Rinus Kiel over Bijbel, cultuur en wetenschap

Reageren? Zie home-page                                                                                

======================================================

Home
Site-map
Updates
Deze site + mijzelf
Bijbel en theologie
Israel - volk en land
Filosofische items
Denken en cultuur
Wetenschap
Actualiteiten
Klimaat
Presentaties
Boeken
Weblinks

(IsraŽl - volk en land)

Up Israel en de kerk Over Jakob en Esau Beloften Abraham Beloofde land Tekst Zacharia 12-14 De staat IsraŽl Antisemitisme Israelische bezetting

Tekst van de hoofdstukken 12-14 van de profeet Zacharia

Nieuw 22/11/2000

Zoek op deze website

    ProfetieŽn zijn door God geÔnspireerd, dat geloof ik. Een van de problemen bij het begrijpen ervan is, dat ze gesproken zijn in taal en beelden van die tijd. Dat kan niet anders. Taal en beelden uit een toekomstige tijd waren uiteraard niet beschikbaar en zouden ook niet begrepen zijn. Daarom taal en beelden uit die tijd. Ook wij kunnen, als wij willen en ons de inspanning getroosten, toegang krijgen tot deze beeldende taal. Een adequate vertaling helpt daarbij erg veel. Daarom mijn blijdschap over de nieuwe vertaling van het Nederlands Bijbel Genootschap.

    In het commentaar heb ik her en der andere gedeelten uit de Bijbel geciteerd, die m.i. op dezelfde gebeurtenissen slaan. Zij tonen in het klein aan, welk een grandioze eenheid de Bijbel is. Dat treft mij elke keer weer. Daarom verbaast het mij nog steeds, dat veel van mijn gereformeerde geestverwanten dit niet vermogen te zien. En nog steeds met betrekking tot IsraŽls en onze toekomst met blindheid geslagen lijken te zijn.

Tekst Zacharia 12-14 uit de Nieuwe Bijbelvertaling

met toestemming van het NBG.

Copyright: Nederlands Bijbelgenootschap

Commentaar

12: (1) Profetie. De woorden van de HEER over IsraŽl.  

Zo spreekt de HEER, die de hemel heeft uitgespannen, de aarde gegrondvest heeft en de mens het leven heeft gegeven: (2) Ik zal van Jeruzalem een beker wijn maken die de omringende volken bedwelmt. Als Jeruzalem wordt belegerd, zal ook Juda onder de voet worden gelopen. (3) Op de dag dat alle volken op aarde tegen Jeruzalem oprukken, zal ik van de stad een zware steen maken, waaraan haar belagers zich zullen vertillen. (4) Op die dag - spreekt de HEER - maak ik de paarden schichtig en zaai ik paniek onder hun berijders. Over Juda echter zal ik een wakend oog houden, terwijl ik de paarden van de vijand verblindt. (5) Dan zullen de stamhoofden van Juda bij zichzelf zeggen: Onze kracht ligt bij de inwoners van Jeruzalem,dank zij de HEER van de hemelse machten, hun God. (6) Op die dag maak ik de stamhoofden van Juda tot een fakkel in een takkenbos, tot een vonk in een korenschoof, zodat de vlammen om zich heen grijpen en de omringende volken verzengen. Jeruzalem zal blijven staan waar het staat.

(3)  alle volken:

 

Er is wel gedacht aan de belegering door de Romeinen in het jaar 70, maar de hele context spreekt duidelijk van een andere gelegenheid. 

 

Velen denken hier dan ook aan een belegering aan het einde van de tijd. Dat is ook in overeenstemming met vele andere profetieŽn en de gegevens die we vinden in het boek Openbaring.

(2)  Jeruzalem wordt hier een beker wijn genoemd die de omringende volken bedwelmt. Kijk maar eens naar het Midden-oosten nu. Treffend, nietwaar?

(3)  Dan lezen we dat de stad een zware steen is, waaraan haar belagers zich vertillen. Ook deze uitspraak wordt in de politieke praktijk van de laatste tijd steeds meer zichtbaar.

 

(5,6)  Typisch is elke keer het onderscheid tussen Jeruzalem, de stad, en Juda, het platteland. Typisch is ook de actieve rol, die het platteland speelt bij de bevrijding.

(7) Eerst zal de HEER de dorpen van Juda de overwinning schenken, opdat de roem van het huis van David en van de inwoners van Jeruzalem niet groter zal zijn dan die van de JudeeŽrs. (8) Maar de HEER zal tegelijkertijd de inwoners van Jeruzalem steunen: de zwakste onder hen zal op die dag zo sterk zijn als David en het huis van David zal hen leiden alsof God zelf hen leidde, alsof er een engel van de HEER voor hen uit ging.

De bevrijding van het platteland gaat vooraf aan de bevrijding van de stad, zodat niemand zich boven de ander zal verheffen.

(9) Op die dag zal ik alles in het werk stellen om de volken uit te roeien die Jeruzalem belagen. (10) Het huis van David en de inwoners van Jeruzalem echter zal ik met mededogen vervullen en bereid maken tot inkeer. Ze zullen zich weer naar mij wenden, en over degene die ze hebben doorstoken, zullen ze weeklagen als bij de rouw om een enig kind; hun verdriet zal zo bitter zijn als het verdriet om een oudste zoon. (11) Op die dag zal men in Jeruzalem zo luid weeklagen als er in de vlakte van Megiddo wordt geweeklaagd om Hadad-Rimmon. (12) Het hele land zal rouwen: de afstammelingen van David en de afstammelingen van Natan, (13) de afstammelingen van Levi en de afstammelingen van Simi, (14) en alle overige families, elke familie afzonderlijk en de vrouwen steeds afzonderlijk van de mannen. 13: (1) Op die dag zal er een bron ontspringen waarin de nakomelingen van David en de inwoners van Jeruzalem hun zonde en onreinheid kunnen afwassen.

De HEER gaat de verenigde legers die zich tegen Jeruzalem verzamelen, ten onder doen gaan. Dat brengt de Jeruzalemmers tot inkeer. Hun berouw betreft iemand "die ze hebben doorstoken". Wij denken hierbij aan Jezus, hun Messias, die hen te hulp komt, en die voor hen zichtbaar op de Olijfberg verschijnt (zie later). Opeens zien ze het.

    "De rouwklacht van Hadad-Rimmon". Slaat waarschijnlijk op de rouw die Juda bedreef na de dood van koning Josia, die bij Megiddo stierf in een gevecht met farao Necho (2 Kronieken 35:22-23). Heel IsraŽl bedreef toen rouw over hem (:24), Jeremia dichtte daarover een klaagzang die nog steeds in IsraŽl werd gezongen. Hadad-Rimmon is een plek in de vlakte bij Megiddo.

    Over de bron die ontspringt wordt verderop gesproken (14:8) en ook in EzechiŽl 47. Hier wordt waarschijnlijk niet op een fysieke bron gedoeld....

(2) Als die tijd aanbreekt - spreekt de HEER van de hemelse machten - zal ik alle afgoden uit het land laten verdwijnen; hun namen zullen niet meer worden genoemd. Ik zal ook de profeten uitbannen en met hen de geest van onreinheid die het land bezoedelt. (3) Wanneer er dan nog iemand een profetie uitspreekt, zullen zijn eigen vader en moeder, die hem zelf hebben voortgebracht, tegen hem zeggen: "Jij moet sterven, want je verkondigt leugens in de naam van de HEER." Ze zullen hem doorsteken, zijn eigen vader en moeder, die hem zelf hebben voortgebracht, wanneer hij een profetie uitspreekt. (4) Dan zullen ze zelfs niet meer voor hun visioenen durven uitkomen, die profeten. Ze zullen de profetenmantel niet meer aantrekken om de mensen te bedriegen. (5) Ze zullen zeggen: "Ik ben helemaal geen profeet; al van jongs af aan bewerk ik als slaaf de grond." (6) En wanneer zo iemand gevraagd wordt: "Hoe kom je dan aan die striemen op je rug?", dan zal hij antwoorden: "Die heb ik opgelopen in het huis van mijn meesters."

...maar op de aanwezigheid van de Messias in hun midden. Die niet meer toelaat dat er valse profeten onder het volk zijn. Die valse profeten draaien als een blad aan een boom om. Vroeger was je gezien als valse profeet, maar nu is het levensgevaarlijk geworden...

(6) Valse profeten herkende je aan hun striemen, ze kastijdden zichzelf. Zie over Elia en de priesters van Bašl op de Karmel, (1 Kon. 18. "Toen riepen zij luider en maakten zich naar hun gewoonte insnijdingen met zwaarden en speren, totdat zij dropen van bloed." (vs 28)).

    Over het uitbannen van goddeloosheid lezen we ook in de (Messiaanse) psalm 101, waar staat: "(6) Mijn ogen zijn op de getrouwen in den lande om bij mij te wonen; wie onberispelijk wandelt, die zal mij dienen. (7) In mijn huis zal geen bedrieger wonen; de leugenspreker zal niet bestaan voor mijn ogen. (8) Elke morgen zal ik verdelgen alle goddelozen des lands, en uit de stad des Heren uitroeien alle bedrijvers van ongerechtigheid" (NBG-vertaling 1951).
    De regering van de Messias is rechtvaardig, maar streng. Zie ook psalm 2.

(7) Zwaard, ontwaak! Verhef je tegen mijn herder, tegen de man met wie ik mij verbonden heb - spreekt de HEER van de hemelse machten. Dood de herder, zodat de schapen verdwalen. Weerloos als ze zijn zal ik ze treffen. (8) In heel het land - spreekt de HEER van de hemelse machten - zal twee derde deel worden uitgeroeid en omkomen; slechts een derde deel zal worden gespaard. Dat deel zal ik louteren in het vuur: ik zal hen smelten als zilver en zuiveren als goud. Zij zullen mijn naam aanroepen en ik zal antwoorden. Ik zal zeggen: "Dit is mijn volk," en zij zullen zeggen: "De HEER is onze God."

Dit tussengedeelte behandelt op een heel gecomprimeerde manier de achtergrond van het voorgaande:

    "De man met wie ik mij verbonden heb": de Messias, Jezus. Hij wordt gedood, de schapen (IsraŽl) dwalen. Dan komt de vernietiger (Rome in jaar 70), velen worden gedood in de vreselijke strijd, velen als slaaf verkocht. Het volk IsraŽl wordt over de volken verstrooid.

    "In heel het land" (beter: heel de aarde) "wordt tweederde uitgeroeid". Tussen verstrooiing en terugkeer is inderdaad 2/3 van het Jodendom uitgeroeid: dat is de situatie van de Joden in de wereld, vooral nadat in Europa de kerk macht heeft gekregen, pogrom na pogrom, culminerend in de moord op 6 miljoen Joden in Hitlers gaskamers.

    "In het vuur louteren", dat ziet op de tegenwoordige tijd, na 1948, waarin IsraŽl geen rust heeft gekend, maar heeft moeten ondervinden dat alle krachten zijn vernietiging actief nastreven. Bovendien wordt het door allen in de steek gelaten. En het is inderdaad een loutering 'in het vuur' van raketten, mortieren en zelfmoordaanslagen.

    "Zij zullen mijn naam aanroepen". Nee, IsraŽl is nog niet een volk van louter gelovigen, maar lees eens de geschiedenis van de zionistische beweging. God is massaal aangeroepen. En zijn niet het wonder van het nog steeds bestaan van de Joodse staat en de onbegrijpelijke overwinningen de zichtbare kant van Gods uitspraak: "Dit is mijn volk"? Hij neemt altijd het voortouw. En IsraŽl volgt. Op Yom Kippur rijdt zelfs in Tel Aviv geen auto meer, allen zijn in de synagoge en smeken om Gods vergeving en bijstand. "De HEER is onze God" is steeds meer zichtbaar in IsraŽl.

14: (1) Er komt een dag dat de HEER zal ingrijpen, Jeruzalem, dat men de buit binnen je muren verdeelt. (2) Ik zal alle volken bijeen brengen, zegt de HEER, om tegen Jeruzalem ten strijde te trekken. De stad zal worden ingenomen, de huizen geplunderd en de vrouwen verkracht. De helft van de inwoners wordt in ballingschap weggevoerd, maar het deel dat overblijft zal niet worden uitgeroeid. (3) Daarna zal de HEER uittrekken en de strijd tegen die volken aanbinden, net zoals weleer. (4) Die dag zal hij zijn voeten op de Olijfberg planten, ten oosten van Jeruzalem. De Olijfberg zal in tweeŽn splijten: de ene helft glijdt weg naar het noorden en de andere naar het zuiden, zodat er een breed dal ontstaat van oost naar west. (5) Jullie zullen wegvluchten, het dal in tussen die twee bergketens die zullen reiken tot aan Asel, zoals jullie ook gevlucht zijn bij de aardbeving in de tijd dat koning Uzzia regeerde over Juda. En de HEER, mijn God, zal verschijnen aan het hoofd van zijn hemelse machten. (6) Op die dag zal er geen licht zijn; de hemellichamen verliezen hun glans. (7) Op die ene dag, die alleen de HEER kent, zal er geen onderscheid zijn tussen dag en nacht. Pas tegen het vallen van de avond zal er weer licht gloren. (8) Als die tijd aanbreekt, zal er in Jeruzalem zuiver water ontspringen: de ene helft zal in het oosten in zee uitmonden en de andere helft in het westen, zowel in de zomer als in de winter. (9) En de HEER zal koning worden over de hele aarde. Dan zal de HEER de enige God zijn en zijn naam de enige naam. (10) Het hele land wordt zo vlak als de Jordaanvallei, van Geba in het noorden tot Rimmon in het zuiden. Maar Jeruzalem zal zijn hoogverheven plaats behouden. Van de Benjaminpoort tot aan de oude poort, de Hoekpoort, en van de Chananeltoren tot aan de koninklijke perskuipen zal de stad bewoond zijn. (11) Jeruzalem zal weer een veilige woonplaats zijn, want er zal nooit meer vernietiging over worden afgeroepen.

Nu volgt een tamelijk gedetailleerd beeld van de strijd tegen Jeruzalem, waarbij de bevolking opnieuw zeer zal lijden. Maar dan grijpt de HEER zelf in.

    Hij verschijnt als leider van de hemelse machten (Openbaring 19:14, het gaat hier over de Messias, Jezus) en staat op de Olijfberg (zie Handelingen 1:12 en 11), vanaf welke plaats hij de strijd aanbindt tegen de verzamelde vijandelijke legers.

    Inwoners van Jeruzalem kunnen vluchten in de richting van Jordaan en woestijn (MatteŁs 24:16, Openbaring 12:14), door een scheur in de Olijfberg. De ligging van Asel is onzeker, ergens ten oosten van Jeruzalem.

(5) "..aan het hoofd van zijn hemelse machten". Beter is: met zijn heiligen, zijn toegewijden.

    Er zijn tekenen aan de hemel, zon, maan en sterren geven geen licht (zie ook MatteŁs 24:29 en diverse plaatsen in Openbaring). Vs (7): "...een dag die alleen de HEER kent", zie ook Marcus 13:32, Handelingen 1:7.

    God wordt - in zijn Messias Jezus - koning over de hele aarde, het zal een rechtvaardig koningschap zijn. Daarvan spreken ook de psalmen 93, 96, 97, 98, 99, 101. Psalm 94 spreekt van de zware tijd vůůr de bevrijding. In Openbaring 20 vinden wij weer enkele andere aspecten van de rechtvaardige regering van de Messias.

    Over herbouw en bewoning van Jeruzalem wordt ook gesproken in Jeremia 31:38-40. Het wordt weer opgebouwd en nooit meer verwoest.

(12) De volken die tegen Jeruzalem ten strijde zijn getrokken zullen door de HEER worden getroffen met een afgrijselijke plaag: terwijl ze nog levend rondlopen zal Hij hun vlees laten wegteren van hun botten, hun ogen laten wegrotten in hun kassen en hun tong laten wegrotten in hun mond. (13) De HEER zal op die dag zoín paniek onder hen zaaien dat ze elkaar beetgrijpen en slaags raken. (14) Ook Juda zal zich mengen in de slag om Jeruzalem. De rijkdommen van de belagers zullen als buit bijeen worden gebracht: grote hoeveelheden goud, zilver en kostbare gewaden. (15) En alle dieren in het vijandelijke kamp, paarden, muildieren, kamelen en ezels, zullen worden getroffen door dezelfde plaag als de mensen.

Nu gaat de aandacht weer naar de vijandige volken. Zij worden vreselijk gestraft. God zegt: "Wie U (IsraŽl) aanraakt, raakt mijn oogappel aan" (Zacharia 2:8). De volken hebben dat niet geloofd.

    In Openbaring 19:17-18 worden de roofvogels opgeroepen zich tegoed te doen aan het vlees van de verslagen vijanden. Iets dergelijks vinden wij in EzechiŽl 39:4, al is het niet helemaal duidelijk of het daar over dezelfde gebeurtenissen gaat.

    Sommigen hebben erop gewezen, dat deze straf lijkt op de gevolgen van het gebruik van neutronenwapens, die ook eiwitten consumeren.

(16) De overlevenden van de volken die Jeruzalem hebben belaagd, zullen dan jaarlijks naar de stad komen om de HEER van de hemelse machten als koning te vereren en het Loofhuttenfeest te vieren. (17) En is er op aarde een volk dat niet naar Jeruzalem komt om de HEER van de hemelse machten als koning te vereren, dan zal er in dat land geen regen vallen. (18) Ook Egypte zal, wanneer zijn volk niet naar Jeruzalem komt, stellig getroffen worden door deze plaag, waarmee de HEER de volken straft die het Loofhuttenfeest niet komen vieren. (19) Dat zal de straf zijn voor Egypte en de andere volken die niet deelnemen aan het Loofhuttenfeest.

Ook in Jesaja 66:23 wordt gesproken over de overwonnen volken die zich voor de HEER (in Jeruzalem) komen neerbuigen om de Joodse feesten te vieren. Typisch is, dat hier ook Egypte wordt genoemd als land waarop als straf geen regen zal vallen. In Deuteronomium 11:10-11 wordt juist gezegd dat Egypte geen regen nodig heeft (het wordt bevloeid door de Nijl) en IsraŽl juist wel. Hier is Egypte kennelijk ook van regen afhankelijk geworden. Zie ook opmerkingen in Openbaring over zonnehitte en het opdrogen van de Eufraat (de grote angst van SyriŽ en Irak!!). Smelten van gletsjers die rivieren met water voeden, doet zich al langer voor.

(20) Als die tijd aanbreekt, zal zelfs op de bellen van de paarden staan: ďGewijd aan de HEERĒ. De kookpotten in de tempel zullen dienen als offerschalen voor het altaar. (21) Alle kookpotten in Jeruzalem en Juda zullen aan de HEER van de hemelse machten gewijd zijn: ieder die wil offeren, kan ze gebruiken om er zijn offer in te bereiden. Als die tijd aanbreekt, zullen er nooit meer handelaars zitten in de tempel van de HEER van de hemelse machten.

In die tijd, als de HEER koning is geworden over IsraŽl en de wereld, bestaan er geen aparte heilige dingen meer. Alles is heilig, zelfs de gewoonste en meest profane dingen (bellen  van de paarden: deze dieren waren aan de oorlog gewijd!).

    Nehemia en Jezus joegen de handelaren uit de tempel. Dat handeldrijven was een teken dat het heilige met het onheilige werd vermengd. Uit Openbaring 20 weten we, dat in die periode Satan gebonden is en van het toneel verwijderd.

 

 Up Israel en de kerk Over Jakob en Esau Beloften Abraham Beloofde land Tekst Zacharia 12-14 De staat IsraŽl Antisemitisme Israelische bezetting

free web hit counter