Rinus Kiel over Bijbel, cultuur en wetenschap

Reageren? Zie home-page                                                                                

======================================================

Home
Site-map
Updates
Deze site + mijzelf
Bijbel en theologie
Israel - volk en land
Filosofische items
Denken en cultuur
Wetenschap
Actualiteiten
Klimaat
Presentaties
Boeken
Weblinks

(Bijbel en theologie / Uittocht, intocht)

Up Wie was Mozes Aantal Israëlieten Kaart van woestijn Schelfzee Sinai/Horeb Verovering Kanaan Richterentijd

Enkele aspecten van de verovering van Kanaän onder Jozua

Nieuw 31/03/2010 - Laatste wijziging 03/04/2010

Zoek op deze website

Samenvatting: Op deze pagina wordt gekeken naar enkele gebeurtenissen bij de intocht, wordt de realiteit daarvan vastgesteld, en worden de archeologische bevindingen kritisch bekeken. Ook in dit geval dient de geschreven tekst de eerste, tweede en derde belangrijkste bron te zijn en kan de archeologie hoogstens ondersteunend zijn. Maar nooit bepalend. Zoals in steeds meer theologie wordt verondersteld.

Inhoud:

De verovering van het land volgens het boek Jozua en de Amarna-brieven

De ruïnes van Jericho en hun datering

De lokaties van Bethel en Ai

Het gebied dat Israël na de veroveringstochten onder Jozua bewoonde

De zon die stilstond

Conclusie

 

De verovering van het land volgens het boek Jozua en de Amarna-brieven

    Ik wil dit onderwerp niet in detail behandelen. Ik meen dat de historicus Jan van der Land in de tweede druk van zijn boekje ‘Van Abraham tot David’ een consistent verslag van de ‘verovering van Kanaän’ door Jozua heeft gegeven, en heeft beschreven hoe vele Amarna-brieven(note 1) uit de periode 1360-1350 v.C. naadloos bij deze situatie passen. Ik acht me dus ontslagen om dit verslag te dupliceren en verwijs gaarne naar zijn boek. Een tijdlang heb ik Velikovsky gevolgd, maar ben afgehaakt bij zijn m.i. te fantastische uitleg van de context van de Amarna-brieven. De boekjes van Van der Land zijn via de website van BGA te koop.

    De overeenstemming tussen Jozua plus het begin van Richteren en de Amarna-brieven is zo treffend dat Th. Meek, overigens geen supporter van Van der Lands opvatting, in zijn boek ‘Hebrew Origins’ schreef: “Dit uit de tijd zelf stammend verslag van de vestiging van de Habiroe in Palestina loopt zo precies parallel met het verslag in het Oude Testament van de Israëlitische verovering van Jericho en de invasie van het heuvelland van Efraïm onder leiding van Jozua dat de twee betrekking moeten hebben op dezelfde periode.” Ook andere schrijvers uitten zich overeenkomstig, maar vinden dat kennelijk toevallig of zo. Vreemd is dat: de waarheid zien, en haar vervolgens niet herkennen.

    Nadat de veroveringstochten voorlopig zijn geëindigd, spreekt Jozua het volk toe in Jozua 13:1. Vele koningen zijn verslagen, van veel steden zijn de – achtergebleven – inwoners gedood. Slechts één enkele stad is echt veroverd en verwoest, nl. Hazor. In de andere steden zullen de bewoners weer teruggekeerd zijn en een nieuwe koning aangesteld hebben, die we vaak als afzender in de Amarna-brieven aantreffen. Maar zij zullen zich wel drie maal bedacht hebben voordat ze zich weer tegen die onoverwinlijke Israëlieten keerden. In Deut. 11:25 lezen we: “Niemand zal voor u standhouden; de Here, uw God, zal schrik en vrees voor u leggen op het gehele land dat gij betreedt, zoals Hij u heeft toegezegd.” Hazor is na verloop van tijd weer opgebouwd; zijn koning (ook een Jabin) onderdrukt later Israël en wordt door Deborah en Barak verslagen.

    Ook memoreert Jozua dat nog veel land te veroveren is. Het is, behalve het kleine gebied dat Israël bewoonde, nog bijna het hele land Kanaän, plus Fenicië en het gebied van de Filistijnen.

De ruïnes van Jericho en hun datering

    Als Israël de Jordaan oversteekt en Kanaän binnentrekt, regeert in Egypte de zwakke farao Amenhotep III. Het is oogsttijd en de rivier de Jordaan is gezwollen. Misschien ten gevolge van een aardbeving valt een groot stuk materiaal in de Jordaan bij Adam (is ook in 1926 precies zo gebeurd, je kon droog door de Jordaan bij Jericho toen). De rivier wordt tijdelijk afgedamd en het volk kan droog oversteken. Vanaf dat moment stopt het manna en moet Israël oogsten van de vrucht van het land. We kunnen rustig aannemen dat de mensen van Jericho een belegering verwachtten en de oogst al vroeg hebben binnengehaald.

    De Bijbel vertelt ons dat Jericho door God is verwoest nadat op de zevende dag van de ommegangen het volk zeven maal rond de stad is getrokken. Er is tamelijk veel onderzoek gedaan in Jericho door diverse archeologen, o.a. in 1952-1958 door Kathleen Kenyon. Zij dateerde de ingestorte muur en de verbrande stadsresten van laag IV in 2250 v.C. Later vond zij nog een hogere laag en dateerde die in 1550 v.C. Omdat zij als autoriteit wordt beschouwd, wordt haar datering van 1550 v.C. als onaantastbaar beschouwd, hoewel John Garstang in de 1930-er jaren de betreffende laag IV had gedateerd in 1400 v.C. Een latere archeoloog, Bryant Wood, die het materiaal van Kenyon aan een grondige inspectie onderwierp, moest op grond daarvan haar conclusies afwijzen; hij bevestigde dat laag IV was verwoest in Laat Brons. Zijn conclusie wordt nog lang niet door alle archeologen gedeeld, hoewel Wood een aantal overtuigende argumenten had:

§        Jericho was een kleine stad, doorsnede ± 200 meter, met slechts één poort (Jozua 2:5-7: “Toen de poort bij het invallen van de duisternis gesloten zou worden, zijn die mannen weggegaan; ik weet niet, waarheen die mannen gegaan zijn. Jaagt hen snel achterna, voorzeker zult gij hen inhalen. Zij had hen echter op het dak doen klimmen en hen verborgen onder de vlasstengels, die zij uitgespreid had liggen op het dak. Die mannen nu jaagden hen achterna in de richting van de Jordaan naar de doorwaadbare plaatsen, en men sloot de poort, zodra de achtervolgers eruit gegaan waren.” In beide gevallen duidelijk enkelvoud. Laag IV toonde slechts één poort.)

§        De stad was met vuur verbrand, na inname, metalen ontbraken. In Jozua 6:24 lezen we dat ijzer, koper, zilver en goud voor het Huis des Heren werd meegenomen; de stad zelf werd verbrand.

§        Jericho had een dubbele muur, het tussengebied was opgevuld met leem. Op de muur stonden ook huizen, zoals bijv. Rachabs huis. De buitenmuur was als het ware voorover gestort waardoor de leemlaag geen steun meer had en naar buiten gleed (het was in de regentijd), daarbij grote stukken van de binnenmuur meetrekkend die dan ook gedeeltelijk instortte.

§        In kelders en bergplaatsen vond men vaten vol pas geoogst graan. Dat was voor een belegerde en ingenomen stad zeer ongewoon. Meestal hongerde men zo’n stad uit. Maar hier was de stad zonder belegering gevallen. Ook werden nog vele voorwerpen gevonden die normaal geplunderd werden. Maar God had de stad met de ban geslagen, er mocht niets meegenomen worden.

§        In graven binnen en bij de stad is een hele reeks scarabeeën gevonden met de cartouches van vele farao’s vanaf de tijd van de Hyksos tot in het begin van de 14e eeuw, o.a. Thoetmoses III en Hatsjepsoet, maar ook twee scarabeeën met de cartouche van Amenhotep III. Dat geeft een goede ondersteuning aan het feit dat Jericho tegen het eind van de regering van Amenhotep III is verwoest. Natuurlijk zijn ook hiertegen weer tegenargumenten gezocht, maar het totaal van argumenten geeft onomstotelijk de parallel van het bijbelse verslag van de inname van Jericho in Jozua’s tijd.

§        Het enige wat eigenlijk nog ontbrak was een bordje met het opschrift: ‘Dit was de stad Jericho, die door Jozua is ingenomen’, maar dat euvel komt vaker voor.

    Dus ook hier wordt het bijbelse verslag weer voluit ondersteund door de archeologie, mits juist geïnterpreteerd. En waarom zouden wij Christenen daaraan niet geïnteresseerd zijn?

De locaties van Bethel en Ai

    Over de juiste lokalisering van de bijbelse plaatsen Bethel en Ai bestaat een min of meer algemeen gedeelde opvatting, nl. dat die worden gevonden in resp. het Arabische Beitin en de ruineheuvel et-Tell. Het dorp Beitin, dat in de 19e eeuw een onbeduidend vlek was, heeft door de identificatie van de archeoloog Robinson met het bijbelse Bethel een enorme groeispurt doorgemaakt. In feite rust de plaatselijke economie op deze identificatie. Maar het vreemde is, dat er ondanks een enorme graafactiviteit nog nooit een spoor is gevonden van de tempel van Jerobeam, waar de verering van de kalveren plaats vond. Meestal zijn dat opvallende structuren die in een ruïne gemakkelijk te lokaliseren zijn. Maar hier dus niet. Dat doet twijfel rijzen aan de juistheid van deze identificatie.

    Als gevolg van de identificatie van Beitin met het bijbelse Bethel, wordt het bijbelse Ai geïdentificeerd met de ruïneheuvel et-Tell. Maar dat et Tell niet identiek kan zijn met het Ai uit Jozua heeft Jan van der Land m.i. overtuigend aangetoond, maar dat kan eigenlijk iedereen die zijn Bijbel kent en de topografie van dat gebied. Waar de ruïnes van het Ai uit Jozua’s tijd dan liggen? Eerst zal de positie van het bijbelse Bethel moeten worden vastgesteld. En hoe groot de autoriteit van Robinson ook is, hier heeft een erkende autoriteit de plank alweer driftig misgeslagen. Beitin kan het niet zijn.

    Ik citeer David Livingston (Locating Biblical Bethel correctly): “Het ziet er naar uit dat de onderzoekers in dit geval niet voldoende aandacht hebben gegeven aan het belang van topografische kenmerken zoals die in de Bijbel worden genoemd. In de beschrijving van de topografie rond Bethel en Ai hebben de bijbelschrijvers zoveel details genoemd, dat het moeilijk is om soortgelijke details op andere plaatsen in de buurt te vinden. Als je de Bijbel serieus neemt, dan mankeren er aan de topografie van Beitin/et-Tell belangrijke details.

Ten eerste moet er een berg of heuvel (Hebr. har) zijn tussen Bethel en Ai.

Ten tweede moet er een dal (Hebr. gai) zijn ten noorden van Ai.

Ten derde moet er een schuilplaats zijn voor de hinderlaag.

Ten vierde moet er een morad (een helling) zijn, die afdaalt naar Jericho, en een 'shevarim' (steenchaos of steengroeve) waar de mannen van Ai in de eerste strijd 36 Israëlieten doodden."

    Je ziet dan dat de onderzoeker – verliefd op zijn ontdekking – de niet passende gegevens gaat gladstrijken. Zo ook Robinson. "De uitdrukking 'Het gebergte van Bethel' kan alleen maar duiden op het hogere gebied rond Bethel, speciaal aan de oost-, noord-en westkant; maar daar is geen speciale top of heuvel. De uitdrukking komt tweemaal voor (Jozua 16:1 en 1 Samuel 13:2; in beide staat de Hebr. uitdrukking Har-Bethel)." Ja, ja. . .

    Er is al lange tijd gegraven in Beitin, maar elk spoor van de tempel van Jerobeam – toch een opvallende structuur in opgravingen – ontbreekt nog steeds prominent. Livingston zegt: "Vind Ai, of Jerobeam's tempel, of een ander deugdelijk archeologisch kenmerk, en dan zal de identificatie duidelijk zijn. Maar gezien het meest voor de hand liggende en gemakkelijk te ontdekken bewijs nog steeds ontbreekt, is het dan werkelijk vergezocht om de identificatie van Bethel met Beitin te betwijfelen?"

    Ook zie je dat onderzoekers gaan sjoemelen met de datum, als ze hun ‘love baby’ niet kunnen lokaliseren. Daarom is het strak handhaven van de geschreven (Bijbel)tekst als onwrikbaar uitgangspunt zo noodzakelijk.

    Nog een statement van Livingston: “De Bijbel zegt dat er een bergtop (Hebr. har) is tussen Bethel en Ai (Genesis 12:8). Maar Ritter zegt van Bethel en Ai: "Abraham sloeg zijn tent op in de vallei tussen Bethel en Ai" (Ritter 1866: 223). (En er is werkelijk een kleine vallei tussen Beitin en et-Tell!). Ritter citeert dan Genesis 12:8, dat duidelijk zegt dat er een berg ligt tussen die twee plaatsen. Wat is het nut van het veranderen van bijbelse gegevens om die met de actuele situatie in overeenstemming te brengen? Het zou beter zijn om toe te geven dat de topografie niet overeenkomt met de bijbelse beschrijving."

    Conclusie: er zal nog aardig wat gespit moeten worden in de veelbelovende ruïne van El-Bireh (de vermoedelijke plaats van het bijbelse Bethel, in de oostelijke buitenwijken van Ramallah) voordat Jerobeam’s tempel zichtbaar wordt. Dan is er waarschijnlijk geld en motivatie om het echte Ai van Jozua nog eens nader te bekijken. Waar dat is?

    Zie Livingston’s artikel ‘Locating Biblical Ai Correctly. Alles bijeen genomen deel ik Livingston’s conclusie dat Ai in principe gevonden is op de locatie Khirbet Nisyah. Zie voor details de kaart.

Maar later onderzoek van BAR (Biblical Archeology Research) doet twijfel rijzen aan deze identificatie. Een betere overenkomst met de Bijbelse gegevens richt de aandacht op de locatie Khirbet-al-Maqatir, ten noordoosten van El-Bireh (juist rechts boven de kaart).

Ook hier dus een (voorzichtige) bevestiging van de bijbelse zienswijze. 

Het gebied dat Israël na de veroveringstochten onder Jozua bewoonde

    Ik denk dat velen van ons van huis uit en door de vertellingen op school de indruk hebben gekregen dat Israël zo ongeveer het hele land bewoonde. Maar de werkelijkheid is helemaal anders. Israël woonde deels aan de overkant van de Jordaan (wat nu Jordanië is) en voor de rest in een stuk Jordaandal rond Jericho (daar lag ook het verzamelpunt 'Gilgal'), een deel van de centrale heuvelrug vanaf ter hoogte van Jericho tot Sichem ongeveer, een een stukje van de westelijke hellingen van die heuvelrug (zie het kaartje hierbij). Pas later, onder David en Salomo, breidde de bevolking zich snel uit en bewoonde een groot deel van het gebied dat eeuwen lang 'Palestina' heeft geheten. Dat wil niet zeggen dat vanaf het begin geen enkele Israëliet ergens anders is gaan wonen. De Danieten bijv. vestigden zich een tijdlang in de buurt van de Filistijnse steden, ten zuidwesten van het centrale gebied. Later, na Simson, die hen de Filistijnen een beetje van het lijf hield, migreerden zij als geheel naar het noorden, bij de Golan, aan de bronnen van de Jordaan. Wie wel eens in Israël geweest is en de bronnen van de Jordaan heeft bezocht, is er langs gereden (Tell Dan), het is één van de toeristische punten daar. De Danieten moordden daar de hele bevolking van een stad uit (Laïs), verbrandden die, bouwden hem weer op en gingen daar wonen. Zij noemden de stad 'Dan', naar hun stamvader. In Richteren 17 en 18 lees je de hele geschiedenis. Die verklaart tegelijkertijd ook, waarom koning Jerobeam in Dan een vereringsplaats aanwees: die was er namelijk al door de handelwijze van de Danieten.

De zon die stilstond

    En dit is dan het laatste item waarvoor ik nog aandacht wil vragen. Dit verschijnsel is niet alleen in Palestina gezien, maar ook in China en in Midden-Amerika. In China spreken ze rond die tijd over een nacht die drie nachten duurde, en de Azteken vertelden de Spaanse geschiedschrijver Fray Bernardino de Sahagún over een dag dat de zon opging, en een dag lang dicht boven de horizon bleef dralen, voordat zij aan haar dagelijkse omloop begon. Deze schreef dat op in zijn boek ’Historia General de las Cosas de Nueva España’. En in beide gevallen ging dat gepaard met opvallende kosmische gebeurtenissen, zoals ook in het boek Jozua.

    Daar regende het stenen (eben) van de hemel, een soort kosmisch bombardement, dat je moeilijk kunt overleven. Later wordt dan van hagelstenen gesproken, waarbij je denken kunt aan zwaar onweer, hevige wind en ander ongewoon weer, dat dikwijls zulk soort kosmische inslagen vergezelt. Een voorbeeld: na het ontstaan van het Nordlinger Ries in Duitsland door een inslaande meteoriet, dat plaatsvond in het Tertiair, is er een korte periode van uitzonderlijke regenval geweest, die nieuwe beddingen heeft uitgegraven en oude verlegd. In de 18e eeuw vielen er ten noorden van het Frans stadje l'Aigle (Normandië) een grote hoeveelheid stenen uit de hemel, waarna het ook enkele dagen noodweer is geweest. Dit was schokkend voor de mensen toen, want in die tijd kwam juist het uniformitarisme op dat geloofde dat alles zijn kalme gangetje was gegaan gedurende miljoenen jaren, en dat verhalen over kosmisch geweld naar het rijk der fabelen moesten worden verwezen. Daarom maakte het des te meer indruk!

    Dus ik denk dat de feitelijkheid van die ‘stilstaande zon en maan’ niet betwijfeld kan worden. We zullen dat als historische werkelijkheid moeten accepteren. Temeer omdat er nog bij staat – alvast bij voorbaat om de te voorziene ongelovigen de pas af te snijden – dat het in het Boek des Oprechten is opgetekend, m.a.w. het is geen flauwekul! We hebben het vastgelegd!!

    Natuurlijk roepen nu vrijwel alle geologen, geofysici, astronomen, en allerlei andere -nomen en -logen dat dit niet kan. Bewijzen dat iets niet kan is echter een hachelijke onderneming. Dat is immers wetenschappelijk onmogelijk! Iets dergelijks deed zich ook voor in Hizkia’s tijd, toen de schaduw terug liep. Men zegt dat het omgekeerde gebeurde in de tijd van Achaz, Hizkia’s vader. Er zijn allerlei pogingen gedaan om dit te verklaren vanuit een zonsverduistering e.d., maar omdat de mensen uit die tijd kundig genoeg waren om te weten hoe de zonneschaduw zich bij een verduistering gedroeg, zou dit geen teken voor Hizkia kunnen zijn, want dit gebeurde altijd bij een zonsverduistering. Het was dus iets uitzonderlijks.

    Deze gebeurtenissen herhalen zich rond elke 700 jaar, zij het in afnemende mate. Ook de duisternis van 3 uur lang op de dag van Jezus' kruisiging past waarschijnlijk in dit patroon.

    Hoe kunnen we dit verklaren? Momenteel kunnen we dat niet, omdat er na de opkomst van de moderne wetenschap nog niet zoiets heeft plaatsgevonden. Er wordt wel gezegd dat ongewone bewegingen van de aarde niet kunnen vanwege de massaverschuivingen die dan plaatsvinden, maar als we kijken naar de herstelcurve van de aarde na de kosmische catastrofe in 2.345 v.C. waarbij de aardas in één klap naar 26°30’ werd geslagen (zoals onderzocht door de Australische gouvernementsastronoom George Dodwell), dan zien we op die herstelcurve een aantal schommelingen met een tussenpoos van ± 700 jaar. En pas in 1850 AD is deze beweging definitief tot stilstand gekomen. Het lijkt voor de hand liggend dat er een natuurlijke beweging aan ten grondslag heeft gelegen, maar ook is er de mogelijkheid dat God rechtstreeks in de loop der dingen heeft ingegrepen, zoals indertijd ook aan de Schelfzee.

    En datzelfde zal Hij opnieuw doen. En misschien is dat moment dichterbij dan wij believen te denken. In Zacharia 14:3 lezen we dat de Heer dan met de verzamelde legers bij Jeruzalem de strijd zal aanbinden “. . .zoals Hij vroeger streed, ten dage van de krijg”. Het is aannemelijk dat de profeet hier teruggrijpt op de unieke en uitzonderlijke gebeurtenis in Jozua 10. In Zacharia 14:7 lijkt aangegeven te worden dat ook dit een dag is die langer duurt dan normaal.

    Ik zie dus geen enkele reden om de feitelijkheid van het in Jozua genoemde stilstaan van zon en maan te betwijfelen, ook al omdat in die tijd in andere delen van de wereld op dezelfde tijd overeenkomstige verschijnselen op te merken waren. De verklaring ontbreekt, misschien wel voorgoed.

Conclusie

    Het geheel overziende, zie ik geen aanleiding om het bijbelse verslag als iets anders te zien dan zoals het zich aandient: als een verslag van gebeurtenissen. Buitengewone gebeurtenissen weliswaar. Maar wat mag men verwachten als de Schepper zelf zich persoonlijk met het wel en wee van dit volk bemoeit. Dan gebeuren er ongewone dingen. Sommige kunnen verklaard worden vanuit de kennis die we tot nu toe hebben opgedaan, andere wachten nog op een verklaring, of onttrekken zich wellicht definitief daaraan.

    Ook zagen we dat de geschiedkundige en archeologische gegevens zich zonder moeite voegen in de geschiedenis zoals die in de Bijbel is opgetekend.(note 2)

    Ik meen dat ik in dit geval bruikbare oplossingen heb voorgesteld, maar ik ben niet van mening dat er zich niet nog betere zouden kunnen aandienen. Wetenschap is nu eenmaal het zoeken naar de waarheid, en de resultaten blijven voorlopig. De Bijbel geeft ons de waarheid, uiteindelijk De Waarheid.

    De opmerking dat ik de Bijbeltekst overvraag als ik daarin verifieerbare historische gebeurtenissen lees, zoals van theologische zijde regelmatig wordt opgemerkt, vind ik niet relevant. Ik sta dan in de traditie van vele kerkvaders, reformatoren en gereformeerde theologen. De bovenstaande studie toont aan dat die positie onnodig is en de Schrift onrecht doet. God levert ons inderdaad werkelijke historie. Dat is de basis. Dat deze werkelijk gebeurde historie ook diepere lagen heeft, en dat daarin God zijn heilshandelen openbaart, beaam ik van harte. Maar alleen maar, nadat de daarin verhaalde realiteit als realiteit wordt geaccepteerd. Dat is niet altijd gemakkelijk, om velerlei redenen. Een daarvan is hierboven besproken. De transfer van de oorspronkelijke Bijbeltekst is kennelijk niet altijd vlekkeloos verlopen. Het zo dicht mogelijk benaderen van deze oorspronkelijke tekst – de autograaf – is een van de taken van de theoloog. Daarbij kan hij thans gebruik maken van een toenemend aantal wetenschappen, die echter ondergeschikt dienen te blijven aan het doel: het in eerbied aanvaarden van Gods Woord dat in de soms gebrekkige gestalte van de actuele Bijbeltekst tot ons komt.

    Wat wij niet moeten doen, is onze Bijbellezing en verklaring laten dicteren door al of niet ongelovige onderzoekers, die er geen enkel belang bij hebben de bijbelse zienswijze te ondersteunen. Zie bijv. Kathleen Kenyon. Zij heeft de plank ongelooflijk misgeslagen, waar onderzoekers als Garstang en Wood de spijker op de kop sloegen. Toch wordt zij geëerd met een adellijke titel en blijft het werk van de anderen onderbelicht. Als wij koppig en volhardend de Bijbel accepteren, ook als boek van de historie en de kosmos, worden wij daarin rijk beloond. Ik hoop dat dit ook de doorgaande ervaring mag worden van allen die dit lezen.

Up Wie was Mozes Aantal Israëlieten Kaart van woestijn Schelfzee Sinai/Horeb Verovering Kanaan Richterentijd

(1) 'Amarna-brieven' is de naam voor een serie kleitabletten, gevonden in de ruïnes van Tell  el-Amarna, de resten van de hoofdstad Achet-Aton, die farao Amenhotep IV liet bouwen. De tabletten bevatten diplomatieke correspondentie: klachten en verzoeken van vazallen in Palestina aan de farao's Amenhotep III en IV (Achnaton) betreffende invallende 'Habiroe', hun veroveringen, de verraders onder de Kanaänitische koningen. Uit alles blijkt dat die farao’s niet reageerden op al die informatie

 

(2)  Nog een aardig detail dat de historiciteit van het boek Jozua ondersteunt: In Jozua 24:30 lezen we, na de dood van Jozua: "En men begroef hem binnen het gebied van zijn erfdeel, te Timnat-Serach op het gebergte van Efraim, ten noorden van de berg Gaas."  De Septuagint (LXX) voegt daar aan toe: "En zij legden in de grot waarin hij begraven werd, de stenen messen waarmee hij de Israëlieten besneed in Gilgal". Ten noordwesten van Bethel ligt Kef'r Ishu'a, het 'dorp van Jozua'. In één van de rotsgraven daar vond men in 1870 een groot aantal stenen messen!