hand van Symmachus aan het einde van de 2e eeuw,

  5. de oude LXX Griekse versie,

  6. de versie van Theodotion, die de LXX gebruikte maar die op een vrije manier aanpaste tot die ongeveer overeenkwam met de Masoretische tekst.[26]

    Overvloedig bewijs toont aan dat Origenes er alles aan deed om de verschillende versies van de Bijbel in zijn tijd te harmoniëren. Zijn bedoeling was om een bijgewerkte versie van de oude LXX te produceren, en om dat te bereiken, paste hij delen van de LXX aan, om die met de Masoretische tekst in overeenstemming te brengen.

De ketterij van Arius

    In het jaar 319 ontstond er een serieuze controverse over de leer van Arius, die zich verspreidde over het hele oostelijke Middellandse Zeegebied. De oorsprong ervan is onduidelijk, hoewel het via Origenes begonnen zou kunnen zijn. Maar hoe het ook begon, deze theologie ontkende de godheid van Jezus. In het jaar 321 werd Arius – naar wie deze ketterij genoemd is – aangeklaagd door de synode van Alexandrië voor zijn ontkenning van Jezus’ godheid. Arius week uit naar Palestina onder de bescherming van de historicus Eusebius, die in 314 bisschop van Caesarea was geworden. Hij werd ook in bescherming genomen door een andere Eusebius, de bisschop van Nicomedia. Hier in Caesarea, nu onder Eusebius als bisschop, berustte het controversiële manuscript van Origenes (Hexapla).

    Vermeld zij dat de mentor van Eusebius van Caesarea een zekere Pamphilus was; samen hadden zij de “Verdediging van Origenes”[27] geschreven. De werken van Origenes werden door Eusebius positief gewaardeerd en zij kleurden zijn theologie.

    Tegen deze achtergrond van Arius’ ketterij gebeurde er nog iets belangrijks met betrekking tot de oude LXX. In het jaar 331, 12 jaar na het uitbreken van Arius’ ketterij, vroeg keizer Constantijn zijn vriend en historicus, bisschop Eusebius van Caesarea, om 50 kopieën van de Bijbel te maken. Welke versie zou hij gaan gebruiken? Zou het de LXX zijn, die de kerk nu al 300 had gebruikt, of zou hij de nieuwere Masoretische tekst kiezen, en zo ja, waarom?

    De 50 kopieën werden gemaakt van Origenes’ pogingen om de oude LXX te updaten en die zo in overeenstemming te brengen met de Masoreten. De drijfveer voor Eusebius om dat te doen was zijn waardering voor Origenes en hun beider vasthouden aan de ketterij die Jezus niet als God accepteerde. Het is opmerkelijk dat ook rabbi Akiva, die opdracht had gegeven tot die Masoretische tekst op het concilie van Jamnia, Jezus’ claims niet accepteerde. (In plaats daarvan ondersteunde hij Bar Kochba als Messias.) Dus de Masoretische tekst waarop onze vertalingen van het Oude Testament gebaseerd zijn, was het resultaat van het werk van Akiva, Origenes en Eusebius, die geen van drieën geloofden in de godheid van Jezus Christus.

Athanasius

    Een sleutelfiguur in het drama van die tijd was Athanasius, leider van de kerk in Alexandrië, Egypte van 327-373. Een andere betrokken persoon was Gregorius, een belangrijke vriend van Athanasius, die benoemd was tot bisschop van Nazianzen in Cappadocië (centraal Turkije) in het jaar 329. Gregorius wordt ook wel de “trinitarische theoloog” genoemd. Vijftig jaar later, in 379 werd Gregorius benoemd tot aartsbisschop van Constantinopel. Hij stierf op 25 januari 389. Om een indruk te geven van de aard van hun vriendschap, vermelden we dat hij over zijn goede vriend Athanasius schreef (Orat., xxii, 9) dat hij “op gelijke voet kon spreken met de gewone mensen, maar zich ook kon verheffen boven de meest ambitieuze, toegankelijk was voor iedereen, langzaam in toorn, snel in sympathie, plezierig in het gesprek, en nog aangenamer in humeur, effectief in debat en in actie, toegewijd in zijn eerbied, hulpvaardig voor christenen van iedere klasse en leeftijd, een theoloog voor de speculatieven, een trooster voor de gekwelden, een stok voor de ouderen, een gids voor de jongeren.”[28]

    Gezien het karakter van Athanasius en de steun die hij kreeg van Gregorius, gaan we nu het gerezen probleem omschrijven, en dan de actie die Athanasius uitvoerde om een remedie te verschaffen.

Er is geen duidelijke aanwijzing voor de relatie van Athanasius met de eerste twisten van Arius met zijn bisschop, die eindigden in de verbanning van Arius en zijn uitwijken naar Palestina onder de bescherming van Eusebius de historicus, bisschop van Caesarea en vervolgens van zijn naamgenoot, de bisschop van Nicomedia. Maar het kan nauwelijks worden betwijfeld dat Athanasius een toegewijde assistent was van zijn vriend en mentor Alexander, en dat de laatste werd gesterkt in zijn theologische positie door de jonge enthousiaste student, die alreeds de aard van de goddelijke Incarnatie had uiteen gezet; in die tijd schijnt hij aartsdiaken van Alexandrië te zijn geworden. Op het concilie van Nicea in 325 trad hij opvallend op met betrekking tot het debat. Hij nam deel aan het concilie, niet als een van zijn leden (die waarschijnlijk alleen bisschoppen of hun afgevaardigden kon zijn), maar meer als de assistent van Alexander. In deze hoedanigheid was het hem kennelijk toegestaan om aan de discussie deel te nemen, want Theodoret (i. 26) stelt dat “hij een ernstig betoog hield voor de apostolische leer, en daarvoor applaus ontving van de voorstanders, terwijl hij de vijandschap van hun opponenten verwierf”[29]

    Enkele maanden na het concilie stierf Alexander, de oude patriarch van Alexandrië en Athanasius werd benoemd in zijn plaats. En zo kwam Athanasius, die de beide Eusebii en de Ariaanse ketterij frontaal had geconfronteerd, in een positie met autoriteit.

    Het moet ons daarom niet verbazen dat hij verzocht om enkele nieuwe kopieën te maken van de oude LXX om de zuiverheid van deze versie te bewaren, een versie die de kerk nu al drie eeuwen had gebruikt. Het kan ook nodig geweest zijn om het oorspronkelijke manuscript van de oude LXX te vervangen; het had daar al meer dan 500 jaar gelegen en het was mogelijk al behoorlijk versleten. Er was ongetwijfeld een aantal kopieën in gebruik in de christelijke wereld gedurende deze jaren, maar die in Alexandrië kan ofwel het origineel geweest zijn, of misschien een directe kopie van het origineel. Deze originele Septuagint nu was onder het beheer van Athanasius en hij had de macht om daarvan andere kopieën te laten maken. Zijn mogelijkheden waren echter beperkt, wat betekende dat er maar één kopie tegelijk kon worden gemaakt. Toen men aan de eerste kopie bezig was, kreeg Eusebius de opdracht van de keizer om 50 complete Bijbels te produceren. Dit maakte dat Athanasius’ taak nogal urgent werd. Omdat Constantijn complete Bijbels had besteld, voelde Athanasius zich gedrongen om dat ook te doen, en zo moest het Nieuwe Testament ook gekopieerd worden naast het werk aan de oude LXX.

    Arius leefde nog steeds en zijn vriend Eusebius van Nicomedia kreeg snel grote invloed op keizer Constantijn. Het gevolg hiervan was dat de keizer eiste, dat Arius weer tot het avondmaal zou worden toegelaten. Athanasius hield voet bij stuk en weigerde om het avondmaal te gebruiken met de voorvechters van een “ketterij die streed tegen Christus”. In de zomer van 335 werd Athanasius ontboden in Tyrus, waar een concilie was samengeroepen om over zijn gedrag te oordelen. De twee opvallendste leiders van dit concilie waren de beide Eusebii. Het concilie veroordeelde Athanasius en rehabiliteerde Arius, zodat hij weer aan het avondmaal kon deelnemen. Op 6 november 335 werd Athanasius door de beide Eusebii vals beschuldigd voor keizer Constantijn, en werd verbannen naar Trier in het Rijnland. Ongeveer twee jaar later werd Constantijn erg ziek en werd gedoopt door Eusebius van Nicomedia, kort voordat hij stierf op 22 mei 337. Spoedig daarna kon Athanasius terugkeren naar Alexandrië, dat zijn operationele basis bleef tot het eind van zijn leven.

    Constantijns zoon, de nieuwe keizer Constantinus II, stond echter sympathiek tegenover de Ariaanse positie en stelde opnieuw in 338 de verbanning in. Athanasius bleef in het centrum van een theologische touwtrekkerij gedurende vijf opeenvolgende keizers, dan weer gerehabiliteerd, dan weer verbannen. Maar waar hij ook verbleef, hij bleef schrijven en slaagde erin om enkele belangrijke werken onder de mensen te krijgen. In zijn 39e ‘feestelijke brief’ in het voorjaar van 367 beschreef hij de Bijbelboeken die als canoniek werden beschouwd. Zijn lijst is de eerste in de geschiedenis die exact overeenkomt met onze Bijbels nu. Het is dezelfde als die van het concilie van Laodicea in 364, maar het bevatte ook Openbaring, wat dáár nog mankeerde. Kort daarna (ongeveer in 370) instrueerde hij Marcellinus omtrent de aanpak met betrekking tot de Psalmen. Na een zeer vruchtbaar en veelbewogen leven stierf hij op 2 mei 373.[30]

Thecla

    Toen Athanasius de gelegenheid had om een gezaghebbende kopie van de oude LXX te laten maken, had hij iemand nodig die hij helemaal kon vertrouwen om toe te zien op het overschrijfproces. Aangenomen dat de documentatie die wij daarover hebben betrouwbaar is, was er één voor de hand liggende keus, nl. een vrouw Thecla genaamd. Volgens de traditie van de kerk van Alexandrië was Thecla een Egyptische edelvrouw, die de Codex Alexandrinus schreef. {Een codex is een gebonden boek, in tegenstelling tot de veelgebruikte boekrol.} De traditie geeft aan dat de naam ‘Thecla’ aan het einde van het eerste folio was geschreven, als een colofon. Het eerste folio had de LXX tekst vanaf Genesis tot en met 2 Kronieken. En zo is beweerd dat “volgens de Arabische notitie op folio één de Codex geschreven was door Thecla, de Egyptische martelares, kort na het concilie van Nicea in 325.”[31]

    Zelfs in 1600 was de Codex nog steeds in Alexandrië als onderdeel van de kerkschatten daar. Daarom had Cyrillus Lucar, de patriarch van Alexandrië in het begin van de 17e eeuw, de zorg voor deze Codex als onderdeel van de kerkschatten. In 1621 werd hij benoemd als patriarch van Constantinopel (met andere woorden, de belangrijkste patriarch van de Griekse kerk), en bracht de Codex mee. Hij stuurde die als een geschenk aan koning Jacobus I van Engeland, die stierf voordat hij die in ontvangst kon nemen. Sir Thomas Roe gaf toen de Codex aan koning Karel I die had aangegeven dat hij hem wilde aannemen. Thans is hij in de Britse Bibliotheek.

    Patriarch Lucar zei dat de naam van Thecla was opgenomen in een ondertekening die aan de Codex was bevestigd, maar die was verloren gegaan voor zijn tijd. Sir Thomas Roe, die de Codex aan koning Karel I ter hand stelde, schreef in een brief, gedateerd 27 februari 1627, dat “de patriarch in zijn eigen handschrift aangeeft, dat het geschreven is door de jonge vrouw Thecla, dochter van een beroemde Griek, genaamd Abgierienos, die het klooster op de toren van Pharos in Egypte stichtte, een vroom en erudiet meisje, dat vervolgd is in Asia, en aan wie Gregorius van Nazianzen verschillende brieven heeft geschreven.” Gregorius van Nazianzen schreef vier brieven aan Thecla.[32]

    Menigeen wijst deze geschiedenis over Thecla af, om verschillende redenen. Ten eerste was er een legendarische vrouw, Thecla, waarvan men dacht dat die de apostel Paulus had begeleid, die een apocrief boek had geschreven “Handelingen van Paulus en Thecla”, en die een van de eerste martelaren was geweest. Heel wat christelijke meisjes werden Thecla genoemd, naar de martelares in dit verhaal. Deze legendarische Thecla is nogal eens verward met Thecla de schrijfster, en de tegenstrijdige data worden gebruikt om het verslag van Lucar te ontkrachten. Anderen betwijfelen de geldigheid vanwege de activiteit van vrouwen als schrijvers/schrijfsters. Dit laatste is grondig weerlegd in een artikel door Kim Haines-Eitzen, getiteld “Meisjes getraind in schoonschrijven: vrouwelijke schrijvers in de Romeinse oudheid en vroege christenheid.” De tekst luidt:

“In Eusebius’ boeken over de kerkgeschiedenis komt een eigenaardige verwijzing voor naar vrouwelijke schoonschrijfsters (HE 6.23). Dit artikel probeert eerst om Eusebius’ opmerkingen in zijn verband te plaatsen door het bewijs te onderzoeken – zowel literair als epigrafisch – voor vrouwelijke schrijvers in de Grieks-Romeinse oudheid en het vroege christendom. Het voorkomen van vrouwen als particulier secretaris, notaris en bibliothecaris in de Latijnse literatuur en inscripties wordt onderzocht. Het artikel wendt zich dan tot het bewijs van vrouwen die teksten kopieerden in vroegere christelijke kloosters. De centrale stelling van het artikel – dat sommige van onze vroegste christelijke manuscripten gekopieerd kunnen zijn door vrouwen – geeft een nieuwe dimensie aan de historie van de tekstuele overdracht van vroege christelijke geschriften.”[33]

    Op deze basis past het verhaal van Thecla, als een christelijke non die een originele tekst kopieerde om ons de Codex te geven, precies op de situatie. Er is nog een indirect bewijs van de waarheid van het verhaal, omdat het historisch correct is over het kloostersysteem in Egypte in die tijd. Bijvoorbeeld:

“…gemeenschappen van wat vandaag de dag nonnen genoemd worden bestonden al lang voordat de heiligen Antonius en Pachomius hun werk begonnen in 305. Inderdaad zijn het vrouwen die de eer hebben van begonnen te zijn met de monastieke roeping. Anders dan de kloosters in het Westen, hadden die in Egypte en de omgeving geen gecentraliseerde ordes; veeleer was elke unit autonoom. Veel van de vroege kloosters in het Oosten zijn gesticht en werden onderhouden door machthebbers en edelen; andere door groepen burgers die gebeden wilden gezegd hebben voor henzelf en hun families.”[34]

Vier dingen kunnen hier worden gezegd.

o       Ten eerste is de datum in orde, omdat Thecla haar monastieke roeping vervulde enige tijd na 325, toen ze aan de Codex begon te werken.

o       Ten tweede, het scenario is ook typisch voor die tijd. Haar vader was een Grieks edelman die het klooster stichtte waarin zij werkte. Het is ook mogelijk dat hij minstens een deel van de kosten van het overschrijfproces heeft betaald want dierenhuiden, waarop geschreven werd, waren duur.

o       Ten derde tonen de brieven van Gregorius Nazianzen dat ze in dezelfde periode leefde als hij en Athanasius.

o       Ten vierde, haar vervolging in Asia kan het gevolg zijn geweest van haar vasthouden aan de trinitarische visie van Athanasius en Gregorius tegenover de algemeen Ariaanse atmosfeer in Asia in die tijd. Dus in al deze aspecten klopt het verhaal en is het geloofwaardig.

    Nog een opmerking over het handschrift van Thecla op de Codex dat eraf gescheurd was. Dit was niet uniek voor de Codex; daaronder leden vele christelijke manuscripten in het Midden-Oosten, vanwege de uitroeiing van christenen en de vernietiging van christelijke documenten in Egypte door de moslims. Omdat de geschiedenis van Thecla in Egypte overbekend was, zou de naam van Thecla er af gescheurd kunnen zijn en vernietigd zodat de Codex zelf zou worden gespaard. Maar de herinnering en de traditie werden levend gehouden. Dit is geloofwaardig, gezien  er enkele bladen ontbreken aan de Codex. Ook andere boeken van de vroege christenen in Egypte zijn op dezelfde manier verminkt.[35]

Drie Codices

    We zagen al dat de Masoretische tekst een andere formulering heeft in Deuteronomium 32:43 en Psalm 40:6. Maar ook hebben de hoofdstukken 5 en 11 van Genesis een veel kortere chronologie. Vanwege deze en andere variaties is het eenvoudig vast te stellen of de tekst van een Bijbelversie die van de oude LXX volgt, die in gebruik was bij de apostelen en de kerkvaders, of dat zij de Masoretische tekst volgt die ongeveer 400 jaar later kwam. Als een Bijbeltekst niet de lange chronologie in Genesis 5 en 11 heeft, of de complete tekst van Deuteronomium 32:43, of de juiste verwoording van Psalm 40:6 (39:6) dan volgt deze niet de oude tekst, maar is afkomstig van een gewijzigde Masoretische tekst.

    Sommigen hebben beweerd dat Codex Vaticanus, Codex Sinaiticus en Codex Alexandrinus, die alle drie dateren uit de 4e eeuw, de vervalste teksten zijn die door Eusebius zijn geproduceerd. Een vluchtige blik toont dat dit niet klopt. Ze hebben allemaal de correcte tekst van Psalm 40:6 (39:6). Codex Vaticanus en Alexandrinus hebben beide Deuteronomium 32:43 juist, maar dat segment mist de Sinaiticus. Codex Alexandrinus heeft de lange chronologie in Genesis 5 en 11, terwijl deze in zowel Vaticanus als Sinaiticus gemist wordt. Zo is dus de Codex Alexandrinus de meest complete kopie van de oude LXX die we hebben.

 

Tekst Ontbrekend Psalm 40/39 Deut. 32:43 Genesis 5 en 11
Vaticanus Gen.1-35:28a ja ja nee
Sinaiticus Genesis-         1 Kronieken ja ontbreekt nee
Alexandrinus --niets-- ja ja ja

 

   Het feit dat alle drie deze teksten de oude versie van Psalm 40:6 bevatten, zoals daarnaar wordt verwezen in het Nieuwe Testament, betekent dat geen van deze teksten geschreven zijn om met de Masoreten in overeenstemming te zijn. Nog meer bewijs in Vaticanus en Alexandrinus, dat zij niet werden gekopieerd van een Masoretisch document, is het feit dat zij beide de oude, uitgebreide versie van Deuteronomium 32:43 hebben.

    Er is nog een aantal redenen waarom geen van deze drie versies van Eusebius afkomstig kunnen zijn. Ten eerste beheerde hij in Caesarea een scriptorium (schrijfkamer) waar de 50 kopieën van de Masoretische tekst snel werden geproduceerd voor de keizer. Een zekere graad van uniformiteit in de verschillende kopieën mag verwacht worden. Maar die blijkt niet uit deze drie Codices. Bijvoorbeeld: Alexandrinus heeft twee kolommen per pagina, Vaticanus heeft er drie en Sinaiticus vier. Vaticanus heeft een meer archaïsche schrijfstijl dan de andere twee. Er is geen ornamentering of kapitalen in Vaticanus en Sinaiticus, maar wel in Alexandrinus. Vaticanus heeft geen inleiding op de Psalmen, die rond 325 standaard werd, maar Sinaiticus en Alexandrinus wel. Verder hebben Vaticanus en Alexandrinus vrijwel gelijke canons, maar zij verschillen van die van de Sinaiticus, en alle drie zijn verschillend in de volgorde van de boeken. Alexandrinus heeft hoofdstukken met titels, de andere niet. Tenslotte zijn ze op totaal verschillende manieren gebonden.

    Al deze factoren spreken tegen hun geproduceerd zijn in een scriptorium waar een zekere graad van standaard praktijk zou worden gebruikt om de grote opdracht te vervullen van de keizer, die goed betaalde. Gezien het feit dat de kopieën tijdig werden afgeleverd, kunnen we argumenteren dat het scriptorium in Caesarea tenminste 50 schrijvers in dienst moet hebben gehad plus een persoon die dicteerde. Deze opstelling zou nodig geweest zijn, omdat er waarschijnlijk maar één kopie van de Hexapla voorhanden was, die geschikt was voor reproductie. Elke andere opstelling zou onwerkbaar en tijdrovend geweest zijn. Het is bekend dat deze procedure werd gebruikt in latere tijden, als er meerdere kopieën moesten worden gemaakt, dus is het aannemelijk dat dit ook in dit geval zo gebeurd is.[36] Onder deze omstandigheden zijn verschillen als in de drie Codices, die hierboven genoemd werden, voldoende om ze uit te sluiten van het proces van de simultane productie van 50 Bijbels in het scriptorium van Caesarea.

    Ten tweede, er is een overeenkomst tussen de schrijfstijlen van Vaticanus en Sinaiticus, waardoor sommigen hebben beweerd dat dezelfde hand gedeelten van beide Codices heeft geschreven. Anderen hebben gesteld dat “…er bovendien gelijksoortige colofons aan het eind van sommige van de individuele boeken staan.” Dit veronderstelt dat deze Codices misschien in hetzelfde scriptorium zijn geschreven. [37]

Ten derde is er een tijdsprobleem tussen de drie teksten.

·         Vaticanus heeft niet de inleiding tot de Psalmen die in zwang kwam rond 325 terwijl Sinaiticus en Alexandrinus die wel hebben. Dit dateert Vaticanus dus rond 325 of eerder, voorafgaand aan de opdracht van Constantijn in 331.

·         Sinaiticus heeft enkele verwijzingen naar kerkvaders in de kanttekeningen, die niet meer van toepassing waren na 360, wat betekent dat deze geschreven moet zijn ergens tussen 325 en 360.

·         Alexandrinus heeft de volgorde van de boeken zoals ingesteld door Athanasius in 367, wat betekent dat Alexandrinus moet zijn geschreven na die datum. Verder bevat het ook de brief aan van Athanasius aan Marcellinus over de Psalmen, zodat het gedateerd moet worden na 370.

    Met andere woorden, er is een spreiding van teminste 45 jaar en misschien dicht bij 50 jaar in de productietijd van deze drie codices. Dat zou voor Constantijn niet een acceptabele situatie geweest zijn.[38]

    Het lijkt er dus op dat, hoewel deze drie codices ontstonden in hetzelfde scriptorium over een periode van 50 jaar, de vraag is: welk scriptorium en waarom? Nadat er 50 Bijbels voor de keizer geproduceerd waren is het onwaarschijnlijk, dat het scriptorium in Caesarea betrokken zou zijn bij de productie van drie rivaliserende versies, die alle een tekst gebruikten verschillend van die van de Hexapla. En inderdaad geeft Kenyon aan dat er niet het geringste bewijs is dat deze zouden zijn geproduceerd in Caesarea of in Constantinopel.[39] Verder concluderen Kenyon, Gardthausen, Ropes en Jellicoe allen, dat tenminste sommige van de drie geschreven werden in Egypte, waarschijnlijk in Alexandrië.[40] De hierboven genoemde gegevens suggereren dat, als er één geschreven was in Alexandrië, ze dat waarschijnlijk alle drie zijn.

    De vraag die blijft is: waarom zouden deze codices in Alexandrië geproduceerd zijn tussen 325 en 370? Bedenk wat er gebeurd was met de Ariaanse ketterij, de beide Eusebii en Athanasius in 321, en dat Athanasius juist de leider van de kerk in Alexandrië geworden was in 327. Arius en de Eusebii citeerden waarschijnlijk de Masoretische tekst om hun positie te ondersteunen, dat Jezus niet God was. Ten gevolge daarvan zou de gerechtvaardigde oppositie  van Athanasius tegen deze “ketterij die streed tegen Christus” onvermijdelijk gericht zijn tegen de Hexapla en de Masoretische versie van het Oude Testament.

En daarna

    De opmerkingen over moslimgeweld tegen christenen is waar, maar het volgende commentaar geeft de tijd aan wanneer dit probleem begon op te komen:

“Het christelijk aanzien van Egypte begon te veranderen aan het begin van het tweede millennium A.D., toen Kopten, naast de ‘Gezya’ belasting, leden onder specifieke belemmeringen, waarvan sommige zeer ernstig waren en hun vrijheid van eredienst hinderden. Langzaam maar zeker was op het eind van de 12e eeuw het aanzien van Egypte veranderd van een overwegend christelijk naar een overwegend moslimland. De Koptische gemeenschap was in een minderwaardige positie en leefde in een zekere vrees voor moslimvijandschap, die periodiek gewelddadig oplaaide.”[41]

    Het is waarschijnlijk tijdens de 13e eeuw of daarna, dat de christelijke naam ‘Thecla’ verwijderd is van het einde van het eerste folio in de Codex, hetzij door de christenen om de Codex te beschermen, hetzij door de moslims uit wraak. Andere boeken zijn ook omstreeks die tijd beschadigd, zoals patriarch Lucar van Alexandrië stelde.

    Bijgevolg is het duidelijk, dat de originele oude LXX, die 500 jaar in Alexandrië verbleef, op zijn minst gedeeltelijk gekopieerd is door Thecla, in opdracht van Athanasius. Toen keizer Constantijn 50 kopieën van de complete Bijbel bestelde, achtte Athanasius het wijs om een extra folio met het Nieuwe Testament aan de oude LXX tekst toe te voegen. In totaal werden drie kopieën gemaakt over een periode van 50 jaar, waarvan één in Alexandrië bleef. Deze Codex Alexandrinus werd daarna van Alexandrië naar Constantinopel gebracht door patriarch Lucar in 1621 en als een cadeau geschonken aan koning Karel I van Engeland in 1627. Het berust nu in de Britse Bibliotheek.

De Codex Vaticanus belandde in de Vaticaanse bibliotheek in Rome, en de Codex Sinaiticus is versnipperd over een aantal musea. De Codex Sinaiticus is nu gesplitst in vier ongelijke delen. Het grootse deel van de Codex (347 bladen) werd door de British Library in Londen gekocht van de Russische Sovjet-regering in 1933. 43 bladen worden bewaard in de Universitaire Bibliotheek van Leipzig. Delen van 6 bladen bevinden zich in de Nationale Bibliotheek van Rusland in Sint-Petersburg en 12 bladen samen met 40 fragmenten zijn nog in het Katharinaklooster http://nl.wikipedia.org/wiki/Codex_Sinaiticus aan de voet van de berg Sinaï.

Conclusie

    Deze drie codices werden allemaal geschreven tijdens het leven van Athanasius, en geproduceerd in Alexandrië, dat een bolwerk was van de trinitarische opvatting tegenover de Ariaanse ketterij van Origenes en Eusebius, die het Midden-Oosten in beroering bracht. Athanasius hield vast aan de oude LXX tekst van het Oude Testament met zijn sterke christologische nadruk. Er is opgemerkt dat deze drie codices “…inderdaad de oudst overlevende, nagenoeg complete manuscripten van het Oude Testament zijn in welke taal ook; de oudste nog bestaande Hebreeuwse tekst dateert van 600 jaar later, van de eerste helft van de 10e eeuw. Hoewel er verschillen zijn tussen deze drie codices, is de consensus onder geleerden tegenwoordig dat één LXX – dat is, de originele, voorchristelijke vertaling – aan alle ten grondslag ligt.  De verschillende Joodse en later christelijke revisies en recensies zijn hoofdzakelijk verantwoordelijk voor de afwijkingen tussen de codices.”[42]

    Op deze manier werd de oude Alexandrijnse Septuagint behouden. Onder de naam ‘Codex Alexandrinus’ houdt het nog steeds stand als de Schriften die gebruikt werden door onze Heer, zijn apostelen in hun brieven, en de vroege kerkvaders. Het geeft aan waar het concilie van Jamnia de oorspronkelijke tekst wijzigde in de productie van de Masoretische tekst, waarvan al onze Oude Testamenten tegenwoordig vertalingen zijn. Het beantwoordt de vragen die rijzen bij het natrekken van Nieuwtestamentische citaten en referenties, die niet in het Oude Testament schijnen voor te komen. Het beantwoordt ook vele andere vragen, inclusief die over historische dateringen, waarmee allen zitten die de korte chronologieën van de Masoreten gebruiken. Hoewel geen enkele van onze moderne Bijbels de boodschap van de menselijke zonde en Gods ‘oplossing’ daarvan in Christus Jezus mist, zijn toch de details in de Alexandrijnse LXX volledig consistent met de referenties in het Nieuwe Testament. Een studie van de geschiedenis van deze Codex toont dat het inderdaad de tekst is, die door Hebreeuwse geleerden is vertaald vanuit het paleo-Hebreeuws naar het Koine-Grieks, bijna 300 jaar voor Christus.

Referenties:

(Opmerking: alle URL-referenties zijn op 24 maart 2010 geverifieerd).

[1] K.H. Jobes & M Silva, Invitation to the Septuagint, Baker Academic, 2000, p.34

[5] Flavius Josephus, Joodse Oudheden, boek 12, hoofdstuk 2

[7] Josephus, op. cit

[9] Jobes & Silva op. cit., p.34

[10] 10. M. Abegg, P. Flint, and E. Ulrich, The Dead Sea Scrolls Bible, T & T Clark Ltd., Scotland, 1999, p. xi

[12] Gruber, Dan, Rabbi Akiba's Messiah: The Origins of Rabbinic Authority, Elijah Publishing, 1999, pp 153, 109

[13] ibid. p. 157

[15] S.H. Horn, “The Old Testament Text in Antiquity, Ministry, Nov. 1987 p.6

[16] Abegg et al., op.cit., p.xiv-xv

[17] S.H. Horn, op.cit., pp.4-8

[18] Abegg et al.,op.cit. p.xvi

[19] Horn op. cit. quoting Y. Aharoni, Israel Exploration Journal, 11 (1961), pp.22-23, and Yadin, Y. Israel Exploration Journal, 11 (1961), p.40

[20] Horn op. cit. p. 6-7

[22] Zoals gevonden op de website: Hershal Shanks, 4QSama - The Difficult Life of a Dead Sea Scroll, Biblical Archaeology Review, Vol 33 No 3, May/June 2007, pp66-70

[23] Abegg et al., op. cit., p.xiii

[25] Jobes & Silva. op. cit., p.48

[30] Voor meer informatie over het leven van Athanasius, zie het wikipedia artikel, en het Orthodox Research Institute artikel

[31] OT Manuscript Series: #6 Codex Alexandrius – De referentie zegt: F.H.A.Scrivener, "Six Lectures on the Text of the New Testament and the Ancient Manuscripts Which Contain It: Chiefly Addressed to Those Who Do Not Read Greek"(Cambridge, MA: Deighton, Bell, and Co., 1875), p. 50-51.

[32] Epp. 56, 57 en 222, 223 zoals geciteerd in "A Dictionary of Christian Biography, Literature, Sects and Doctrines During the First Eight Centuries." Edited by William Smith, D.C. L., LL.D, e Henry Wace, D.D., Volume IV, N-Z, London: John Murray, Albemarle Street, 1887

[33] Haines-Eitzen, Kim"Girls trained in beautiful writing: Female Scribes in Roman Antiquity and Early Christianity," Journal of Early Christian Studies 6:4, (Winter 1998), pp.629-646.

[35] Haines-Eitzen, Kim, "Guardians of Letters: Literacy, Power, and the Transmitters of Early Christian Literature", New York: Oxford University Press, 2000, p.50

[36] Voor voorbeelden van deze praktijk, zie W.A. Elwell en P.W. Comfort in de Tyndale Bible Dictionary, Tyndale House Publishers Inc., 2001, p.185

[38] F.G. Kenyon, Our Bible and the Ancient Manuscripts, (4e editie), London 1939 pp 49-59, 91-92; B.M. Metzger, Manuscripts of the Greek Bible: An Introduction to Palaeography, Oxford University Press, (1991), p. 76. Zie ook de Wikipedia artikelen hier en hier.

[39] Frederic G. Kenyon, "Handbook to the Textual Criticism of the New Testament", London, 1912, p. 83, zoals gerefereerd in het Wikipedia artikel over de Codex Vaticanus.

[40] Zie het Wikipedia artikel, "Codex Sinaiticus"

[42] Zie het Wikipedia artikel over de Septuagint

  Up Over de Bijbel Septuagint Masoreten Bijbel wetenschap Vrijzinnige uitleg Ontstaan Genesis Wie is Jezus? Uittocht, intocht Toekomst Noach, Zondvloed

free web hit counter