Rinus Kiel over Bijbel, cultuur en wetenschap

Reageren? Zie home-page                                                                                

======================================================

Home
Site-map
Updates
Deze site + mijzelf
Bijbel en theologie
Israel - volk en land
Filosofische items
Denken en cultuur
Wetenschap
Actualiteiten
Klimaat
Presentaties
Boeken
Weblinks

(Denken en wetenschap in onze cultuur / De 'Verlichting')

Up Algemene situatie Heersende denkmodel Vervolg Reformatie Vervolg Humanisme Vervolg wetenschap Romantiek Immanuel Kant Georg Hegel

En nu de moderne wetenschap

Nieuw 14/03/2002

Zoek op deze website

Samenvatting: De moderne wetenschap, gebouwd op gezonde bijbelse principes, komt langzaam aan onder de invloed van denkers, die zich op heel andere uitgangspunten baseren. De Franse denker René Descartes, wijst het denken weer aan als ultieme kenbron. Hij verlaat daarmee het pad van de moderne wetenschap en keert terug tot de onvruchtbare tweedeling in het denken.

De moderne wetenschap, dat leek wel één groot succesverhaal. Natuurlijk waren er tegenslagen en misvattingen, die het onderzoek soms voor een tijd stagneerden. Maar over het algemeen leek het gebied van kennis en inzicht en de mogelijke toepassingen daarvan, een onbegrensd land te zijn. Tot ver in de negentiende eeuw waren vele wetenschappers nog belijdende christenen, die hun werk zagen als tot eer van God de grote Schepper en die bereid waren de grenzen in acht te nemen, die de Bijbel de mens stelt. Dat wil o.a. zeggen, dat zij wilden werken in het kader van dankbaarheid en verwondering, dat zij de realiteit stelden boven hun denkconstructies en dat zij de unieke plaats van de mens in Gods schepping in het oog hielden: heerser, beheerser, ja, maar ook onderhouder, behouder, bewaarder, rentmeester met volle verantwoordelijkheid tegenover zijn Schepper. En… zondaar. Zodat zij een ruime scepsis inbouwden in hun omgaan met de vele raadsels, die zich als het ware voor hun ogen oplosten. Niet elke toepassing zou tot heil van mens en wereld zijn.

                   

    Natuurlijk was het gemakkelijk om de bijbelse restricties over boord te gooien en zo, zonder God, verder te werken. Nu eenmaal de machinerie van wetenschap en techniek op gang was gekomen, leek zij onstuitbaar verder te rollen. En omdat christelijke kerk en theologie kennelijk geen interesse hadden voor het wetenschappelijk bedrijf, was het de geest van het Humanisme, die langzaam aan de toon begon te zetten. In de universitaire wereld was die mogelijkheid aanwezig, zoals we hiervoor zagen. Dat Humanisme had namelijk buitengewoon grote interesse in de wetenschap als gereedschap tot het opbouwen van een maatschappij naar humanistisch ideaal, een maatschappij zonder God. Dat was in het begin nog niet zo gemakkelijk. Er moest behoedzaam te werk worden gegaan. De humanistische filosofieën werden o.a. uitgedragen door mensen als de Franse filosoof René Descartes, die lange tijd in Nederland verbleef en hier ook zijn boeken uitgaf, en de Engelsman John Locke (1632-1704). In die filosofieën speelde God nog wel een rol. Als een soort van grote horlogemaker, die het uurwerk van de wereld had gemaakt en opgewonden, maar zich nu had teruggetrokken en het hele mechaniek op eigen kracht liet verder lopen. Men noemt dat: Deïsme. Het besef van mensen als Robert Grosseteste, dat Gods schepping het van minuut tot minuut niet zonder Gods onderhoudende werk kan stellen, werd hier geruisloos ten grave gedragen. Men bewees nog lippendienst aan begrippen als schepping, zondeval (min of meer) en zondvloed. De theologen aan de universiteiten knipperden niet met hun ogen: hier werd nog bekende taal gesproken. De latere Schotse filosoof David Hume (1711-1776) – ook wel de profeet van het scepticisme genoemd – probeerde met zijn scepticisme zowel christenen als Deïsten in de wetenschap de argumenten uit handen te slaan. Hij stelde er niets voor in de plaats. Ook nu reageerde de – nog steeds in scholastisch vaarwater verkerende – theologie hoofdzakelijk in verband met het feit, dat de (humanistische) filosofie zich tegenover de theologie begon op te stellen en zich niet meer als een gedweeë dienaar van de theologie gedroeg. Maar de werkelijke betekenis van deze ontwikkelingen bleef voor haar blijkbaar verborgen.

    Nu, zo’n God als die van de Deïsten, die kun je zonder enig bezwaar ook wegdenken. Het hele bestaan is dan uit zichzelf begonnen en heeft zich langs wegen van geleidelijkheid ontwikkeld van lager naar hoger. Heel ver behoefden de filosofen van de Verlichting (want zo heet deze denkwijze) niet te zoeken naar voorbeelden voor deze opvatting: de hele Griekse denkgeschiedenis zit er vol mee. In alle heidens denken zit die notie van hiërarchie, van een ketting van wezens vanaf god naar materie (the great chain of being), met de mens er halverwege tussenin. Boven hem de geestelijke wezens, onder hem de dieren, vanaf de dichtstbijstaande (apen bijv.) tot aan de eencelligen en helemaal onderaan de materie, de stof. Ongeveer op zo’n manier zien alle heidense wereldbeelden eruit.

    Ook won de gedachte veld, dat in zo’n schone machinerie als het heelal met al zijn levende wezens, eigenlijk alles door oorzaak en gevolg werd geregeerd. Wist je eenmaal de begintoestand van het heelal, dan kon je – als je daarvoor de tijd en de mogelijkheden had – elke tussentoestand uitrekenen, en dus ook die van het huidige tijdstip. Alles was dus gedetermineerd, voorbeschikt, door de werking van oorzaak en gevolg. Want een iets andere begintoestand en alles zou anders uitpakken. Zo bleef er in deze gedachtengang dus niets meer heel van de unieke positie van de mens. Niks beeld van God, gewoon per ongeluk ontstaan. Niks vrije wil, alles lag vanaf het begin muurvast: elke gedachte, elk zuchtje adem. Niks verantwoordelijk voor God, want die was niet meer nodig. Maar ook: niks moraal, want hoe kan er in zo’n wereld goed en kwaad zijn? ‘t Is toch allemaal goed, want ‘t is allemaal vanzelf ontstaan. Schepping, zondeval, verlossing, herschepping, alles verdwijnt achter de horizon!

    Een laatste bittere vrucht van het loslaten van de bijbelse uitgangspunten voor het filosofisch en wetenschappelijk bedrijf heeft te maken met de zgn. kenleer, oftewel de epistemologie. Hoe weten we, dat wat we aan kennis en inzicht vergaren, ook werkelijk iets zegt over de mensen, de dieren en de dingen om mij heen. Voor mensen die nog leven binnen de lichtkring van de Bijbel, lijkt wat ik nu ga zeggen nogal overdreven. Voor velen, die in onze tijd geheel los leven van het evangelie, is het tot wanhoop voerende werkelijkheid. Meer en meer kwam er nl. discussie op gang over de vraag of datgene, wat wij waarnemen ook werkelijk en reëel bestaat, of dat het slechts impressies in onze hersenen e.d. zijn. Dus: bestaat de realiteit echt, of is zij slechts een illusie, (maya in het Hindoeïsme). Natuurlijk deden deze mensen in het gewone leven net, of alles wel echt bestond, anders kun je geen stap meer verzetten, maar hun denken bood daarvoor geen support meer. Hoe komt dat? Wel, als het ontstaan van de mens toevallig is, waarom zou hij dan innerlijk op die hem omringende werkelijkheid corresponderen? Dat hoeft toch helemaal niet? Dit probleem begon de filosofen steeds meer bezig te houden. Voor hen, voor wie de bijbelse notie van de schepping door een liefdevolle God een levende realiteit is, zijn deze problemen dus moeilijk voorstelbaar, maar niettemin zeer reëel en urgent.

Up Algemene situatie Heersende denkmodel Vervolg Reformatie Vervolg Humanisme Vervolg wetenschap Romantiek Immanuel Kant Georg Hegel

free web hit counter