Rinus Kiel over Bijbel, cultuur en wetenschap

Reageren? Zie home-page                                                                                

======================================================

Home
Site-map
Updates
Deze site + mijzelf
Bijbel en theologie
Israel - volk en land
Filosofische items
Denken en cultuur
Wetenschap
Actualiteiten
Klimaat
Presentaties
Boeken
Weblinks

(Wetenschappelijke onderwerpen)

Up Geloof Wetenschap Natuurwetenschap Problemen Nieuwe kosmologie IJstijd Zondvloed/Geologie Radioact. datering

Zondvloed en geologie

Nieuw 09/09/2008

Zoek op deze website

Samenvatting: De zondvloed, moeten we die oude mythe hier nog ten tonele voeren? Dat is toch al eeuwen achterhaald? Niets kan verder bezijden de waarheid zijn. De grote vloed ten tijde van Noach is verre van irrelevant, maar integendeel een fenomeen dat niet te negeren is. Laten we eens zien. Zie ook  een uitstekend artikel over dit onderwerp door Ruben Jorritsma: http://evolutie.eu/index.php/Bijbel/wereldwijde-zondvloed.html

Zie voor wat de Bijbel aangeeft als reden voor de zondvloed de pagina Noach, Zondvloed.

 

Wat zegt de Bijbel over de ‘zondvloed’?

Zondvloed (Duits Sintflut, betekent: grote vloed), in het Hebreeuws: embul, (mabbul), in het Grieks: kataklysmos. De betekenis is: grote, alles overstromende en alles vernietigende, razende watervloed.

 

    Het woord komt twee maal voor in het Oude Testament:

1. in Genesis 9:11, waar God zegt dat er nooit meer een zondvloed zal zijn, en dat er geen leven meer door een zondvloed zal worden uitgeroeid. Nu, als die vloed lokaal of beperkt was, dan is Gods uitspraak ettelijke malen gelogenstraft, want hoeveel tsunami’s, vloeden en overstromingen zijn er sindsdien al niet geweest? En hoevele honderdduizenden zijn daar al niet bij omgekomen? Maar een vloed die de hele aarde onder water zet en alles vernietigt, nee, die is alleen voorgekomen in de dagen van Noach.

2. in Psalm 29:10, wellicht als terugblik op die gebeurtenis.

Nooit wordt het woord embul, (mabbul) gebruikt voor een gewone vloed of overstroming, ook niet een krachtige, vernietigende vloed, maar alleen voor Noachs vloed, de zondvloed dus, die de hele aarde vernietigde: mensen, dieren, landschappen, de hele geologische gesteldheid en de hele menselijke cultuur met al zijn voortbrengselen verpulverde. Letterlijk! Een totale vernietiging, dus.

    Het komt vier maal (Gr.: kataklysmos) voor in het Nieuwe Testament. En in al deze gevallen verwijst het naar de grote vloed in Noachs dagen.

De hele tekst van het zondvloedverslag getuigt van de verbijstering van de totale vernietiging, de wereldwijde destructie van de hele aardse schepping, met uitzondering van Noach en zijn familie en de dieren die hij in de ark moest meenemen. Uitgezonderd ook dat deel van de zeedieren, dat de vloed overleefde.

Die totaliteit wordt onderstreept door het herhaalde: alle, allen, alles in het verslag, en door het woord verdelgen (Hebr. shachath), wat betekent: zodanig vernietigen dat er niets meer van overblijft, niets meer van terug te vinden is (citaten NBG51).

Genesis 6: 13:Het einde van al wat leeft is door Mij besloten, want door hun schuld is de aarde vol geweldenarij, en zie, Ik ga hen met de aarde verdelgen”.

6:17: “Ik ga een watervloed over de aarde brengen om al wat leeft, waarin een levensgeest is, van onder de hemel te verdelgen; alles wat op de aarde is, zal omkomen”.

7:4b: “. . . en Ik zal alles wat bestaat, hetgeen Ik gemaakt heb, van de aardbodem verdelgen”.

7:19b: “en alle hoge bergen onder de ganse hemel werden overdekt”.

7:21-23: “En al wat leeft, dat zich op de aarde roert, het gevogelte, het vee en het wild gedierte en alle wemelend gedierte, dat op de aarde wemelt, benevens alle mensen, kwamen om. Alles, in welks neus de adem van de levensgeest was, alles wat op het droge was, stierf. Zo verdelgde Hij alles wat bestond, wat op de aardbodem was, mensen zowel als vee en kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, zodat zij verdelgd werden van de aarde; Noach alleen bleef over en wat met hem in de ark was”.

    Dit is duidelijk niet het soort taal dat je gebruikt om een lokale overstroming te beschrijven. Er wordt dan ook nog van uitgegaan dat deze het gebied tussen Eufraat en Tigris zou betreffen, het huidige Irak, dus. Maar hoe zet je deze vlakte onder zoveel water dat een schip met een diepgang van zo’n 7,5 meter er een jaar lang in kan rondvaren? Degenen die dit argument gebruiken hebben dus duidelijk niet erg nagedacht. Maar de vraag is natuurlijk: woonde Noach in dat gebied? Hoe zag de topografie van de aarde er uit vóór de vloed? Zie voor aanwijzingen de pagina Locatie Noach. Trouwens, waarom zou het bij zo’n lokale vloed eigenlijk nodig zijn geweest dat Noach een schip bouwde, hij had toch gewoon een eindje verder kunnen gaan wonen? En waarom al die beesten in die ark? Goed, er zouden enkele soorten waarschijnlijk zijn verdwenen, maar het merendeel zou van die vloed geen last gehad hebben. Nee, diegenen die beweren dat het hier gaat om een lokale overstroming, ergens in het gebied van Eufraat en Tigris, of, wat modieuzer, het onder water lopen van een stuk van de Zwarte Zee, die moeten toch nog maar eens aandachtig lezen wat hier staat.

    De Bijbel spreekt dus onmiskenbaar over een wereldwijde vloed, die de hele aarde met al wat er op is: mensen, dieren, natuurlijke begroeiing, bodems, steden, culturen en alles wat mensenhanden gemaakt hadden tot op het bot van de aarde afschraapt en in de diepte doet verzinken, een totaal verwoeste planeet achterlatend.

Is de Bijbel de enige informatiebron over de zondvloed?

Nee, zeker niet. Behalve het zondvloedverhaal in het vermaarde Babylonische Gilgamesh-epos, zijn er over de hele wereld bij vele volken herinneringen aan die wereldwijde vloed1). Verschillende details komen dan steeds weer terug: het misnoegen van de goden, één mens die van tevoren wist dat die vloed komen zou, en een boot bouwt om te ontkomen, de totale vernietiging van de hele aarde, mensheid en cultuur, en details uit de verdere geschiedenis, zoals de vogels die Noach losliet, het altaar dat hij bouwde, en soms ook een bericht over de regenboog.

De meeste volksverhalen hebben vaak niet meer dan fragmenten uit de geschiedenis van de vloed, maar het Miautso-volk dat in China woont, heeft een mondelinge overlevering door de eeuwen heen bewaard, die verrassend veel van het bijbelse bericht bevat. Ook is bij hen een stamboom overgeleverd, die – weliswaar verminkt – tot Adam teruggaat. Noach heet daar Nuah, zelfs zijn vrouw wordt genoemd: Gaw Bo-lu-en. Zijn zonen 1. Lo-Han (Cham) met zijn zonen Cusah (Kus) en Mesay (Misraim), 2. Lo-Shem (Sem) met zijn zonen Elan (Elam) en Nga-shur (Assur), 3. Jah-phu of Lo Jah-phu (Jafet) met zijn zoon Go-men (Gomer), die ook de stamvader van de Miautso is2).

    Het zondvloedverhaal in het Gilgamesh epos geeft ons onmogelijke verhoudingen voor de ark, nl. lengte = breedte = hoogte, een kubus dus. Je moet geen scheepsbouwspecialist zijn om in te zien dat zo’n kubus de meest onstabiele vorm is die je bedenken kunt, en volstrekt ongeschikt voor het doel waarvoor hij diende, nl. om in de woeste zondvloedwateren veilig te kunnen overleven.

    Alleen het bijbelse bericht geeft ons een volkomen geloofwaardige beschrijving van deze voor menselijke begrippen onvoorstelbare gebeurtenis. Het is nl. ingebed in een serie opeenvolgende familiegeschiedenissen, die een groot deel van het boek Genesis uitmaken. Zie het werk van P.J. Wiseman. Wanneer ik zeg: geloofwaardig, dan geldt dat uiteraard voor diegenen die zich (hebben) kunnen losweken van het heersende wetenschappelijke paradigma van de miljarden jaren en de biologische evolutie, geleerd hebben te lezen wat er staat, en durven vertrouwen op eigen oordeel.  

De zondvloed in de geologie

    Als we aannemen dat de zondvloed een reële gebeurtenis is geweest, die zich heeft afgespeeld binnen het raam van de menselijke geschiedenis, heeft die ramp dan ook gevolgen gehad, die we heden nog kunnen waarnemen? Tot in de 18e eeuw is deze vraag met een volmondig ‘ja’ beantwoord geweest. Van de sedimentgesteenten die men overal aantreft, werd op grond van aanwezige stromingspatronen aangenomen dat die in stromend water waren afgezet. Er werden diverse zondvloedmodellen ontworpen, waarbij de oorzaken werden gezocht in krachten van binnenuit (hitte en druk, endogeen) of van buitenaf (exogeen); in dit laatste geval werd dan gedacht aan kosmische inslagen van meteorieten en/of kometen, of het passeren van grote hemellichamen, die de aardkorst deden openbarsten, etcetera.

    Voortgaand onderzoek leidde tot de overtuiging dat er globaal vier perioden waren in die afzettingen. De onderste – die globaal het Precambrium beslaat – noemde men het Primair. Men nam aan dat die van vóór de zondvloed dateerde. Fossielen kwamen hier niet of nauwelijks in voor. De volgende reeks lagen, van Cambrium tot Carboon, werden Transitie-lagen genoemd; deze waren, zo meende men, door de zondvloed afgezet. Van Perm tot Krijt was de derde groep, die men het Secundair noemde. Daarna een groep niet meer versteende lagen, die het Tertiair werden genoemd (zo heten ze tegenwoordig nog). Men had allerlei argumenten ontwikkeld, gebaseerd op nauwkeurige waarnemingen, die aangaven dat alleen de middelste (Transitie-)lagen door de zondvloed waren afgezet.

    Ten gevolge van het veranderend filosofisch klimaat en de invloed van mensen als Charles Lyell, begon men dit werk te kleineren, en kwam het huidige paradigma op, dat de korte bijbelse chronologie verving door steeds uitdijende tijdsspannes, totdat die momenteel 13,7 miljard jaar voor het heelal, en 4,6 miljard jaar voor de aarde tellen. Binnen dit paradigma was geen plaats meer voor de zondvloed, waarvan het verslag in de Bijbel is bewaard gebleven. Het was immers Lyells adagium ‘to get rid of the Mosaic account’: de bijbelse begingeschiedenis en de wetten van Mozes moesten de laan uit. Het had dus niets te maken met nieuwe gegevens of nieuwe inzichten of zo, integendeel, de feiten uit de realiteit speelden nauwelijks of geen rol in deze nieuwe manier van kijken naar de geschiedenis. Het ging erom om een alternatieve kijk te ontwikkelen, waarbij de invloed van de Bijbel werd uitgeschakeld, daarvoor in de plaats kwamen de actuele, langzame processen die de norm werden voor de verklaring van het verleden. Katastrofes werden uitgezwaaid, alles ging geleidelijk en uiterst kalm.

    Een tijdlang heeft dit paradigma oppermachtig geheerst, niet alleen in de geologie, maar daar zeker. Totdat er in recente tijden nogal wat gebeurd is, waardoor dit ‘actualistische’ paradigma op losse schroeven is komen te staan, o.a. het ontstaan van het vulkaaneiland Surtsey, de uitbarsting van Mount St.Helens, en het ontdekken van de restanten van reusachtige inslagkraters van wel honderden kilometers doorsnede (o.a. de Chicxulub krater in Yucatan, waarvan men abusievelijk meent dat de gevolgen van deze inslag het uitsterven van de dinosaurussen veroorzaakte). De gebruikelijke opvatting thans is, dat alle lagen katastrofisch zijn ontstaan, maar dat tussen die laagjes lange rustige perioden verliepen waarin hoegenaamd niets gebeurde. 

De zondvloed opnieuw ten tonele 

    In Amerika  verscheen in 1961 het boek van John Whitcomb en Henry Morris3), waarin de hele geologische kolom aan de zondvloed werd toegeschreven. Whitcomb en Morris zijn in de Engelssprekende wereld zo ongeveer gecanoniseerd, hoewel het zonneklaar is, dat de bovenste lagen van de kolom NIET ononderbroken in stromend water afgezet zijn.

    De Europese creationisten, die niet kritiekloos deze opvatting volgen, zijn van mening, dat alleen de oudste lagen, die van het Paleozoïcum, zondvloedlagen zijn, omdat zij ononderbroken in stromend water zijn afgezet. De stroomrichting is zeer duidelijk waar te nemen, en de directe opvolging blijkt uit het feit, dat er geen bodems, kruipsporen of regendruppels in zijn te vinden of dat enige erosie heeft plaatsgevonden. Bovendien geeft het verloop van de zeespiegel in die periode aan, dat aan het begin de zeespiegel ‘normaal’ was, met een aantal fluctuaties steeg tot 600 meter boven het huidige niveau, terwijl het einde van het Paleozoïcum wordt gekenmerkt door een zeer lage zeespiegel, (± 100 meter lager dan heden, zie figuur hieronder). Dat komt overeen met het verloop van de vloed zoals die in de Bijbel beschreven is. In deze paleozoïsche lagen is vrijwel uitsluitend gefossiliseerd zeeleven te vinden. Deze fossielen komen voor tot op grote hoogte in gebergten.

    Deze opvatting houdt in dat alle fossielen die in het Perm en hogere lagen worden gevonden, dateren van na de vloed. Dat betekent o.a. dat de fossiele dinosaurussen pas na de vloed in opvolgende katastrofale gebeurtenissen zijn omgekomen. Bovendien betekent het dat de hele flora en fauna van vóór de vloed, inclusief de mensen, definitief buiten ons gezichtsveld zijn terecht gekomen, afgezien van de steenkoollagen in het Carboon, die in hoofdzaak de fossiele restanten van uitgebreide drijvende woudvegetatie bevat, en de bruinkoolafzettingen van later tijd. Dat geeft ook het woord verdelgen in de bijbelse tekst aan. 

    De geoloog Barry Setterfield, die veel onderzoek in het Precambrium, vnl. in Australië, heeft gedaan, komt tot een andere conclusie voor wat betreft de lagen van de zondvloed. Hij neemt de totaal vernietigende kracht van de vloed volledig serieus en gelooft - met Walt Brown - dat het geweld van de eerste fase (zeg de eerste 40 of misschiem 150 dagen) geen enkel fossiel toeliet. Hij ziet de directe afzettingen van de vloed zelf in lagen van het Precambrium, vnl. het Neoproterozoicum, waarin grote hoeveelheden kerogeen zijn te vinden, afkomstig van spierweefsel van mensen en grotere dieren. Hier vinden we dus de menselijke resten, niet als fossielen maar tot op het moleculaire niveau vernietigd. In de periode van afnemend vloedwater kunnen dan de eerste lagen van het Cambrium zijn afgezet. Dus menselijke fossielen dateren alle van ver na de vloed. Vandaar dat het er ook relatief weinig zijn.

Wat veroorzaakte de zondvloed?

1. Bijbelse aanwijzingen

     In de Bijbel vinden we enkele aanwijzingen. Maar we moeten ons realiseren dat de bijbelschrijvers niet de bedoeling hadden om ons informatie te geven over de geologische en meteorologische details van de aarde. De genoemde aanwijzingen zijn als het ware terloops neergeschreven. Van enig georganiseerd wetenschappelijk onderzoek en de resultaten daarvan wordt ons in de Bijbel niets meegedeeld. Het gepraat over een ‘primitief bijbels wereldbeeld’ is dan ook gewoon onzin, omdat het begrip ‘wereldbeeld’ alleen binnen een gestructureerde wetenschappelijke omgeving enige zin heeft. Goed, gezien deze inperkingen, wat vertelt de Bijbel ons over deze dingen?

1.      We lezen over een scheiding tussen water boven een ‘uitspansel’, of ‘gewelf’ en water dat eronder is (Genesis 1:6-8), daarna moet het water onder het ‘gewelf’ naar één plek stromen: de zee (Genesis 1:9-10). Velen hebben verondersteld dat het hier ging om een waterdampmatel die op enige afstand boven de aarde in de atmosfeer aanwezig is, en die in het begin van de zondvloed omlaag gestort is (Genesis 7:11 ‘sluizen van de hemel’ NBG51) / ‘floodgates of heaven’ NIV), waardoor (een deel van) die 40 dagen slagregen verklaard kan worden. Omdat we geen idee hebben van de solaire, atmosferische en meteorologische omstandigheden in het begin, blijft het hier gissen. Larry Vardiman van het ICR heeft recentelijk een poging tot modellering gewaagd (http://www.icr.org/i/pdf/research/Canopy.pdf), waaruit blijkt dat het zeker geen onzinnig idee is, maar het ziet er naar uit dat we nooit zullen weten hoe dat nou precies was.

2.      In Genesis 2:5,6 lezen we dat God het (nog) niet op de aarde had doen regenen, maar dat er vocht (damp SV, NBG51, water NBV, mist KJV, streams NIV) uit de aarde opsteeg en het aardoppervlak vochtig maakte. Verderop lezen we over een rivier die in Eden ontspringt en zich vandaar verdeelt in vier stromen die elk hun eigen richting gaan. Dat lijkt te wijzen op water dat onder druk van beneden het aardoppervlak omhoog komt, en de bodem opheft. Hoe kunnen zich anders uit die ene stroom vier stromen vormen die elk een andere kant opgaan? Dat het niet regende lijkt te maken te hebben met een kalme, gelijkmatige atmosfeer, wat weer ondersteunend is voor de opvatting van een water(damp)mantel hoog in de atmosfeer. En water dat onder druk van onder de oppervlakte omhoog komt, heeft dat wellicht iets te maken met de in het zondvloedverslag (Genesis 7:11) genoemde ‘kolken van de grote waterdiepte’ (NBG51) / ‘fonteinen van de grote afgrond’ (SV).
Walt Brown4) veronderstelt dat  het vrijkomen van deze onder hoge druk staande watermassa – die met verwoestende kracht omhoog is gespoten – een groot deel van de 40 dagen slagregen verklaart. Zie zijn boek. Het gevolg is onder meer dat de aardkorst inzakt door het leegstromen van deze reservoirs. Mogelijk is dat één van de oorzaken van de vloed. Maar hier richten we de aandacht op nog andere fenomenen. 

Wat veroorzaakte de zondvloed?

2. Wetenschappelijke overwegingen

    Welke situaties, toestanden en/of gebeurtenissen veroorzaakten nu die zondvloed? De 18e eeuwse geologen hadden diverse interne en externe oorzaken genoemd, maar de geringe kennis van de kosmos en het binnenste van de aarde maakten hun modellen hoogst speculatief. Maar in de afgelopen decennia is veel nieuw materiaal beschikbaar gekomen. De hernieuwde belangstelling voor het katastrofale in het ontstaan van de geologische kolom gaf aanleiding tot allerlei ontdekkingen. Zo is thans bekend, dat er op diverse momenten in de geologische tijd kosmische bombardementen op grote schaal hebben plaatsgevonden, waarbij de oudste het hevigst waren en de grootste kraters veroorzaakten, en de jongere van afnemend kaliber waren.

    Het enorme aantal inslagkraters op de maan en de planeet Mars gaf al aanleiding tot de gedachte, dat ook de aarde de dans niet altijd is ontsprongen; wij liggen immers ook in de ‘vuurlinie’. Het vermoeden bestaat dat het kosmische puin dat ons teisterde, afkomstig is van een planeet, die tussen Mars en Jupiter zijn rondjes draaide. Verschillende onderzoekers hangen deze theorie aan, o.a. Tom van Flandern5). Maar de spreiding van deze kosmische bombardementen over de geologische kolom (en dus over de veronderstelde lange tijdsspannes) brengt meerdere auteurs in verlegenheid. Voor Van Flandern was dat aanleiding om te veronderstellen dat er meerdere planeten zijn geëxplodeerd in de loop der tijd. Voor ons is één echter genoeg. Restanten van deze rampzalige gebeurtenis vliegen nog steeds door de ruimte om ons heen, nl. de zgn. asteroïden. Sommigen veronderstellen dat ook de kometen diezelfde oorsprong hebben/hadden. Nu maken die overgebleven restanten slechts een klein deel van de massa van die hypothetische planeet uit. Een deel is op Mars, de aarde en de maan terecht gekomen, en mogelijk in de zon. Maar een groot deel zal door de planeet Jupiter zijn opgeslokt, die als een soort enorme kosmische stofzuiger werkt.

    Dat was duidelijk waar te nemen bij de komeet Shoemaker-Levy-9, die door Jupiter is ingevangen en tussen 16 en 22 juli 1994 in 21 brokstukken op die planeet te pletter sloeg. Daarbij waren brokken van rond 2 km doorsnede! Het effect op Jupiter was angstaanjagend: vuurbollen zo groot als de aarde stegen uit zijn atmosfeer omhoog! Ook werd daarbij duidelijk het fenomeen van ‘kraterketens’ gedemonstreerd: een reeks brokstukken die in een min of meer rechte lijn achtereen op een planeet inslaan.

    Goed, een of meer enorme brokken kosmisch puin slaan op de aarde in. Vreselijk natuurlijk. Maar genoeg voor een zondvloed? Misschien niet als enige oorzaak. Wellicht speelden ook de zaken die in Walt Browns boek (zie boven) genoemd zijn, een rol. Maar er was meer aan de hand. En voor de verklaring daarvan moeten we ons licht opsteken bij Barry Setterfield6). Door het buitengewoon snelle verval van radioactieve elementen in die begintijd warmden de planeten – en dus ook de aarde – enorm op. Dat leidde tot een toenemende druk van binnenuit op de aardkorst. Als dan ook, ten gevolge van die ontplofte planeet, grote brokken kosmisch puin de aarde treffen, waarvan sommige op de grens van oceaan en vasteland inslaan, wordt op die plaatsen de zeebodem weggeslagen en zakt versneld door het toen veel vloeibaarder magma van de mantel omlaag. Het basalt van de zeebodem is relatief zwaar t.o.v. het hete en vloeibare mantelmateriaal. Dat heeft twee gevolgen:

    1. Het basalt van de zeebodem wordt op verschillende plaatsen vervangen door heet en vloeibaar mantelmateriaal (magma) dat een veel groter volume heeft dan het basalt van de zeebodem. De zeespiegel stijgt in golven omhoog en slaat over het continent heen, een enorme hoeveelheid los zeesediment meenemend en over de continenten uitspreidend. Hierin zitten veel zeedieren, die door deze steen- en modderstromen worden meegesleurd en fossiliseren. Het hele Paleozoïcum is gelaagd: onderin grof materiaal en naar boven toe steeds fijner, wat wijst op afnemend geweld naarmate de vloed vordert.

    2. Omdat het evenwicht in de aardkorst nu totaal verbroken is, scheurt het continent open, waarna de losgebroken aardschollen zich met grote snelheid van elkaar verwijderen. Alles wat van de vastelanden wordt afgeschraapt door de vernietigende vloedgolven, verdwijnt in diepe ‘synclinalen’ tussen de aardschollen. Van het leven vóór de vloed is niets meer terug te vinden. Aan het einde van de vloed schuiven de aardschollen weer op elkaar, maar vermoedelijk in een wat andere constellatie dan vóór de vloed. Dit noemt men de eerste cyclus van de platentektoniek. 

Wordt dit scenario ondersteund door de wetenschappelijke feiten? 

    Natuurlijk wordt de tijdsspanne (± één jaar voor het Paleozoïcum) niet onderschreven door de ‘mainstream’ wetenschap. Maar er zijn enkele opmerkelijke zaken te melden. Zo zijn er op de grens van aardkern en aardmantel een aantal relatief ‘koude’ basaltplaten ontdekt, waarvan de ouderdom wordt geschat op rond 5.000 jaar. Deze ‘ouderdom’ wordt vastgesteld door aan te nemen dat dit zeebodems waren, waarvan de temperatuur bekend is. Dan is uit te rekenen, resp. in te schatten, hoeveel tijd het gekost heeft om deze bodems tot de huidige temperatuur op te warmen. En zo komt men op ± 5.000 jaar. Voor ons is het duidelijk: dit zijn zeebodems uit de tijd van de zondvloed.

    Dan is er nog iets opmerkelijks. Men heeft vastgesteld dat op Mars iets is gebeurd dat grote overeenkomst met de zondvloed heeft. In zijn jeugd heeft ook Mars te maken gehad met snelle opwarming, waardoor water – waarschijnlijk van onder de korst van Mars – is uitgestroomd over de hele planeet, die daardoor onder een behoorlijke laag water is komen staan. Waar dat water gebleven is, is een raadsel. Waarschijnlijk is een deel terug onder de oppervlakte geraakt, en is de rest verdampt. Mars heeft moeite om gassen en waterdamp vast te houden vanwege zijn lage aantrekkingskracht.

    En als er werkelijk een planeet geëxplodeerd is tussen Mars en Jupiter, dan ligt het voor de hand om aan te nemen, dat ook daar interne verhitting door versnelde radioactiviteit de druk op de korst heeft doen toenemen. Met voor die planeet rampzalige gevolgen: hij explodeerde, en verschafte de projectielen die voor een deel de aardse – en misschien de Martiaanse – zondvloed veroorzaakten.

    Verder zijn er heel wat argumenten die pleiten voor een snelle afzetting van het hele Paleozoïcum. Een voorbeeld: thans vallen er jaarlijks vele meteorieten op de aarde. Als dat vroeger ook zo was, dan zou het hele Paleozoïcum er vol mee moeten zitten. Maar het is geheel vrij van meteorieten. Op één uitzondering na: in Zuid-Zweden is er een plek waar in het Ordovicium meteorieten zijn gevonden. In een kalklaag van ± 30 meter dik komen op drie niveaus een serie meteorieten voor, en die hebben allemaal dezelfde chemische samenstelling. Volgens de gebruikelijke datering heeft de afzetting van dit pakket enkele miljoenen jaren geduurd. Ben ik de enige die deze standaard verklaring ernstig onwaarschijnlijk vind? 

De feiten op een rij

Ik volg hier de opsomming die Hans Hoogerduijn en Jan Rein de Wit in hun te verschijnen boek geven. Wat zijn de geologische kenmerken van het Paleozoïcum?

1.      De zeespiegel stijgt aan het begin van het Paleozoïcum en daalt sterk aan het einde van deze periode.

2.      Wereldwijd zijn de continenten bedekt met uit zee afkomstige afzettingen (sedimenten).

3.      Deze sedimenten zijn verticaal gesorteerd: onderaan ligt het grove, zware materiaal, en naar boven toe wordt het steeds fijner en lichter.

4.      Wereldwijd zijn de sedimenten in dit tijdperk uniform, vanuit de oceaan, in dezelfde richting in sterk stromend water, en zonder onderbreking, op de continenten afgezet: van noordoost naar zuidwest.

5.      Een groot percentage van de afzettingen zijn het gevolg van turbidieten, dat zijn onder-water lawines die zich met grote snelheid uitspreiden over soms grote gebieden. Dat betekent dat de bron van deze sedimenten – de zeebodem – hoger moet hebben gelegen dan het landoppervlak!

6.      De fossielen in deze lagen zijn van dieren die op de oceaanbodem leven, maar zij liggen nu op de continenten.

7.      Wereldwijd zijn er in deze lagen zones waarin zich kennelijk massale uitstervingen van zeedieren manifesteren.

8.      In het hele pakket ontbreken ‘bodems’, waarin planten zijn ontkiemd en hebben geworteld; er is geen erosie tussen de lagen en er zijn geen sporen van dierlijke activiteit.

9.      Voor een geleidelijke evolutie ontbreekt in deze lagen elk bewijs; de soorten verschijnen compleet en veranderen niet totdat ze even plotseling weer verdwijnen.

10.  Er zijn sterk geplooide aardlagen en gebergten in het Paleozoïcum.

11.  Meteorieten zijn – behoudens één genoemde uitzondering – nergens gevonden.

12.  In de steenkoolafzettingen van het Carboon (dat ook tot het Paleozoïcum behoort) bevindt zich meetbaar radiokoolstof (C14).

13.  Er is relatief veel helium gevonden in vulkanisch materiaal binnen het Paleozoïcum (zie voor dit punt en het vorige, de pagina: Radioactieve datering).

14.  Er zijn levende bacteriën gevonden in steenzout uit het Perm (behoort ook tot het Paleozoïcum). Het lijkt nogal onwaarschijnlijk dat deze xx miljoen jaar overleven.

Al deze kenmerken passen zeer goed bij de zondvloed, zoals die in de Bijbel in Genesis 6-8 wordt beschreven. We kunnen dus rustig zeggen dat de bekende wetenschappelijke feiten op geen enkele wijze het fenomeen van de bijbelse zondvloed tegenspreken, en dat de hier gegeven interpretatie minstens gelijkwaardig, zo niet superieur is aan de gebruikelijke.

Up Geloof Wetenschap Natuurwetenschap Problemen Nieuwe kosmologie IJstijd Zondvloed/Geologie Radioact. datering

1) Zie A.M. Rehwinkel: De zondvloed, Buijten en Schipperheijn, Amsterdam, 1951, ISBN 90-6064-171.x, hst. 8 e.v.

2) Zie Bill Cooper: After the Flood, New Wine Press, 1995, ISBN 1-873467-40-x, appendix 12, ook: Ned. vertaling op Internet: Na de Vloed, http://home.kpn.nl/genesis/Europa/index.htm .

3) John C. Whitcomb & Henry M. Morris: The Genesis Flood / The biblical record and its scientific implications, Phillipsburg, 1961, ISDN 0-87552-338-2.

4) Walt Brown: In the Beginning, part II: Fountains of the Great Deep,  over zijn hydroplaat theorie. Ned. vertaling op Internet: http://home.kpn.nl/genesis/Deel2/Index.htm .

5) Tom van Flandern: Dark Matter, Missing Planets & New Comets, Berkeley, 1993, ISBN 1-55643-268-2.

6) Setterfields model is langzaam aan complexer geworden, en het kost tijd en energie om het je eigen te maken. Een eenvoudiger samenvatting is te vinden op http://www.setterfield.org/simplifiedindex.html . Maar ook op mijn website kun je terecht, het complex Nieuwe kosmologie, en een PowerPoint presentatie met tekst (Engels) over zijn werk.