Rinus Kiel over Bijbel, cultuur en wetenschap

Reageren? Zie home-page                                                                                

======================================================

Home
Site-map
Updates
Deze site + mijzelf
Bijbel en theologie
Israel - volk en land
Filosofische items
Denken en cultuur
Wetenschap
Actualiteiten
Klimaat
Presentaties
Boeken
Weblinks

(De klimaathysterie)

Up Spirituele basis Temperaturen Wiskundig model Ecologisme = religie

De situatie met betrekking tot oppervlaktetemperatuur-metingen

Nieuw 04/02/2010 - laatste wijziging 16/02/2010

Zoek op deze website

Samenvatting: De IPCC-modellen gaan uit van een positief verband tussen CO2-gehalte in de atmosfeer en de aardse oppervlaktetemperaturen. Voorwaarde voor wetenschappelijke verwerking is dan natuurlijk wel, dat beide gegevens op een absolute wijze kunnen worden vastgesteld. Voor het CO2-gehalte lukt dat vrij goed, maar hoe zit het met de oppervlaktetemperatuur-metingen?

Inhoud:

GISS Oppervlaktetemperatuur analyse

Toestand van de temperatuur databases

Twee voorbeelden:

    Methode en voorbeeld 1

    Voorbeeld 2

 

GISS Oppervlaktetemperatuur analyse

De ongrijpbare absolute oppervlaktetemperatuur (Surface Air Temperature - SAT)

Een interview met James Hansen, directeur van het GISS (Goddard Institute for Space Science), één van de leveranciers van klimaatgegevens aan het IPCC

Vraag: Wat bedoelen we precies met oppervlaktetemperatuur?
Antw.: Ik betwijfel of er overeenstemming is over het beantwoorden van deze vraag. Zelfs op dezelfde locatie kan de grondtemperatuur behoorlijk afwijken van die op 1,50 m hoog en alweer afwijken van die op 3 of 15 m boven de grond. In het bijzonder als er vegetatie aanwezig is (bijv. een regenwoud) kan de temperatuur boven die vegetatie erg verschillen van die juist onder de top. Een redelijk voorstel zou zijn om de gemiddelde temperatuur van de onderste 15 m boven de grond, of boven de vegetatie te gebruiken. Om SAT te meten moeten we het eens zijn over wat het is en voor zover ik weet, is daarvoor geen standaard voorgesteld of algemeen geaccepteerd. Zelfs als we de standaard van 15 m hoog zouden accepteren, kan ik me niet voorstellen dat een weerstation 15 m hoge palen met thermometers zou opstellen om de ware SAT op die locatie te vinden.

Vraag: Wat bedoelen we met dagelijkse gemiddelde SAT?
Antw.: Alweer, er is geen algemeen aanvaard correct antwoord. Moeten we de temperatuur elke 6 uur noteren en het gemiddelde nemen, doen we het elke 2 uur, elk uur, laten we het een machine elke seconde doen, of pakken we gewoon het gemiddelde van de hoogste en de laagste temperatuur van die dag? Op bepaalde dagen kunnen deze verschillende methoden leiden tot drastisch verschillende resultaten.

Vraag: Welke SAT rapporteren locale media?
Antw.: De media geven de aflezing van 1 bepaalde thermometer van een nabij weerstation. Deze kan heel verschillend zijn van de werkelijke SAT zelfs op die locatie, en heeft geen relatie tot de ware regionale SAT. Om deze te meten zouden we vele 15 m hoge palen moeten hebben met thermometers, gelijkmatig verdeeld over de hele regio, en dat lijkt me overduidelijk nogal onmogelijk.

Vraag: Als de gemelde SATs niet de ware SATs zijn, waarom zijn ze dan toch nuttig?
Antw.: De gemelde temperatuur is alleen zinvol voor iemand die toevallig het weerstation bezoekt op het moment van aflezing, met andere woorden, voor niemand. Maar behalve de SAT geven de rapporten meestal ook aan of de huidige temperatuur ongebruikelijk hoog of laag is, hoeveel die verschilt van de normale temperatuur, en die informatie (het verschil) is van belang voor de hele regio. Als we horen over een bepaalde temperatuur (zeg 21°), vertalen we dat instinctief naar warm of koud, maar onze vertaalsleutel hangt af van seizoen en regio, dezelfde temperatuur kan ‘warm’ zijn in de winter en ‘koud’ in de zomer, dus we vertalen alle absolute temperaturen automatisch in verschillen, of we ons dat bewust zijn of niet.

Vraag: Als SATs niet kunnen worden gemeten, hoe worden dan SAT-kaarten gemaakt?
Antw.: Dat kan alleen met behulp van computers, met dezelfde modellen die worden gebruikt voor de dagelijkse weersverwachtingen. We kunnen het model starten met de weinige gegevens die dan beschikbaar zijn en vullen de rest in met schattingen (ook wel extrapolaties genoemd), en laten het model dan lang genoeg lopen totdat de initiële schattingen niet meer van belang zijn, maar niet zo lang dat de onnauwkeurigheden van het model teveel invloed krijgen. Dat kun je doen door te beginnen met gegevens over vele jaren, zodat het gemiddelde (‘klimatologie’ genaamd) hopelijk een typische kaart voor die betreffende dag, maand of jaar voorstelt.

Vraag: Wat moet ik doen als ik echt absolute SATs nodig heb, en geen verschillen?
Antw.: In 99,9% van de gevallen zul je zien dat verschillen alles is wat je nodig hebt, niet absolute temperaturen. Anders pik je een van de beschikbare ‘klimatologieën’ en voeg de verschillen toe (let op de juiste basisperiode). Voor het wereldwijde gemiddelde produceren de beste modellen een waarde van ± 14°C (57,2°F) maar het kan ook ergens tussen 56 en 58°F liggen, en regionaal, en zeker locaal, is de situatie nog slechter.

(James E. Hansen, NASA/GISS)

 

Opmerkingen van Joseph d’Aleo en Anthony Watts in hun boek: Surface Temperature Records – Policy Driven Deception? over oppervlaktetemperatuur metingen:

Samenvatting voor beleidsmakers:

1.   Instrumentele temperatuurgegevens voor de pre-satelliet periode (1850-1980) zijn zo kamerbreed, systematisch en eenzijdig gemanipuleerd, dat niet geloofwaardig kan worden volgehouden dat er enige belangrijke globale opwarming was in de 20e eeuw.

2.   Alle aardse oppervlaktetemperatuur-databases vertonen serieuze problemen, die ze waardeloos maken om er enige accurate lange termijn temperatuurtrend uit te distilleren.

3.   Alle problemen hebben de gegevens zodanig bewerkt dat ze de waargenomen opwarming schromelijk overdrijven, zowel regionaal als globaal.

4.   Globale aardse temperatuurgegevens zijn ernstig aangetast omdat meer dan driekwart van de 6.000 stations die eens bestonden, niet langer gebruikt worden.

5.   Er is een ontoelaatbare neiging om die stations te verwijderen, die op grote hoogten, hogere breedten en landelijke gebieden staan, hetgeen leidt tot een extra nadruk op opwarming.

6.   Vervuiling door verstedelijking, verandering in gebruik van gebieden, verkeerde plaatsing, en verkeerd gekalibreerde instrumenten benadrukken nogmaals de opwarming.

7.   Verschillende peer-reviewed publicaties in recente jaren hebben aangetoond, dat de nadruk op waargenomen opwarming alleen al voor 30-50% voor rekening komt van het warmte-eiland effect.

8.   Selectieve keuze van waargenomen stations gecombineerd met interpolatie naar plaatsen zonder stations maakt de invloed van de warmte-eilanden groter dan 50% van de opwarming in de 20e eeuw.

9.   Gegevens uit de oceanen mankeren grotendeels en de onzekerheden zijn groot. Een omvattende dekking is pas vanaf 2003 beschikbaar, en toont geen opwarming.

10.  Satelliet temperatuurmeting biedt een alternatief voor aardse meting, in het vaststellen van de globale lagere-troposfeer temperatuur. Deze uitkomsten beginnen steeds verder te verschillen van die van de aardse stations op een manier, wat wijst op een kunstmatige nadruk op opwarming in de oppervlaktetemperatuur-metingen.

11.  NOAA en NASA tezamen met CRU waren de drijvende krachten achter het systematische opkloppen van de 20e eeuwse globale opwarming.

12.  Er zijn veranderingen aangebracht in de historische gegevens, om cyclische veranderingen onzichtbaar te maken, die gemakkelijk verklaard zouden kunnen worden door natuurlijke factoren, zoals de langjarige oceanische veranderingen en de zonnecycli.

13.  Globale aardse databases zijn ernstig verminkt en kunnen niet langer vertrouwd worden om klimaattrends in te schatten of voorspellingen vanuit de modellen te bevestigen.

14.  Een inclusief extern onderzoek van de oppervlaktetemperatuur gegevens van CRU, GISS en NCDC is essentieel, maar dan door een comité “voorgezeten en bemand door wederzijds vertrouwde klimaatspecialisten die geen gevestigde belangen hebben in de uitkomst van de evaluaties”.

15.  Vertrouwen op de globale gegevens door zowel het UN/IPCC als de Amerikaanse GCRP/CCSP vereist ook een volledig onderzoek en evaluatie daarvan.

 

(Joseph d’Aleo (vak-meteoroloog) en Anthony Watts (meteoroloog voor radio/TV): Surface Temperature Records – Policy Driven Deception?, 2010, Uitg. SPPI / http://scienceandpublicpolicy.org/images/stories/papers/originals/surface_temp.pdf)

 

[Opm. van mij, Rinus Kiel: zie de opmerkingen van de programmeur Ian Harris op pagina Wiskundige modellen.]

 

Twee voorbeelden van hoe er met oppervlaktetemperaturen werd geknoeid

    Methode en voorbeeld 1

 

    Ter illustratie van bovengenoemde stellingen het volgende: Op het onderstaande plaatje zie je drie concentrische cirkels. De middelste stelt een stadsgebied voor, waarin een thermometerstation (Urban station). Hier zijn de afgelopen jaren gemiddeld hogere temperaturen gemeten dan in landelijke gebieden (warmte-eiland effect). In 1920 is er een meetstation buiten de stad, in landelijk gebied (Rural station). Maar door uitbreiding van de stad is dat in 1960 binnen de bebouwing komen te liggen, waardoor de temperaturen gemeten met dat station stijgen, maar nog altijd ligt de temperatuur lager dan midden in de stad. In 2000 is door uitbreiding het 'Rural station' volledig door bebouwing omgeven, en geeft dezelfde temperatuur als midden in de stad.

Dus voor die twee stations zal het temperatuurverloop er als volgt uitzien (donker = stadsstation, licht = landelijk station dat in de stad kwam te liggen). Het stadsstation had al een licht stijgende temperatuurcurve, aangevend dat er een lichte temperatuurstijging had plaatsgevonden. Maar die van het landelijk station had uiteraard een steilere temperatuurcurve, omdat in 1920 de temperatuur daar nog lager was, en in 2000 gelijk aan die in de stad. Zie hieronder.

Wat is er nu (vaak) gebeurd? Wel, om deze twee grafieken te 'harmoniseren', is het beginpunt van de 'stadse' grafiek omlaag gehaald totdat het samenviel met dat van de 'landelijke' grafiek'. En op deze manier werd nu 'aangetoond', dat de temperatuur over een heel gebied sterk is gestegen, wat volgens IPCC wordt veroorzaakt door toename van CO2 dat door mensen in de atmosfeer is gebracht. Ik heb verschillende voorbeelden van deze verkeerde manier van doen gezien. Het voert te ver om de grafieken daarvan ook op deze pagina te laten zien. In het al eerder genoemde boek van d'Aleo en Watts zijn vele voorbeelden te vinden.

Voorbeeld 2 (gedocumenteerd!):

    Het NCDC heeft in de 48 staten van de USA op het vasteland van Amerika, over de gehele 20e eeuw, de temperatuurmetingen van alle staten vastgelegd, en wel in twee categorieën: a. platteland, en b. stedelijke gebieden. De temperatuurtrend over de gehele 20e eeuw is:

    a. voor het platteland +0,13°C, en b. voor de stedelijke gebieden +0,79°C.

Deze trend is dus gebaseerd op de werkelijke, met gewone weerstations gemeten oppervlakte-temperaturen.

De plattelandsgebieden geven de meest zuivere temperatuur weer, omdat die alleen door de natuurlijke omgeving wordt beïnvloed. Dit zijn dus de temperaturen die aangeven of de aarde opwarmt of niet. En een trend van +0,13°C over 100 jaar ligt volledig binnen de foutmarge van de metingen. Met andere woorden: er is überhaupt geen netto opwarming geweest in de 20e eeuw. Er zijn wel warmere en koudere perioden geweest in de 20e eeuw, maar die hebben elkaar praktisch in evenwicht gehouden.

Omdat de stedelijke gebieden in de 20e eeuw sterk zijn uitgebreid, is het logisch dat de positieve temperatuurtrend daar veel groter is ten gevolge van het al eerder genoemde 'warmte-eiland effect'. Maar de gepubliceerde (voor dat doel 'gecorrigeerde' of 'aangepaste') cijfers, die door IPCC als betrouwbare temperatuurgegevens worden gepubliceerd, geven een heel ander beeld te zien. Hier is de positieve temperatuurtrend als volgt:

    a. voor het platteland: +0,66°C, en b. voor de stedelijke gebieden +0,77°C.

Zo, nu lijkt het net of er serieus mee is omgegaan, want 0,6 en 0,7°C liggen niet meer binnen de foutmarge van de meetstations. Dat zijn echte temperatuurstijgingen. Maar het is natuurlijk alleen maar leugen en bedrog. Zie Internet document http://scienceandpublicpolicy.org/images/stories/papers/originals/Rate_of_Temp_Change_Raw_and_Adjusted_NCDC_Data.pdf.

En dit soort akelige trucs zijn beslist geen uitzondering. Zo worden wij dus bedrogen.

 

Up Spirituele basis Temperaturen Wiskundig model Ecologisme = religie